Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:2208

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
12088850 \ EJ VERZ 26-36
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:669 lid 1 BWArt. 7:669 lid 3 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing ontbindingsverzoek arbeidsovereenkomst wegens ontbreken verwijtbaar handelen

EOC verzocht de ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [partij A] op grond van verwijtbaar handelen, een verstoorde arbeidsverhouding en een combinatie van gronden. [partij A] betwistte dit en verzocht om toelating tot zijn werkzaamheden. De kantonrechter oordeelde dat EOC onvoldoende bewijs had geleverd voor verwijtbaar handelen, mede omdat EOC geen hoor en wederhoor toepaste en geen concrete gesprekken voerde over de bevindingen van het integriteitsonderzoek.

De kantonrechter beoordeelde diverse schadedossiers waarin EOC [partij A] verwijtbaar handelen toedichtte, maar concludeerde dat de handelingen onvoldoende ernstig waren om ontbinding te rechtvaardigen. Ook was EOC tekortgeschoten in haar herplaatsingsplicht, waardoor het verzoek op de gronden van verstoorde arbeidsverhouding en combinatiegrond niet toewijsbaar was.

Het verzoek tot ontbinding werd afgewezen en [partij A] werd door de kantonrechter toegelaten tot zijn werkzaamheden. De proceskosten werden aan EOC opgelegd. De kantonrechter benadrukte het lange dienstverband van [partij A] en het ontbreken van een adequaat verbetertraject door EOC.

Uitkomst: Het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt afgewezen en [partij A] wordt toegelaten tot zijn werkzaamheden.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer / rekestnummer: 12088850 \ EJ VERZ 26-36
Beschikking van 21 april 2026
in de zaak van
de onderlinge waarborgmaatschappij
E.O.C. ONDERLINGE SCHEPENVERZEKERING U.A.,
gevestigd in Meppel,
verzoekende partij,
verwerende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: EOC,
gemachtigde: mr. P. Trip
tegen
[partij A],
wonende in [woonplaats] ,
verwerende partij,
verzoekende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [partij A] ,
gemachtigde: mr. E. Blaauboer.
De zaak in het kort
In deze zaak vraagt EOC om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [partij A] . De kantonrechter wijst het verzoek van EOC af, omdat er geen redelijke grond is voor ontbinding. Het tegenverzoek van [partij A] om te worden toegelaten tot zijn werkzaamheden wordt toegewezen. Aan de beoordeling van het voorwaardelijke tegenverzoek van [partij A] , waarin hij de kantonrechter vraagt EOC te veroordelen tot het betalen van verschillende vergoedingen, komt de kantonrechter niet toe.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift,
- het verweerschrift, met daarin een (voorwaardelijk) tegenverzoek,
- de e-mail van EOC met daarin bijlage 36,
- de mondelinge behandeling van 24 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- spreekaantekeningen van beide partijen.
1.2.
Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter medegedeeld dat er vandaag een beschikking zal komen.

2.De feiten

2.1.
EOC is een verzekeraar, gespecialiseerd in scheepsverzekeringen. EOC heeft vestigingen in Meppel en in Zwijndrecht. Bij EOC zijn ongeveer 80 mensen werkzaam.
2.2.
EOC hanteert een Personeelshandboek, als ook een Integriteitsbeleid (hierna: het integriteitsbeleid). In het integriteitsbeleid staat onder andere dat voor iedere medewerker geldt dat hij te allen tijde conflicten tussen privébelangen en belangen van EOC moet (proberen te) voorkomen, en dat (potentiële) belangenconflicten moeten worden geregistreerd. Verder staat in het integriteitsbeleid onder meer het volgende:

