Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:2297

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
24 april 2026
Zaaknummer
AK_26_1028
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 WavArt. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen bestuurlijke boete wegens overtreding Wav

De zaak betreft een verzoek om een voorlopige voorziening tegen een door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid opgelegde bestuurlijke boete van €30.000 wegens het laten verrichten van werkzaamheden door 10 vreemdelingen zonder tewerkstellingsvergunning.

Na een werkplekcontrole in oktober 2024 werd vastgesteld dat de vreemdelingen zonder vergunning arbeid verrichtten. De minister legde uiteindelijk een boete op, waartegen verzoeker bezwaar maakte en een voorlopige voorziening vroeg om betaling uit te stellen.

De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoeker geen spoedeisend belang heeft, omdat een financieel belang op zichzelf niet snel tot een voorlopige voorziening leidt. Verzoeker heeft onvoldoende onderbouwd dat betaling van de boete tot een acute financiële noodsituatie leidt. Ook is niet gebleken dat het besluit evident onrechtmatig is.

Daarom wordt het verzoek afgewezen en blijft de boete van kracht. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de boete wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang en geen evident onrechtmatig besluit.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 26/1028

uitspraak van de voorzieningenrechter van in de zaak tussen

[verzoeker] h.o.d.n. [bedrijf] , uit [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: [gemachtigde 1]),
en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

(gemachtigde: [gemachtigde 2]).

Samenvatting

1.1
Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de door de minister aan [verzoeker] opgelegde boete van € 30.000, - wegens het laten verrichten van werkzaamheden door 10 vreemdelingen zonder tewerkstellingsvergunning en het door de minister openbaar maken van de inspectiegegevens. [verzoeker] is het hier niet mee eens. Zij heeft tegen het besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen om te voorkomen dat zij de boete moet betalen voordat op het bezwaar is beslist.
1.2
De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat [verzoeker] geen spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening en wijst het verzoek daarom af.

Procesverloop

2.1
Op 7 oktober 2024 hebben toezichthouders een werkplekcontrole uitgevoerd in het kader van een onderzoek naar het bedrijf van [verzoeker] ( [bedrijf] ). De controle vond plaats bij café [café] op de [adres] . Daar werd vastgesteld dat 10 personen schoonmaakwerkzaamheden verrichtten. Geconstateerd is dat verzoekster geen tewerkstellingsvergunning voor deze personen had en dat zij zelf ook geen gecombineerde vergunning voor verblijf hadden.
2.2
Op 6 augustus is 2025 is een boeterapport opgemaakt, waarin is geconcludeerd dat [verzoeker] artikel 2 eerste Pro lid, van de Wav heeft overtreden, omdat zij 10 personen arbeid liet verrichten in de periode van 1 mei tot en met 31 augustus 2024 zonder de daarvoor vereiste tewerkstellingsvergunning.
2.3
De minister heeft op 22 januari 2026 het voornemen kenbaar gemaakt om aan [verzoeker] een boete op te leggen van € 60.000,-.
2.4
[verzoeker] heeft een zienswijze ingediend
2.5
Met het besluit van 11 februari 2026 heeft de minister aan [verzoeker] een boete opgelegd van € 30.000,- wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav.
2.6
[verzoeker] heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
De minister heeft bij emailbericht van 27 maart 2026 laten weten dat de boete-inning wordt opgeschort tot één week na de uitspraak van de rechtbank op het verzoek om voorlopige voorziening.
2.7
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen [verzoeker] en haar gemachtigde. De minister heeft zich zoals tevoren meegedeeld niet ter zitting laten vertegenwoordigen

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3.1
De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist.
3.2
[verzoeker] wenst met het door haar ingediende verzoek te bereiken dat het bestreden besluit wordt geschorst tot er op haar bezwaar is beslist. Volgens [verzoeker] is sprake van een spoedeisend belang, omdat zij niet beschikt over de financiële middelen om dit bedrag te voldoen zonder ernstige gevolgen voor de bedrijfsvoering.
3.3
De rechtbank heeft [verzoeker] bij e-mailberichten van 26 maart 2026 en 7 april 2026 gevraagd het standpunt dat zij niet beschikt over de financiële middelen om het boetebedrag te voldoen zo mogelijk met stukken te onderbouwen. Ook is haar gevraagd aan te geven waarom zij geen gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om een betalingsregeling te treffen.
3.4
[verzoeker] heeft bij e- mailbericht van 9 april 2026 gereageerd op het bericht van
7 april 2026. In haar reactie voert [verzoeker] samengevat aan dat de inkomsten van haar onderneming wisselend zijn en dat geen sprake is van een stabiel of gegarandeerd maandelijks inkomen. Ook geeft zij aan dat de marges in de schoonmaakbranche laag zijn terwijl de kosten voor personeel, verzekeringen en brandstof en energie de afgelopen periode aanzienlijk zijn gestegen, waardoor de liquiditeit van de onderneming onder druk staat. Daarbij heeft [verzoeker] in een overzicht de bedragen opgesomd waaruit haar maandelijkse lasten, gesplitst in privé en zakelijk, bestaan. Volgens [verzoeker] souperen de maandelijkse lasten vrijwel volledig de beschikbare inkomsten op en is er geen financiële ruimte is om de boete te voldoen. Voor wat betref de door de minister geboden mogelijkheid van een betalingsregeling stelt [verzoeker] dat haar huidige financiële situatie een beperkte maandelijkse aflossing niet mogelijk maakt.
Bij e-mailbericht van 14 april 2026 heeft de rechtbank [verzoeker] gevraagd stukken te overleggen waaruit blijkt wat haar inkomsten zijn geweest de afgelopen 6 maanden.
3.5
Bij e-mailbericht van 15 april 2026 heeft [verzoeker] de balans dan wel winst- en verliesrekening van het bedrijf overgelegd over de periode 1 juli 2025 tot en met 31 december 2025 en daarnaast meegedeeld dat zij ook de openstaande belastingschuld
(van € 4.000) aan het aflossen is.
3.6
De voorzieningenrechter is van oordeel dat er geen sprake is van spoedeisend belang bij het treffen van de verzochte voorlopige voorziening. Het is vaste rechtspraak dat een financieel belang op zichzelf geen reden vormt om een voorlopige voorziening te treffen.
3.7
Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug) betaald, zo nodig met vergoeding van wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, zoals faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat het spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.
3.8
De voorzieningenrechter overweegt dat [verzoeker] de door haar gestelde uitgaven en inkomsten niet voldoende met stukken heeft onderbouwd zodat ook niet kan worden vastgesteld of betaling van de boete tot een acute financiële noodsituatie zal leiden.
3.9
Dat haar huidige financiële situatie het treffen van een betalingsregeling niet toelaat staat ook niet vast. Bij het aanvragen van een betalingsregeling wordt door de minister de financiële draagkracht van de aanvrager onderzocht. Gebleken is dat [verzoeker] geen contact heeft gelegd met de minister om de mogelijkheden van een betalingsregeling te onderzoeken.
3.1
De conclusie van de voorzieningenrechter is daarom dat [verzoeker] geen enkel spoedeisend belang heeft bij een voorlopige voorziening.
3.11
Tot slot is niet gebleken dat het bestreden besluit evident onrechtmatig is, zodat ook om die reden geen aanleiding bestaat een voorlopige voorziening te treffen .

Conclusie en gevolgen

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af . Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.T. de Kwaasteniet, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Landstra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.