Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:2224

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
22 april 2026
Zaaknummer
AK_25_764
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.1 WhtArt. 9.1 WhtArt. 6:38 BWArt. 7:129e BWArt. 155 Boek 6 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep op overname informele geldschulden op grond van Wet hersteloperatie toeslagen

Eiser, erkend als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire, verzocht om overname van drie informele geldschulden ter waarde van €35.000. Sociale Banken Nederland wees de aanvraag af omdat de schulden niet waren vastgelegd in een notariële akte en niet aannemelijk was dat zij vóór 1 juni 2021 opeisbaar waren. De minister handhaafde deze afwijzing in het bestreden besluit.

Eiser voerde aan dat het bestaan van de schulden niet werd betwist en dat de eis van een notariële akte in zijn geval onbillijk was, waardoor de hardheidsclausule toegepast zou moeten worden. Ook stelde hij dat de leningen van rechtswege opeisbaar zijn en verwees naar jurisprudentie en het Burgerlijk Wetboek.

De rechtbank oordeelde dat de wettelijke vereisten van de Wet hersteloperatie toeslagen dwingend zijn en dat de schulden niet als opeisbaar konden worden aangemerkt omdat geen bewijs van opeising was geleverd. De hardheidsclausule kon niet worden toegepast omdat eiser geen concrete, actuele schrijnende omstandigheden aannemelijk had gemaakt.

Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, het bestreden besluit bleef in stand en eiser kreeg geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug. De uitspraak werd gedaan door rechter E.C. Rozeboom op 22 april 2026.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de afwijzing van de aanvraag tot overname van informele geldschulden wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/764

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

gemachtigde: mr. S. Ouald Chaib,
en

de minister van Financiën,

gemachtigde: mr. C. Kurt-Korkmaz.

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van [eiser] tot het overnemen van drie informele geldschulden. [eiser] is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister niet heeft hoeven overgaan tot het overnemen van de drie geldschulden. [eiser] krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