Betrokkenheid bij werkzaamheden EOC
Medewerkers mogen geen verzekeringsaanvragen, schaden, expertises en taxaties behandelen van familieleden[kantonrechter: in de voetnoot staat hierbij het volgende: onder familielid wordt in dit artikel- minstens/niet limitatief - verstaan: echtgenoot, geregistreerde partner of een andere levensgezel, pleegkind of bloed- of aanverwant tot in de tweede graad.]
of zichzelf, of bemiddelen (waaronder uitbesteden/inkoop) in activiteiten waarbij familieleden zijn betrokken. Elke schijn van partijdigheid of belangenverstrengeling moet worden vermeden. In geval van verschil van mening beslist de Raad van Bestuur; indien het een lid van de Raad van Bestuur betreft dan beslist de voorzitter van de Raad van Commissarissen.
Een medewerker die desondanks betrokken raakt bij EOC-werkzaamheden voor zichzelf of familieleden informeert zijn/haar manager die met de Compliance Officer of RvB overlegt over de te nemen vervolgstappen. De leidinggevende informeert deze medewerker vervolgens over de te volgen procedure/werkinstructie.
2.3.
[partij A] , geboren op [geboortedatum] 1962, is sinds 1 maart 1988 in dienst bij (de rechtsvoorgangers van) EOC in de functie van Expert. De huidige leidinggevende van [partij A] is de heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ), directeur Schade en Expertise bij EOC.
2.4.
[partij A] is opgegroeid op de [locatie 1] in Zwartsluis. Deze scheepswerf is in 2018 overgenomen door [naam 2] , een achterneef van [partij A] . Daarvoor waren de ouders en twee ooms van [partij A] eigenaren van de scheepswerf.
2.5.
In februari en maart 2021 heeft EOC, onder meer in de persoon van [naam 3] , met [partij A] het schadedossier van het schip ‘ [schip 1] ’ besproken. In de gespreksverslagen staat onder meer dat het handelen van [partij A] in dit schadedossier volgens EOC schuurt met het integriteitsbeleid dat binnen EOC geldt. [partij A] was het daar niet mee eens.
2.6.
[partij A] en [naam 3] hebben op 16 april 2021 wederom een gesprek gevoerd. In het gespreksverslag van dit gesprek staat onder meer het volgende:

4. Model integriteitsregistraties
[naam 3][kantonrechter: [naam 3] ]
geeft aan dat het model integriteitsregistraties onder handen is en dat hij daarop binnenkort terug komt. Tot aan die tijd geldt de onlangs gemaakte afspraak dat [partij A] niet op de [locatie 1] komt en zal er vanuit de planning ook geen opdracht komen om naar [locatie 1] te gaan.
2.7.
Bij brief van 17 september 2021 heeft EOC [partij A] een officiële waarschuwing gegeven. Aanleiding daarvoor was dat [partij A] aan boord is geweest van een schip (‘ [schip 2] ’) van een klant van EOC, op [locatie 1] . In de brief staat onder meer het volgende:

Naar aanleiding van het incident betreffende [schip 1] in februari van dit jaar, hebben we jou destijds klip en klaar te kennen gegeven dat wij niet willen dat je in het kader van jouw werkzaamheden voor EOC Schepenverzekering de [locatie 1] bezoekt. Dit omdat de eigenaar familie van je is en wij in het kader van ons integriteitsbeleid zelfs niet de schijn willen wekken van belangenverstrengeling.
2.8.
[partij A] heeft op 22 september 2021 gereageerd op de officiële waarschuwing door aan te geven het daarmee niet eens te zijn en heeft EOC verzocht de officiële waarschuwing in te trekken. Hij schrijft:
Ik heb alle verslaggeving van de besprekingen tussen [naam 3][kantonrechter: [naam 3] ]
, [naam 4][kantonrechter: [naam 4] , medewerker HR bij EOC]
en mij doorgenomen en kom nergens en zeker niet “klip en klaar” tegen wat is afgesproken ten aanzien van mijn wel en niet mogen bij [locatie 1] .
Voorheen, voor dit gebeuren met “ [schip 1] ”, waren er twee afspraken binnen EOC waar ik mij al jaren aan hou en waarvan er één bekend is bij de planning.
- Ik kom daar enkel wanneer het niet anders kan.
- Zodra het schip aan de helling is en het gaat over geld ga ik van de zaak af.Ik ben van mening dat ik mij aan deze twee afspraken in de zaak “ [schip 1] ” keurig heb gehouden.De nieuwe afspraken zijn als volgt geworden:- Ik kom daar enkel wanneer de schipper speciaal naar mij vraagt
- Zodra het schip aan de helling is en het gaat over geld ga ik van de zaak af
- In alle andere gevallen wordt eerst overleg gepleegd met de manager expertise. (…)
2.9.
Bij e-mail van 30 september 2021 heeft de heer [naam 6] , bestuurslid van EOC, gereageerd. In die e-mail staat onder meer het volgende:

