Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:2207

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
ak_24_3377
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Eiser heeft een WIA-uitkering aangevraagd na langdurige arbeidsongeschiktheid, maar het UWV wees deze af omdat het arbeidsongeschiktheidspercentage slechts 20,47% bedroeg, onder de vereiste 35%.

De rechtbank benoemde een onafhankelijke verzekeringsarts als deskundige, die het oordeel van het UWV bevestigde en slechts een aanvullende beperking vaststelde die geen invloed had op het percentage. De rechtbank volgde het deskundigenrapport vanwege de overtuigende en zorgvuldige motivering.

Eiser voerde onvoldoende overtuigende argumenten aan om het deskundigenrapport te betwisten. De rechtbank concludeerde dat het UWV terecht geen WIA-uitkering toekende vanaf 12 september 2023 en verklaarde het beroep ongegrond. Eiser krijgt het betaalde griffierecht niet terug.

De uitspraak is gedaan door rechter Hesseling en griffier Boddeüs. Eiser kan binnen zes weken hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn WIA-uitkering wordt ongegrond verklaard vanwege onvoldoende arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 24/3377

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats] (hierna: [eiser])

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[derde belanghebbende] B.V. uit [vestigingsplaats].

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van [eiser] tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).
1.1.
[eiser] was vanaf 1998 werkzaam als expeditie-productiemedewerker bij [derde belanghebbende] B.V, voor 40 uur per week. Hij heeft op 14 juni 2023 een uitkering op grond van de Wet WIA aangevraagd. Met het besluit van 23 november 2023 heeft het UWV de aanvraag afgewezen, omdat het arbeidsongeschiktheidspercentage niet ten minste 35% is, maar 20,47%.
1.2.
Met het bestreden besluit van 6 augustus 2024 op het bezwaar van [eiser] is het UWV bij dat besluit gebleven.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 17 december 2024 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser] en de gemachtigde van het UWV. De derde-partij was daarbij niet aanwezig.
1.4.
De rechtbank heeft na de zitting het onderzoek heropend en een verzekeringsarts als deskundige benoemd. Verzekeringsarts F.J. Perquin heeft op 13 augustus 2025 zijn rapport uitgebracht. Vervolgens hebben beide partijen op dat rapport gereageerd.
1.5.
Het UWV heeft naar aanleiding van het deskundigenrapport de functionele mogelijkhedenlijst (FML) gewijzigd door daarin ook een beperking vast te stellen voor beschermende middelen (item 3.4).
1.6.
De rechtbank heeft op 8 oktober 2025 aan partijen laten weten dat de rechtbank een tweede zitting niet nodig vindt en heeft aan partijen gevraagd of zij het daarmee eens zijn.
1.7.
[eiser] heeft vervolgens op 15 en 19 oktober 2025 inhoudelijke reacties opgestuurd.
1.8.
De rechtbank heeft op 11 december 2025 opnieuw aan partijen laten weten dat de rechtbank een tweede zitting niet nodig vindt. Ook niet vanwege de twee reacties van
15 en 19 oktober 2025. De rechtbank heeft aan partijen gevraagd of zij het daarmee eens zijn. [eiser] heeft op 12 december 2025 gereageerd en aangegeven dat hij wel een tweede zitting wil.
1.9.
De rechtbank heeft het beroep op 24 maart 2026 op een nadere zitting behandeld. Hierbij was [eiser] aanwezig. De gemachtigde van het UWV heeft zich voorafgaand aan de zitting afgemeld.
1.10.
[eiser] heeft geen toestemming gegeven om medische informatie te delen met de derde-partij. Daarom zal de rechtbank in deze uitspraak geen medische begrippen vermelden.

Standpunt UWV

2. Volgens het UWV heeft [eiser] met ingang van 12 september 2023 geen recht op een WIA-uitkering, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid niet ten minste 35% is maar 20,47%. Hiervoor baseert het UWV zich op het rapport van 26 augustus 2025 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (B&B), de bijbehorende FML en het rapport van
29 augustus 2025 van de arbeidsdeskundige B&B.

Standpunt [eiser]

3. [eiser] stelt kort gezegd dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn gezondheidsklachten.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank is van oordeel dat het UWV terecht geen WIA-uitkering aan [eiser] heeft toegekend vanaf 12 september 2023. De rechtbank licht dit als volgt toe.
4.1.
De rechtbank heeft na de eerste zitting verzekeringsarts Perquin als deskundige benoemd en op 13 augustus 2025 het deskundigenrapport ontvangen. In dat rapport concludeert de deskundige dat de beoordeling van de verzekeringsarts B&B juist is geweest. Wel dient er in de FML een aanvullende beperking te worden vastgesteld voor beschermende middelen (item 3.4), maar deze wijziging heeft geen invloed op de hoogte van het arbeidsongeschiktheidspercentage.
4.2.
Als een bestuursrechter een onafhankelijk deskundige inschakelt dan geldt als uitgangspunt dat hij of zij het oordeel van de deskundige volgt als de motivering van de deskundige overtuigend is. Dat is alleen anders als sprake is van bijzondere omstandigheden.
4.3.
De rechtbank ziet geen reden in dit geval om een uitzondering op deze hoofdregel aan te nemen. Het deskundigenrapport geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd. [eiser] heeft in zijn reacties en tijdens de zitting geen overtuigende argumenten aangevoerd die aanleiding geven om de deskundige niet te volgen. Dit betekent dat het UWV terecht heeft beslist dat [eiser] vanaf
12 september 2023 geen recht heeft op een WIA-uitkering.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat [eiser] geen gelijk krijgt. Daarom krijgt hij het door hem betaalde griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H.M. Hesseling, rechter, in aanwezigheid van
J.T. Boddeüs, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.