Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:2211

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
21 april 2026
Zaaknummer
ak_25_3638
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Eiser, werkzaam als visfileerder, vroeg een WIA-uitkering aan na ziekte en een operatie. Het UWV wees de aanvraag af omdat de arbeidsongeschiktheid 24,88% bedroeg, onder de vereiste 35%. Eiser voerde aan dat zijn beperkingen, waaronder rug-, heup- en duizeligheidsklachten, onvoldoende waren meegewogen.

De rechtbank beoordeelde de medische rapporten van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen als zorgvuldig en navolgbaar. De beperkingen zijn vastgesteld op basis van eigen onderzoek en medische informatie, waarbij ook rekening is gehouden met aanvullende klachten zoals pneumothorax en aspecifieke rugklachten.

De rechtbank verwierp de stellingen van eiser dat er onjuiste of onvoldoende beperkingen waren vastgesteld, onder meer omdat de MRI-scan na de datum in geding is gemaakt en de medische rapporten de klachten adequaat weerspiegelen. Ook de door eiser gevorderde urenbeperking en beperkingen voor afwisseling van houding werden niet toegewezen.

Het beroep is daarom ongegrond verklaard, waardoor eiser geen recht heeft op een WIA-uitkering en geen proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de WIA-aanvraag is ongegrond verklaard omdat de arbeidsongeschiktheid onvoldoende is vastgesteld.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/3638

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats],

(gemachtigde: mr. K. Aslan),
en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV).

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over de afwijzing van een WIA-aanvraag van de heer [eiser]. Hij is het daar niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV terecht heeft besloten dat [eiser] vanaf 30 april 2024 geen recht heeft op een WIA-uitkering. Daarom is het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Inleiding

1. [eiser] was sinds 2014 werkzaam als visfileerder voor gemiddeld 41,48 uur per week.
Op 3 mei 2022 heeft hij zich ziekgemeld nadat hij vanwege duizeligheid gevallen was op de werkvloer. Daarna is ziekengeld aan hem uitbetaald. In oktober 2023 is hij aan zijn schouder geopereerd.
1.1.
Op 25 januari 2024 heeft [eiser] een WIA-uitkering aangevraagd. Met het besluit van het UWV van 4 juli 2024 heeft het UWV deze aanvraag afgewezen, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid niet ten minste 35% was, maar 33,23%. Tegen dit besluit heeft [eiser] bezwaar gemaakt.
1.2.
Het UWV heeft op 10 november 2025 een voorgenomen beslissing op bezwaar aan [eiser] gestuurd, omdat voor het berekenen van het arbeidsongeschiktheidspercentage nieuwe functies zijn geselecteerd.
1.3.
Met het bestreden besluit van 1 december 2025 heeft het UWV het bezwaar ongegrond verklaard. De mate van arbeidsongeschiktheid is wel gewijzigd naar 24,88%. Reden daarvoor is dat naast de nieuwe functies ook de maatmanomvang en het maatmanloon opnieuw zijn berekend.
1.4.
[eiser] heeft beroep ingesteld tegen dit besluit.
1.5.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.6.
De rechtbank heeft het beroep op 24 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van eiser. De gemachtigde van het UWV heeft voorafgaand aan de zitting aangeven hij verhinderd is.

Standpunt van het UWV

2. Volgens het UWV heeft [eiser] vanaf 30 april 2024 geen recht op een WIA-uitkering, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid niet ten minste 35% is, maar 24,88%. Vanwege zijn gezondheidsklachten en daaruit volgende beperkingen kan hij niet meer als visfileerder werken. Rekening houdend met zijn beperkingen kan hij nog wel in staat worden geacht om andere voorbeeldfuncties te verrichten. Het gaat dan om de functies productiemedewerker industrie (samensteller van producten), assemblagemedewerker elektronische producten en assemblagemedewerker besturingskasten en panelen.
2.1.
Op basis van een vergelijking van het middelste uurloon van deze functies en [eiser]’s uurloon, is de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 24,88%. Hiervoor baseert het UWV zich op het rapport van 10 oktober 2025 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (B&B), de bijbehorende functionele mogelijkhedenlijst (FML) en op het rapport van 3 november 2025 van de arbeidsdeskundige B&B.