Na de besprekingen die gevoerd zijn over het onderwerp "schijn van belangverstrengeling" in de zaak " [schip 1] " is wat ons betreft duidelijk dat er geen bemoeienis van jouw persoon tijdens de uitoefening van jouw functie bij EOC meer mocht zijn bij de [locatie 1] zonder vooroverleg met jouw leidinggevende. De drie afspraken zoals benoemd zijn in jouw schrijven zijn wat ons betreft niet gemaakt (zie gespreksverslag van gesprek d.d. 18-06-2021). De afspraak is en blijft dan ook dat je op geen enkele manier van uit EOC werkzaamheden met/bij [locatie 1] onderneemt.
2.10.
Bij een beoordelingsgesprek op 17 december 2021 heeft [partij A] een slechte beoordeling gekregen van EOC. Uit de toelichting blijkt dat deze score gebaseerd is op “de gedragscomponent” inhoudende dat [partij A] “in alles” zijn eigen koers vaart.
2.11.
Naar aanleiding van een gesprek tijdens een werkoverleg heeft EOC [partij A] een brief gestuurd op 15 april 2022. In deze brief staat onder meer het volgende:

Gedrag afspraak 1: Integriteitsbeleid en model integriteitsregistratie
Als eerste gedragsafspraak is opgenomen dat we willen zien dat je je blijft committeren aan het integriteitsbeleid en het model integriteitsregistratie actueel bijhoudt. Zonder uitdrukkelijk dialoog met je manager voorafgaand aan een mogelijk afwijking van het integriteitsbeleid, is het niet toegestaan af te wijken. Ook niet als de opdracht van een andere collega komt.”
2.12.
Bij scheepswerf [locatie 2] (voorheen [locatie 2] ) in [plaats 2] is op enig moment eind 2024, dan wel begin 2025, de broer van [partij A] ( [naam 5] ) in dienst getreden.
2.13.
Op 25 november 2025 heeft de eigenaar van het schip [schip 3] de verzekeringsovereenkomst opgezegd wegens ontevredenheid over de schadeafhandeling door EOC. Na een telefoongesprek met de opzeggende partij heeft EOC een onderzoek ingesteld naar schadedossiers waarbij [partij A] betrokken was.
2.14.
Op 12 december 2025 heeft een (kort) gesprek tussen partijen plaatsgevonden waarbij EOC [partij A] heeft geconfronteerd met het onderzoek. Hierbij zijn de bevindingen van het onderzoek niet concreet besproken en is [partij A] niet om zijn kant van het verhaal gevraagd. In dit gesprek heeft EOC aan [partij A] meegedeeld dat een ontbindingsverzoek zal worden ingediend. Dit is bij brief van diezelfde dag aan [partij A] bevestigd. Hierin wordt vermeld:
“Helaas is ons gebleken dat jij die integriteit met de mond belijdt, maar het daarmee in de praktijk toch niet zo nauw blijkt te nemen”.Een concrete toelichting op die conclusie ontbreekt. [partij A] is vanaf dat moment vrijgesteld van zijn werkzaamheden, met behoud van loon.

3.Het verzoek, het verweer en het tegenverzoek

3.1.
EOC verzoekt de arbeidsovereenkomst met [partij A] te ontbinden, primair vanwege verwijtbaar handelen, subsidiair vanwege een verstoorde arbeidsverhouding, meer subsidiair vanwege een combinatie van omstandigheden (de i-grond).
3.2.
[partij A] verweert zich tegen het verzoek en stelt dat de verzochte ontbinding moet worden afgewezen, en dat EOC hem in staat moet stellen zijn werkzaamheden uit te voeren. Voor het geval de arbeidsovereenkomst toch wordt ontbonden, verzoekt [partij A] om toekenning van verschillende vergoedingen, waaronder een billijke vergoeding vanwege ernstig verwijtbaar handelen van EOC.
3.3.
EOC heeft tegen het voorwaardelijk tegenverzoek verweer gevoerd.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt voor zover dit voor de beoordeling van belang is hierna ingegaan.