1. [eiser] heeft een aanvraag ingediend voor het overnemen van drie informele geldschulden tot een totaalbedrag van € 35.000. Deze aanvraag is met het besluit van 9 september 2024 van Sociale Banken Nederland (SBN) afgewezen. Met het bestreden besluit van 7 januari 2025 op het bezwaar van [eiser] is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.1
[eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.2
De rechtbank heeft het beroep op 27 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser], de gemachtigde van [eiser] en de gemachtigde van de minister.
1.3
Bij sluiting van het onderzoek op zitting heeft de rechtbank meegedeeld binnen zes weken uitspraak te doen. De rechtbank heeft deze termijn niet gehaald en partijen bericht maximaal zes weken later uitspraak te doen.
Beoordeling door de rechtbank
De niet betwiste feiten
2. De rechtbank stelt vast dat de volgende feiten tussen partijen niet betwist zijn.
2.1
[eiser] is door de Dienst Toeslagen erkend als gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire. Aan hem is in het kader van de zogenoemde Catshuisregeling een compensatie van € 30.000 toegekend.
2.2
[eiser] heeft op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) bij Sociale Banken Nederland (SBN) een schuldenlijst ingediend met de volgende privaatrechtelijke schulden:
  • een schuld van € 15.000 bij [eiser]
  • een schuld van € 10.000 bij [naam 1]
  • een schuld van € 10.000 bij [naam 2]
2.3
SBN heeft met de beschikking van 9 september 2024 aan [eiser] meegedeeld dat deze drie schulden nog niet worden betaald, omdat de schuldeisers nog niet (volledig) hebben gereageerd. Als de schuldeisers binnen drie maanden alsnog reageren, zullen de schulden opnieuw worden bekeken.
2.4
[eiser] heeft tegen deze beschikking bezwaar gemaakt. Hij is op 4 december 2024 op zijn bezwaar gehoord.
2.5
De minister heeft met het bestreden besluit het bezwaar van [eiser] ongegrond verklaard.
Het bestreden besluit
3. De minister heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de schulden niet zijn opgenomen in een notariële akte en ook niet blijken uit een rechterlijke uitspraak. De schulden voldoen niet aan het bepaalde in artikel 4.1, derde lid, aanhef en onder b, van de Wht. Bovendien wordt niet voldaan aan de voorwaarde van opeisbaarheid uit artikel 4.1, tweede lid, sub b, van de Wht. Niet kan worden vastgesteld dat de schulden opeisbaar zijn geworden vóór 1 juni 2021. In de leenovereenkomsten zijn geen specifieke afspraken gemaakt en vastgesteld met betrekking tot de terugbetaling van de schulden.
De minister heeft in het bestreden besluit ten slotte overwogen dat [eiser] geen geslaagd beroep kan doen op de hardheidsclausule van artikel 9.1, tweede lid, van de Wht. Zo heeft [eiser] geen duidelijk beeld gegeven van zijn financiële situatie en heeft hij ook geen omstandigheden aangevoerd die als onevenredig en onvoorzien kunnen worden beschouwd. [eiser] heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij door de toepassing van artikel 4.1 van de Wht in een schrijnende situatie verkeert.
Standpunt [eiser]
4. [eiser] heeft zich op het standpunt gesteld dat de minister de geldschulden moet overnemen. Het bestaan van de informele schulden wordt door de minister niet betwist, waardoor sprake is van een bijzondere situatie en de minister niet kan blijven vasthouden aan de eis van een notariële akte als bewijs voor het bestaan van de informele schulden bij familieleden en een kennis van [eiser]. De minister had dan ook moeten overgaan tot toepassing van de hardheidsclausule. Verder heeft [eiser] over de opeisbaarheid aangevoerd dat de drie leenovereenkomsten voor 1 juni 2021 zijn gesloten en dat in deze overeenkomsten geen harde termijn voor het terugbetalen is opgenomen. [eiser] heeft gewezen op een uitspraak van de rechtbank Amsterdam [1] , waarin is overwogen dat een schriftelijke ingebrekestelling niet verplicht is om te bepalen of een lening daadwerkelijk opgeëist is. De rechtbank stelt dus dat een lening opeisbaar kan zijn zonder daartoe via officiële juridische wegen de vordering op te eisen. [eiser] heeft verder gewezen op artikel 6:38 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW), waarin is bepaald dat een geldlening direct opeisbaar is en nakoming kan worden gevorderd.
Toetsingskader
5. De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Overwegingen
6. De rechtbank stelt voorop dat de in artikel 4.1 van de Wht neergelegde vereisten voor de overname van private schulden dwingend zijn geformuleerd. Alleen wanneer aan die vereisten is voldaan, komt de schuld voor overname in aanmerking. Dit is alleen anders wanneer aanleiding bestaat voor toepassing van de hardheidsclausule van artikel 9.1, tweede lid, van de Wht, indien toepassing van artikel 4.1 zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. [2]
Aanvullende stukken [eiser] 24 februari 2026
7. [eiser] heeft op 24 februari 2026 ‘s middags per e-mail nog aanvullende stukken aan de rechtbank gezonden. Deze stukken betreffen een overzicht van de inkomsten en uitgaven van [eiser], ondersteund door bankafschriften, en drie e-mails van de schuldeisers van 23 februari 2026 ’s avonds.
7.1
De rechtbank heeft deze stukken op 25 februari 2026 per e-mail aan de minister doorgezonden. Ter zitting heeft de gemachtigde van de minister verklaard dat hij deze stukken niet heeft ontvangen.
7.2
De rechtbank zal deze stukken wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing laten, nu niet valt in te zien dat [eiser] deze stukken niet op een eerder moment in de procedure in het geding heeft kunnen brengen.
Het vereiste van de notariële akte
8. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 15 mei 2024 een aantal richtinggevende uitspraken gedaan over onder meer het vereiste van een notariële akte. Zo heeft de Afdeling overwogen dat bij de behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer de regering aan de eis van de notariële akte heeft vastgehouden, omdat de notariële akte dient als bewijs voor het bestaan van de lening, en van betalingsafspraken zodat ook de opeisbaarheid kan blijken. Met ander bewijsmateriaal zoals bankafschriften, onderhandse akten, correspondentie of verklaringen is het volgens de regering niet goed mogelijk om hoofdsommen van achterstanden te onderscheiden en dergelijke stukken zijn bovendien moeilijk te verifiëren. In dit verband is gewezen op de mogelijkheid van toepassing van de hardheidsclausule wanneer sprake is van onbillijkheden. [3]