Standpunten van eiser

3. [eiser] stelt dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn gezondheidsklachten. Zo zijn er voor zijn rug-, heup- en beenklachten slechts lichte beperkingen vastgesteld in de FML, terwijl hij bij het spreekuur en de hoorzitting heeft aangegeven dat hij al na 10 minuten lopen pijn in zijn linker heup krijgt. Dit krijgt hij ook als hij langere tijd achtereen zit. Daarom dient een beperking te worden vastgesteld voor afwisseling van houding (item 5.9). De primaire arts heeft hierover in zijn rapport van 5 juni 2024 op pagina 4 ook aangegeven dat hij is aangewezen op rug- en heupsparend werk.
3.1.
Ook voert [eiser] aan dat zijn rugklachten met name spelen in de onderrug. Uit een MRI-scan van 21 januari 2026 blijkt dat sprake is van een afwijking op het niveau L4 – L5 en L5-SI. Volgens [eiser] geeft de neuroloog aan dat deze afwijkingen waarschijnlijk symptomatisch en verantwoordelijk zijn voor de rug- en beenklachten. Hierdoor was er rondom 30 april 2024 weldegelijk een medische oorzaak aan te wijzen en zijn ten onrechte slechts lichte beperkingen vastgesteld. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van [eiser] aangegeven dat deze informatie ten onrechte niet aan de verzekeringsarts B&B is voorgelegd.
3.2.
Vanwege de aanhoudende duizeligheid moeten er ook beperkingen worden vastgesteld voor verhoogd persoonlijk risico (item 1.8.6). Anders dan de verzekeringsarts B&B heeft gemotiveerd blijkt uit het huisartsenjournaal wel dat de duizeligheidsklachten ook rondom de datum in geding speelden. Volgens [eiser] heeft hij dit tijdens de hoorzitting aangegeven en toegelicht dat hij drie weken daarvoor ook weer was gevallen, vanwege duizeligheidsklachten.
3.3.
Ook stelt [eiser] dat een urenbeperking moet worden vastgesteld vanwege zijn slaapklachten. Daardoor kan hij niet 8 uur per dag werken. Elke nacht wordt hij 1 of 2 keer wakker van de pijn, waardoor hij overdag vermoeid is en drie kwartier op de bank slaapt. Dit komt 2 à 3 keer per dag voor. Ter onderbouwing wijst [eiser] op de brieven van zijn orthopedisch chirurg van 19 november 2024, 21 januari 2025 en 10 juli 2025, waarin volgens hem staat dat hij slecht kan slapen vanwege de pijn.
3.4.
Tijdens de zitting heeft [eiser] aangegeven dat een eerder uitgestelde operatie aan zijn rugklachten waarschijnlijk in mei/juni 2026 plaatsvindt. Bovendien zijn er inmiddels ook mentale klachten bijgekomen, waarvoor hij hulp krijgt.
3.5.
Verder stelt [eiser] dat hij de geselecteerde functies niet kan verrichten, omdat hij is aangewezen op werk waarbij zitten, staan en lopen afgewisseld dienen plaats te vinden. De geselecteerde functie assemblagemedewerker elektronische producten voldoet daar in ieder geval niet aan, omdat daarin sprake is van 60 minuten achtereen zitten en lopen en staan weinig voorkomt.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank is van oordeel dat het UWV terecht heeft besloten dat [eiser] met ingang van 30 april 2024 (datum in geding) geen recht heeft op een WIA-uitkering. De rechtbank licht dit als volgt toe.
4.1.
Een verzekerde heeft recht op een WIA-uitkering als zijn of haar mate van arbeidsongeschiktheid ten minste 35% is. Deze mate van arbeidsongeschiktheid wordt berekend door het uurloon dat een verzekerde in zijn laatste werk nog had kunnen verdienen, te vergelijken met het loon dat hij of zij nog kan verdienen in passende functies. Het UWV mag zijn besluiten daarover baseren op rapporten van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen. Deze rapporten moeten wel aan een aantal voorwaarden voldoen: zij moeten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, ze mogen geen tegenstrijdigheden bevatten en de conclusies moeten logisch volgen uit de rapporten. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat de rapporten niet aan deze voorwaarden voldoen.
Verzekeringsgeneeskundige beoordeling
4.2.
[eiser] is op 4 juni 2024 bij het spreekuur van de arts geweest. In het rapport van
5 juni 2024 heeft de arts aangegeven dat [eiser] alleen werk kan doen waarbij zijn rechterschouder wordt gespaard. Alle zware krachtfuncties met de arm zijn beperkt, vooral in het heffen boven schouderniveau en qua piekbelastingen. Daarnaast zijn hoogfrequente en extreme romp- en armbewegingen niet mogelijk. Ook grove trillingsbelasting op de armen dienen vermeden te worden. Daarnaast dient bovennormale belasting van de gezonde linkerarm vermeden te worden om overbelasting te voorkomen. Ook is [eiser] aangewezen op rug en heupsparend werk. Daarbij dienen zitten, staan en lopen bij voorkeur afwisselend plaats te vinden. Volgens de arts kan [eiser] beperkt traplopen en klimmen, met name zonder bijkomende tilbelasting. Ook voor knielen, kruipen en hurken gelden beperkingen qua duur en frequentie. Voor krachtfuncties en met name tillen vanaf grondniveau is [eiser] ook beperkt. Zware duw- en trekbelasting moeten ook vermeden worden. Deze beperkingen zijn vermeld in de FML van 4 juni 2024.