4.De beoordeling van het verzoek

Voorafgaande kwestie: bezwaar tegen te laat ingediende producties
4.1.
EOC heeft op 23 maart 2026, een dag voor de mondelinge behandeling, aanvullende producties 37 tot en met 44 toegezonden. Hiertegen is door [partij A] bezwaar gemaakt. De kantonrechter volgt [partij A] in dat bezwaar en zal de aanvullende producties van EOC niet toestaan. Hiervoor is van belang dat de stukken ruimschoots te laat zijn ingediend, nu de daarvoor geldende termijn 10 kalenderdagen voor de mondelinge behandeling is. Daarnaast gaat het om stukken die al in het bezit van EOC waren, en is door EOC geen toelichting gegeven waarom de stukken niet eerder zijn toegestuurd. De toelichting op de aanvullende producties voor zover die door mr. Trip in haar spreekaantekeningen is gegeven, zal wel onderdeel uitmaken van het dossier.
De inhoudelijke beoordeling
4.2.
Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden. In de wet is in artikel 7:669 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) bepaald dat de werkgever de arbeidsovereenkomst kan opzeggen als daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. In lid 3 van dat artikel is bepaald wat onder een redelijke grond wordt verstaan.
4.3.
De kantonrechter oordeelt dat er geen redelijke grond is voor ontbinding. Dat wordt als volgt toegelicht.
Redelijke grond: verwijtbaar handelen (e-grond)
4.4.
EOC heeft ter onderbouwing van haar verzoek het volgende aangevoerd. Voor EOC als verzekeraar is het cruciaal om te voldoen aan regelgeving, onder andere op het gebied van integriteit. Hiervoor heeft EOC beleid opgesteld. Met [partij A] heeft EOC daarnaast duidelijke afspraken gemaakt over de scheepswerven waarbij familieleden van [partij A] betrokken zijn, namelijk dat [partij A] in zijn functie op geen enkele manier bemoeienis met die scheepswerven mag hebben. In 2021 heeft [partij A] een officiële waarschuwing gekregen, omdat hij op [locatie 1] is geweest en omdat hij zich heeft bemoeid met een schadedossier van een schip (‘ [schip 1] ’) dat eigendom is van een neef van [partij A] . In december 2025 is het EOC na onderzoek duidelijk geworden dat [partij A] zich in 2024 en 2025, in verschillende schadedossiers niet aan de integriteitsafspraken heeft gehouden. De uitkomsten van dat onderzoek maakt dat EOC van mening is dat van haar niet verlangd kan worden de arbeidsovereenkomst met [partij A] langer voort te zetten.
4.5.
De kantonrechter zal hierna het primaire verzoek van EOC aan de hand van de verschillende schadedossiers die EOC aan haar verzoek ten grondslag legt beoordelen. Daarbij zal tot uitgangspunt worden genomen dat EOC, in ieder geval in 2021, aan [partij A] duidelijk heeft gemaakt aan welke regels hij zich diende te houden waar het gaat om zijn betrokkenheid bij de [locatie 1] en de scheepswerf [locatie 2] . Uit de e-mail van 30 september 2021 van [naam 6] (RvB) volgt dat [partij A] tijdens de uitoefening van zijn functie bij EOC geen bemoeienis met de [locatie 1] mag hebben zonder vooroverleg met zijn leidinggevende. Na indiensttreding van de broer van [partij A] bij scheepswerf [locatie 2] valt ook die werf onder bovenstaande afspraak.
Schadedossier “ [schip 3] ”
4.6.
In dit schadedossier heeft de eigenaar van het schip de verzekeringsovereenkomst met EOC opgezegd, volgens EOC vanwege ontevredenheid van de eigenaar over de afhandeling van de schade. EOC verwijt [partij A] in dit schadedossier met name dat hij druk heeft uitgeoefend op de klant om de reparatie van de schade uit te laten voeren bij [locatie 1] . EOC onderbouwt dit met een eigen telefoonnotitie.
4.7.
De kantonrechter overweegt als volgt. Dat [partij A] druk heeft uitgeoefend op de eigenaar van de [schip 3] om de reparatie van de schade uit te laten voeren bij [locatie 1] , is door [partij A] gemotiveerd betwist. Zo heeft [partij A] uitgelegd dat hij de eigenaar van het schip alleen heeft geadviseerd om de schade te laten repareren op een scheepswerf waar twee medewerkers voor de reparatie beschikbaar zijn, omdat de kosten voor de eigenaar vanwege het type schade zouden kunnen oplopen wanneer de reparatie langer zou duren. Dit wordt ondersteund door de nuancering die mevrouw [naam 7] bij e-mail van 26 januari 2026 in reactie op het verslag van [naam 1] aanbrengt (“