De Afdeling heeft verder overwogen dat zich bijzondere situaties kunnen voordoen waarin het vasthouden aan de eis van een notariële akte als bewijs voor het bestaan van een informele schuld en daarover gemaakte betalingsafspraken zodanig onbillijk is dat de hardheidsclausule kan worden toegepast, bijvoorbeeld in het geval dat aan het bestaan van een informele schuld gelet op andere authentieke documenten redelijkerwijs niet valt te twijfelen. [4]
8.1
Namens de minister is ter zitting desgevraagd verklaard dat vanwege het ontbreken van een notariële akte het bestaan van de geldleningen wordt betwist.
8.2
De rechtbank stelt vast dat de minister het bestaan van de drie geldleningen in het bestreden besluit echter niet heeft betwist. In dat geval valt naar het oordeel van de rechtbank niet in te zien waarom nog moet worden vastgehouden aan de eis van een notariële akte. De minister heeft in het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd waarom hij niet met toepassing van de hardheidsclausule een uitzondering hoefde te maken ten aanzien van het vereiste van de notariële akte. [5]
9. De rechtbank ziet in het vorenstaande echter geen aanleiding om het beroep gegrond te verklaren en het bestreden besluit te vernietigen, omdat de minister wel heeft kunnen vasthouden aan de eis dat de geldleningen opeisbaar moeten zijn. In dat kader overweegt de rechtbank het volgende.
Het vereiste van de opeisbaarheid
10. De rechtbank overweegt dat het volgens artikel 4.1, tweede lid, van de Wht moet gaan om geldschulden
die zijn ontstaan na 31 december 2005,
die vóór 1 juni 2021 opeisbaar waren en
niet zijn voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan.
10.1
Uit de geldleenovereenkomsten, die deel uitmaken van de dossierstukken, volgt dat deze alle drie dateren van na 31 december 2005. Verder volgt uit de saldo-opgaven, die op verzoek van SBN door de drie schuldeisers zijn ingevuld, dat de leningen nog voor het volledige bedrag open staan. Aan de voorwaarden a. en c. wordt dus voldaan. Dat geldt echter niet voor voorwaarde b. In de geldleenovereenkomsten is geen bepaling opgenomen waaruit volgt dat de lening vóór een bepaalde datum opeisbaar was. [eiser] heeft ook geen andere bewijsstukken overgelegd waaruit volgt dat de aan [eiser] uitgeleende bedragen door de schuldeisers zijn opgeëist. Ter zitting is namens [eiser] verklaard dat de schuldeisers meerdere keren om afbetaling van de leningen hebben gevraagd en dat dit (ook) telefonisch zou zijn gebeurd, maar daarvan zijn door [eiser] geen bewijsstukken overgelegd. De stelling van [eiser] dat de leningen van rechtswege opeisbaar zijn, op grond van artikel 6:38 BW Pro, gaat ook niet op. Ten aanzien van geldleningen bepaalt artikel 7:129e BW namelijk dat een verplichting tot terugbetaling eerst ontstaat nadat de uitlener heeft medegedeeld tot opeising over te gaan. Nodig is daarom nog steeds dat aannemelijk is gemaakt dat de schuldeisers de geldleningen hebben opgeëist. De minister heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat aan het wettelijke vereiste van de opeisbaarheid van de leningen niet wordt voldaan, zodat de schulden niet voor overname in aanmerking komen.
De hardheidsclausule
11. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in de uitspraak van
12 februari 2025 overwogen dat de hardheidsclausule kan worden toegepast in bijzondere situaties, waarbij toepassing van de bepaling zelf gelet op de ratio ervan onbillijk uitpakt of wanneer sprake is van schrijnende omstandigheden waardoor toepassing van de wettelijke bepaling achterwege moet blijven. [6] Of het daarbij gaat om een situatie die door de wetgever in algemene zin is of kan zijn voorzien is daarbij niet van doorslaggevend belang. Bij schrijnende omstandigheden kan bijvoorbeeld worden gedacht aan serieuze en structurele financiële nood, aan ernstige medische omstandigheden, of aan andere ontwrichtende persoonlijke omstandigheden. Daarbij gaat het niet zozeer om omstandigheden die zich hebben voorgedaan in de periode waarin de toeslagenaffaire zich voltrok en die vanzelfsprekend in veel gevallen schrijnend zijn geweest en tot schade kunnen leiden en ook vaak hebben geleid en waarvoor de herstelmaatregelen uit de Wht beogen een oplossing te bieden. Het moet gaan om actuele omstandigheden die samenhangen met (de gevolgen van) een weigering om de schulden over te nemen of te compenseren. Met het toepassen van de hardheidsclausule wordt een uitzondering gemaakt op de gebruikelijke toepassing van de regel. Dat betekent dat degene die er een beroep op doet, in ieder geval inzichtelijk moet maken waar de bijzonderheid of schrijnende omstandigheid in zijn of haar situatie uit bestaat, en dit zo concreet mogelijk dient te onderbouwen.
11.1
[eiser] heeft zich in het beroepschrift op het standpunt gesteld dat de Dienst Toeslagen ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan de hardheidsclausule. Hij bevindt zich in een benarde positie. Zo kan hij zich tot niemand wenden om zijn leven opnieuw vorm te geven en een nieuwe start te maken. Verder is hij als gevolg van de toeslagenaffaire gescheiden. Ter onderbouwing van zijn financiële situatie heeft [eiser] als bijlage bij het beroepschrift een overzicht van zijn inkomsten en uitgaven gegeven, alsook een salarisstrook van de Aldi-supermarkt over november 2024 overgelegd.
[eiser] heeft aan het vorenstaande ter zitting toegevoegd dat hij inmiddels niet meer bij de Aldi werkzaam is en een uitkering op grond van de Ziektewet ontvangt. Bij hem is fibromyalgie vastgesteld. Er is geen uitzicht op herstel. Verder gaat het psychisch ook niet goed met hem. De hele situatie drukt zwaar op [eiser].
11.2
De rechtbank wil van [eiser] aannemen dat de gevolgen van de kinderopvangtoeslagaffaire zwaar op hem drukken. De rechtbank is echter wel van oordeel dat de minister de hardheidsclausule niet heeft hoeven toepassen. [eiser] heeft geen omstandigheden aangevoerd die, gelet op het doel van de regeling, op zichzelf onbillijk zijn. Verder heeft hij geen bewijs overgelegd dat toepassing van artikel 4.1 in zijn geval leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard of schrijnende omstandigheden als hiervoor bedoeld. Zo heeft [eiser] met het door hem aangevoerde niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van serieuze en structurele financiële nood, ernstige medische omstandigheden of andere ontwrichtende persoonlijke omstandigheden. [eiser] heeft weliswaar een overzicht van zijn inkomsten en uitgaven overgelegd, maar heeft dit – met uitzondering van een loonstrook – verder niet met bankafschriften onderbouwd. Ook heeft [eiser] zijn medische situatie niet nader onderbouwd. Het beroep van [eiser] op de hardheidsclausule kan dan ook niet slagen.