4.3.
De verzekeringsarts B&B en arbeidsdeskundige B&B waren op 11 juli 2024 bij de hoorzitting aanwezig en er heeft een spreekuur plaatsgevonden. Daarna is informatie bij de huisarts opgevraagd. Bij deze verkregen informatie zat ook informatie van de orthopeed, longarts en van de KNO-arts. De verzekeringsarts B&B heeft vervolgens geconcludeerd dat er medische argumenten zijn om de FML enigszins te verruimen. [eiser] is vanwege een pneumothorax ook beperkt voor blootstelling aan gas/rook/dampen en voor het dragen van een gezichtsmasker. Deze beperkingen zijn vastgesteld in de FML van 17 oktober 2025. Volgens de verzekeringsarts B&B is er geen aanleiding om meer beperkingen vast te stellen. Met de linker heupklachten, schouderklachten en aspecifieke rugklachten is voldoende rekeningen gehouden. Uit de medische informatie blijkt dat de draaiduizeligheid wordt veroorzaakt door positieduizeligheid (BPPD). Dit is volgens de verzekeringsarts B&B een tijdelijke aandoening en uit het huisartsenjournaal blijkt niet dat de duizelingen rondom de datum in geding aanwezig waren. Daarnaast is er geen aanleiding voor een urenbeperking op energetische- of preventieve gronden of vanwege verminderde beschikbaarheid. Daarvoor wordt niet voldaan aan de voorwaarden uit de Standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid.
4.4.
De rechtbank is van oordeel dat de rapporten van het UWV inzichtelijk en navolgbaar zijn gemotiveerd. Op basis van eigen onderzoek en de verkregen medische informatie zijn beperkingen vastgesteld vanwege pneumothorax en de heup-, schouder- en aspecifieke rugklachten. De daartegen aangevoerde beroepsgronden van [eiser] geven de rechtbank geen aanleiding om daaraan te twijfelen. Dat er ten onrechte lichte beperkingen zijn vastgesteld volgt de rechtbank niet, omdat de (verzekerings)artsen op basis van de eigen onderzoeksbevindingen en de informatie die is verkregen hun beoordeling hebben gemaakt. Daarnaast zijn niet alleen maar lichte beperkingen vastgesteld. De uitslagen van de MRI-scan in januari 2026 maken dit oordeel niet anders, omdat deze informatie van twintig maanden na de datum in geding is. In het verweerschrift is hier terecht op gewezen. Daarom kan het UWV daar in dit geval mee volstaan zonder een nadere beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Hierbij betrekt de rechtbank dat er per datum in geding op basis van de verkregen medische informatie wel beperkingen zijn vastgesteld voor de rugklachten. De rechtbank is verder van oordeel dat ook navolgbaar is gemotiveerd dat voor de draaiduizeligheid geen beperkingen zijn vastgesteld, omdat daarvoor naast het huisartsenjournaal ook de informatie van de KNO-arts is betrokken.
De beroepsgrond met betrekking tot een beperking voor het item afwisseling van houding
(item 5.9), slaagt ook niet. Uit het rapport van 5 juni 2024 blijkt weliswaar dat [eiser] is aangewezen op rug- en heupsparend werk, waarbij zitten, staan en lopen bij voorkeur afgewisseld dient te worden, maar dat betekent niet dat daarom ook een beperking voor dat item moet worden vastgesteld. Dit omdat voor lopen, zitten en staan al beperkingen zijn vastgesteld en de verzekeringsartsen daarnaast niet ook een beperking hebben vastgesteld voor item 5.9. Bij dat item gaat het niet om de gebruikelijke afwisseling in zitten, staan en lopen, maar kan een verzekeringsarts aangeven dat het voor iemand noodzakelijk is om in zijn werk lichaamshoudingen in een specifieke volgorde af te wisselen. Daarvoor hebben de verzekeringsartsen geen aanleiding gezien. Daarnaast is in het verweerschrift navolgbaar toegelicht dat de voorbeeldfuncties de afwisseling van lopen, staan en zitten die bij voorkeur nodig is, wel bieden. Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat de beroepsgrond voor het aannemen van een urenbeperking onvoldoende is onderbouwd. Dat de behandelend orthopedisch chirurg bij de anamnese slaapproblemen heeft opgetekend maakt dit niet anders.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat [eiser] geen gelijk krijgt. Daarom krijgt hij het betaalde griffierecht niet terug en ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H.M. Hesseling, rechter, in aanwezigheid van
J.T. Boddeüs, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.