er moest minimaal 2 man aan werken zoals bij [locatie 1]” zie productie 29 bij verzoekschrift). Van EOC mocht vervolgens worden verwacht dat zij haar stelling nader had onderbouwd. Dat heeft zij echter niet gedaan. EOC is enkel uitgegaan van de verklaring van de eigenaar van het schip en van de interpretatie die die partij aan de gedane mededelingen heeft gegeven. Zij heeft [partij A] niet naar zijn kant van het verhaal gevraagd. Ook zijn er geen getuigen gehoord zoals de collega van [partij A] , de heer [naam 8] , die ook bij dit dossier betrokken was en aan wiens adres de eigenaar ook verwijten heeft gemaakt. Aangezien EOC haar standpunt niet verder heeft onderbouwd is daarmee niet komen vast te staan dat [partij A] oneigenlijke druk heeft uitgeoefend zoals door EOC is betoogd.
Schadedossier “ [schip 4] ”
4.8.
In dit schadedossier verwijt EOC [partij A] , zo begrijpt te kantonrechter, dat hij in weerwil met de gemaakte integriteitsafspraken heeft aangeboden om langs te gaan bij [locatie 1] om naar het schip ‘ [schip 4] ’ te gaan kijken. Naar het oordeel van de kantonrechter levert dit geen verwijtbaar handelen van [partij A] op. Hiervoor is van belang dat [partij A] aan [naam 1] heeft gevraagd of hij er problemen mee heeft als hij langs zou gaan bij [locatie 1] , waarna EOC heeft laten weten dat daar geen reden voor was. Deze aanwijzing heeft [partij A] opgevolgd. Het lijkt er naar het oordeel van de kantonrechter dan ook eerder op dat [partij A] in dit schadedossier heeft gehandeld zoals EOC dat van hem verlangde, te weten dat [partij A] geen bemoeienis met [locatie 1] mocht hebben zonder vooroverleg met zijn leidinggevende. In ieder geval maakt het enkele feit dat [partij A] aan [naam 1] heeft voorgesteld om bij [locatie 1] langs te gaan niet dat hij verwijtbaar heeft gehandeld, laat staan dusdanig dat van EOC niet kan worden verlangd de arbeidsovereenkomst langer te laten voortduren.
Schadedossier “ [schip 5] ”
4.9.
In dit schadedossier is [partij A] van de zaak af gegaan toen bleek dat dat [locatie 2] de opdracht tot reparatie zou krijgen. Het verwijt van EOC is dat [partij A] bij dit schip later, op een zaterdagavond, is gaan kijken om te bepalen welke actie te ondernemen.
De kantonrechter is van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat [partij A] met betrekking tot dit schadedossier verwijtbaar heeft gehandeld. Voor dit oordeel is van belang dat [partij A] , naar hij onweersproken heeft gesteld, een jaar na de reparatie, in zijn eigen tijd bij het schip is gaan kijken, omdat het volgens hem een uitzonderlijke schade betrof waar hij wat van zou kunnen opsteken. Daarbij geldt dat [partij A] heeft aangevoerd dat hij het schip niet uit hoofde van zijn functie bij EOC heeft bezocht, dat hij daar niet was namens EOC, dat hij geen werkzaamheden heeft verricht en geen uren heeft geschreven in dit dossier. Dit is door EOC niet weersproken. Dat sprake is van een bemoeienis tijdens de uitoefening van de functie is door EOC niet nader toegelicht. Verder is niet gesteld of gebleken dat [partij A] door dit bezoek aan [locatie 1] de schijn van belangenverstrengeling heeft gewekt. Ten slotte heeft [partij A] betwist dat EOC hem op dit bezoek aan [locatie 1] heeft aangesproken, en is EOC daar vervolgens niet meer op ingegaan.
Schadedossier “ [schip 6] ”
4.10.
Wat betreft dit schadedossier verwijt EOC [partij A] dat hij de (externe, door EOC ingeschakelde) schadebehandelaar advies heeft gegeven, terwijl het schip zich bij scheepswerf [locatie 2] bevond, waar de broer van [partij A] werkzaam is. De kantonrechter overweegt als volgt. [partij A] heeft in dit schadedossier, nadat de schadebehandelaar hem daarom had gevraagd, intern geadviseerd. Niet gesteld of gebleken is dat [partij A] met zijn handelen naar buiten toe de schijn van belangverstrengeling heeft gewekt. [partij A] heeft verder onweersproken aangevoerd dat het gebruikelijk is dat er binnen EOC gezamenlijk schadedossiers besproken worden, waarbij andere schade-experts meedenken over de dossiers waarbij zij zelf niet betrokken zijn. Daarnaast heeft [partij A] zijn advies in het dossier genoteerd, en heeft hij zijn handelen dus niet geprobeerd te verhullen. Verder heeft [partij A] gesteld dat hoewel EOC van zijn rol in dit schadedossier op de hoogte was, hem niet op zijn handelen heeft aangesproken. EOC heeft dit niet gemotiveerd weersproken. Hoewel [partij A] in deze situatie er ook voor had kunnen kiezen om overleg te voeren met zijn leidinggevende of hij dit advies mocht geven, is deze situatie niet zo duidelijk dat [partij A] door het nalaten daarvan een verwijt kan worden gemaakt. Gelet op deze omstandigheden is de kantonrechter van oordeel dat er onvoldoende is gebleken van verwijtbaar handelen van [partij A] . Indien EOC het niet eens was met de handelwijze van [partij A] in dit dossier had het op haar weg gelegen daarover met [partij A] in gesprek te gaan. Daarvan is niet gebleken.