Conclusie en gevolgen

Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat [eiser] geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit in stand blijft. [eiser] krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Rozeboom, rechter, in aanwezigheid van
H. Blekkenhorst, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wet hersteloperatie toeslagen
Artikel 4.1 Overneming of betaling privaatrechtelijke geldschulden gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag, partner en ex-partner van gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag
1. Onze Minister neemt op aanvraag de geldschulden en kosten over op grond van artikel 155 van Pro Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek van een aanvrager van een kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 of diens partner, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, onderdelen b of c, of een ex-partner die in aanmerking komt voor de compensatie, bedoeld in artikel 2.14h, eerste lid, en aan wie deze is toegekend, tenzij op die aanvrager, die partner of die ex-partner artikel 4.6 of 4.7 van toepassing is.
2. De geldschulden die worden overgenomen:
a. zijn ontstaan na 31 december 2005;
b. waren voor 1 juni 2021 opeisbaar; en
c. zijn niet voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan.
3. Geldschulden en kosten die worden overgenomen, zijn:
a. een geldschuld die is ontstaan door een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf verrichte rechtshandeling van de schuldeiser;
b. een geldschuld die niet is ontstaan door een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf verrichte rechtshandeling van de schuldeiser indien deze is vastgelegd in een notariële akte die is verleden in de periode tussen 1 januari 2006 en 1 juni 2021 of blijkt uit een rechterlijke uitspraak indien de daaraan voorafgaande ingebrekestelling of dagvaarding of het daaraan voorafgaande verzoekschrift dateert van voor 1 juni 2021, waarbij geldt dat de zaak bij de rechtbank binnen een redelijke termijn na de dagtekening van de ingebrekestelling aanhangig moet zijn gemaakt;
c. (…)
Artikel 9.1, tweede lid, aanhef en onder a:
Voor zover toepassing gelet op het belang dat de bepaling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard kan Onze Minister afwijken van artikel 2.15, 2.15a, 2.15b, 3.13, 4.1, 4.2 of 4.3.

Voetnoten

1.Rechtbank Amsterdam 5 februari 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:494.
2.De rechtbank wijst op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2024:2045, r.o. 12.
5.De rechtbank wijst op de uitspraak van de Afdeling van 7 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2055, r.o. 9.5.