Schadedossier “ [schip 7] ”
4.11.
EOC verwijt [partij A] – kort gezegd – dat hij in dit schadedossier erop heeft aangedrongen dat het schip naar scheepswerf [locatie 2] zou gaan voor reparatie, en dat [partij A] ook daarna bemoeienis heeft gehad met de schadeafhandeling. Daarnaast heeft [partij A] zich volgens EOC bemoeid met de vraag of de scheepswerf in deze schadezaak een commissie toekomt of niet.
4.12.
De kantonrechter overweegt als volgt. Vaststaat dat [partij A] contact heeft opgenomen met scheepswerf [locatie 2] om te vragen of het schip daar voor reparatie naartoe kon worden gebracht. [partij A] heeft onweersproken gesteld dat hij dat heeft gedaan nadat hij aan de eigenaar van het schip had gevraagd waar hij het schip voor reparatie naartoe wilde laten brengen, waarna [partij A] verschillende opties heeft genoemd, waaronder scheepswerf [locatie 2] . Vervolgens is het schip naar scheepswerf [locatie 2] gebracht en heeft [partij A] het dossier overgedragen aan een andere schade-expert die de behandeling van dit schadedossier van [partij A] heeft overgenomen.
4.13.
Wat dit schadedossier betreft had [partij A] naar het oordeel van de kantonrechter, zoals hij zelf ook op de zitting heeft erkend, ervoor kunnen kiezen om iemand anders contact op te laten nemen met scheepswerf [locatie 2] om te vragen of zij plek hadden voor het schip [schip 7] . EOC heeft ook gesteld dat [partij A] erop heeft aangedrongen dat het schip naar scheepswerf [locatie 2] zou gaan, maar dit is door [partij A] gemotiveerd betwist en daarna niet verder onderbouwd door EOC. Dit is dan ook onvoldoende door EOC onderbouwd en daardoor niet vast komen te staan. Dat [partij A] zich daarnaast met deze schadezaak is blijven bemoeien is door [partij A] gemotiveerd betwist en dit blijkt ook niet uit hetgeen EOC heeft aangevoerd.
4.14.
Verder heeft [partij A] in dit dossier zijn mening gegeven over de redelijkheid van een in rekening te brengen commissie voor het gebruik van een scheepswerf door een externe partij. Hoewel ook dit handelen van [partij A] vragen oproept en niet de voorkeur verdiende, is niet gesteld of gebleken dat dit handelen van [partij A] evident onjuist is geweest. Uit een door [partij A] overgelegde andere factuur blijkt namelijk dat het niet ongebruikelijk is om in een dergelijke situatie een commissie in rekening te brengen. Daar komt bij dat ook wat dit schadedossier betreft niet is gesteld of gebleken dat [partij A] met verkeerde intenties heeft gehandeld. Evenmin heeft [partij A] in dit schadedossier geprobeerd zijn handelen te verhullen, maar heeft hij zijn werkzaamheden in het dossier genoteerd. De slotsom wat dit schadedossier betreft is dan ook dat aan [partij A] wat verwijten kunnen worden gemaakt – zoals het bellen naar [locatie 2] en het reageren op een e-mailbericht met betrekking tot een verzoek tot uitbetalen van commissie – maar dat er geen sprake is van een dusdanig verwijtbaar handelen dat onder de gegeven omstandigheden van EOC niet kon worden verlangd de arbeidsovereenkomst nog langer voort te zetten. Dat oordeel zal in de conclusie nader worden toegelicht.
Schadedossier “ [schip 8] ”
4.15.
EOC verwijt [partij A] – kort gezegd – dat hij in dit schadedossier een offerte heeft opgevraagd bij scheepswerf [locatie 2] en bij scheepswerf [locatie 3] . Deze partijen hebben gezamenlijk een offerte uitgebracht, waarna [partij A] vervolgens in de expertise-overleg van 3 december 2025 heeft gevraagd aan deze werven voor het uitbrengen van de offerte een vergoeding toe te kennen. [partij A] heeft aangevoerd dat hij dit open heeft besproken en dat alle experts daarmee hebben ingestemd omdat het ging om een bijzondere situatie. [naam 1] , leidinggevende van [partij A] , was aanwezig bij dit overleg.
4.16.
De kantonrechter overweegt als volgt. Het opvragen van een offerte bij scheepswerf [locatie 2] , waar de broer van [partij A] werkzaam is, is onhandig geweest van [partij A] , zoals door [partij A] zelf op de zitting is toegegeven. Dat geldt ook voor het vragen van een vergoeding voor het uitbrengen van de offerte. Hoewel er op kan worden gewezen dat het niet alleen om een offerte ging van scheepswerf [locatie 2] , maar om een gezamenlijke offerte van twee scheepswerven, dat [partij A] ook in dit schadedossier niet heeft geprobeerd zijn handelen te verhullen, en dat niet is gesteld of gebleken dat [partij A] heeft geprobeerd zichzelf of familieleden te bevoordelen, vormde dit handelen van [partij A] aanleiding om hem daarover te bevragen en hem te wijzen op de afspraken tussen partijen. Dit gesprek heeft echter niet plaatsgevonden.
De vraag of het handelen van [partij A] in dit dossier dusdanig verwijtbaar is dat van EOC onder de gegeven omstandigheden niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren wordt door de kantonrechter ontkennend beantwoord.
Conclusie redelijke grond verwijtbaar handelen
4.17.
De kantonrechter is van oordeel dat er geen sprake is van verwijtbaar handelen van [partij A] zodanig dat van EOC onder de gegeven omstandigheden in redelijkheid niet verlangd kan worden de arbeidsovereenkomst langer te laten voortduren. Allereerst vormen de hiervoor omschreven handelingen onvoldoende grond om de arbeidsovereenkomst met [partij A] na een 38-jarig dienstverband te beëindigen. Uit het voorgaande blijkt dat [partij A] in twee schadedossiers ( [schip 7] en [schip 8] ) een verwijt kan worden gemaakt, maar ook dat daar de nodige nuances bij te plaatsen zijn. Gebleken is dat [partij A] onhandig heeft geopereerd maar ook dat hij ten aanzien van dat handelen open en eerlijk is geweest. Zo is niet gebleken dat zijn intenties onjuist waren en is niet gesteld of gebleken dat [partij A] met zijn handelen zichzelf of zijn familie heeft willen bevoordelen. Ten aanzien van de overige schadedossiers die ten grondslag zijn gelegd aan het ontbindingsverzoek, is door EOC onvoldoende onderbouwd dat [partij A] met zijn handelen de schijn van belangenverstrengeling naar buiten toe heeft gewekt. Daarnaast is door EOC niet uitgelegd waarom zij geen minder vergaande sanctie aan [partij A] kon opleggen, zoals een laatste waarschuwing al dan niet met verbetertraject of een schorsing, in plaats van het uiterste middel van het aanvragen van ontslag. In dat kader kan worden gewezen op het feit dat EOC in 2021 een persoonlijk verandertraject voor [partij A] heeft aangekondigd, maar dat EOC daar in de jaren daarna geen verdere invulling aan heeft gegeven en dat dit verandertraject na maart 2021 niet meer ter sprake is gekomen.
4.18.
Van EOC mocht bovendien in ieder geval worden verwacht dat zij haar bevindingen met [partij A] had gedeeld en hem daarover had bevraagd. Dat geldt temeer nu zich in de periode van 2021 tot 2025 geen concrete incidenten met betrekking tot enige (schijn van) belangenverstrengeling hebben voorgedaan en niet in geschil is dat [partij A] een kundige expert is, die gewaardeerd wordt om zijn kennis en vaardigheden, en al 38 jaar in dienst is bij EOC. Dat dit gesprek niet heeft plaatsgevonden is door EOC ter zitting erkend. In dit kader heeft [partij A] aangevoerd dat hij er niet van op de hoogte was dat er een onderzoek was gedaan door EOC en evenmin dat dit tijdens het gesprek van 12 december 2025 zou worden besproken. Op die datum stond immers zijn beoordelingsgesprek gepland. In het gesprek, dat volgens [partij A] ongeveer tien minuten heeft geduurd, zijn niet de concrete bevindingen van het integriteitsonderzoek besproken, maar heeft EOC meegedeeld dat zij een ontbindingsverzoek zou indienen. Naar het oordeel van de kantonrechter had EOC [partij A] van tevoren moeten inlichten over het onderwerp van gesprek van 12 december 2025, en de bevindingen van het integriteitsonderzoek op voorhand met [partij A] moeten delen (een rapport met bevindingen en conclusie ontbreekt), zodat hij zich adequaat op het gesprek had kunnen voorbereiden. Dit heeft EOC ten onrechte nagelaten. Dat [partij A] op 12 december 2025 zou hebben gezegd dat hij niets had toe te voegen en het proces zou afwachten, doet hier niet aan af. Zoals gezegd was [partij A] er niet van op de hoogte dat hij tijdens dat gesprek met het onderzoek geconfronteerd zou worden en zijn de concrete verwijten niet inhoudelijk met hem besproken.
4.19.
De conclusie is dan ook dat het verzoek op de grondslag verwijtbaar handelen zal worden afgewezen. Ook als de aangehaalde schadedossiers tezamen worden bekeken is onvoldoende gebleken van een dusdanig verwijtbaar handelen dat onder de gegeven omstandigheden van EOC niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst nog langer te laten voortduren.
Redelijke grond: duurzaam verstoorde arbeidsverhouding (g-grond)
4.20.
Subsidiair heeft EOC haar verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst gegrond op een verstoorde arbeidsverhouding. Kort gezegd heeft EOC daartoe aangevoerd dat zij vanwege het handelen van [partij A] , en het gebrek aan zelfinzicht en het nemen van verantwoordelijkheid voor zijn handelen, het vertrouwen heeft verloren om op een goede manier met [partij A] te kunnen samenwerken.
4.21.
De kantonrechter overweegt als volgt. Voor ontbinding van een arbeidsovereenkomst is vereist (met uitzondering van de e-grond) dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [naam 1] verklaard dat EOC daar in het geval van [partij A] niet over heeft nagedacht. In deze procedure heeft EOC zich op het standpunt gesteld dat herplaatsing van [partij A] niet van haar gevergd kan worden, omdat het niet in de rede ligt. [partij A] heeft hiertegen gemotiveerd verweer gevoerd tijdens de mondelinge behandeling. Zo heeft [partij A] toegelicht dat hij toen hij begon met werken bij EOC veel verschillende werkzaamheden verrichtte, zoals planning, en dat hij schadedossiers van begin tot eind zelfstandig behandelde, waarbij hij zich bijvoorbeeld ook met relatiebeheer bezighield. De kantonrechter is van oordeel dat gezien dit gemotiveerde verweer van [partij A] er voor EOC geen beletsel bestond om te onderzoeken of herplaatsing binnen EOC tot de mogelijkheden behoorde. Nu EOC op dit punt geen enkele inspanning heeft verricht, is het verzoek op de g-grond niet toewijsbaar.
Redelijke grond: combinatie (i-grond)
4.22.
Meer subsidiair heeft EOC haar verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst gegrond op de zogeheten i-grond, oftewel een combinatie van twee of meer redelijke gronden voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Ook hier geldt dat op EOC een inspanningsverplichting rust om te onderzoeken of herplaatsing van [partij A] mogelijk is. Hiervoor heeft de kantonrechter geoordeeld dat EOC ten onrechte niet aan die verplichting heeft voldaan, zodat alleen al om die reden het verzoek op deze grond niet toewijsbaar is. De kantonrechter wijst het verzoek van EOC op deze grond dan ook af.
Eindconclusie
4.23.
Gelet op het voorgaande wijst de kantonrechter het verzoek van EOC tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [partij A] af.
De proceskosten
4.24.
De proceskosten komen voor rekening van EOC, omdat EOC ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [partij A] worden begroot op € 1.009,00 (€ 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.

5.De beoordeling van het tegenverzoek

5.1.
[partij A] heeft de kantonrechter verzocht om te bepalen dat EOC hem in staat stelt zijn werkzaamheden te verrichten. Nu de verzochte ontbinding wordt afgewezen, is dit verzoek toewijsbaar. Omdat de voorwaarde waaronder de overige verzoeken van [partij A] zijn ingesteld (ontbinding van de arbeidsovereenkomst door de kantonrechter) niet is ingegaan, komt de kantonrechter niet toe aan de beoordeling van die verzoeken.
5.2.
De proceskosten komen voor rekening van EOC, omdat EOC overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [partij A] worden begroot op € 432,50 aan salaris gemachtigde.

6.De beslissing

De kantonrechter
op het verzoek
6.1.
wijst het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst af,
6.2.
veroordeelt EOC in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als EOC niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
6.3.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
op het tegenverzoek
6.4.
bepaalt dat [partij A] door EOC dient te worden toegelaten tot zijn werkzaamheden,
6.5.
veroordeelt EOC in de proceskosten van € 432,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
6.6.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.N. Bartels en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026. (wv)