ECLI:NL:RBOVE:2026:2335
Rechtbank Overijssel
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen WOZ-waarde vaststelling van vrijstaande woonboerderij
Belanghebbende, eigenaar van een vrijstaande woonboerderij met bijbehorende voorzieningen, maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €365.000 per 1 januari 2023. De heffingsambtenaar stelde deze waarde vast op basis van een taxatierapport en vergelijkingsobjecten met recente verkoopprijzen.
De rechtbank beoordeelde of de heffingsambtenaar aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld. De vergelijkingsobjecten werden als passend en vergelijkbaar erkend, en de verschillen in gebruiksoppervlakte en voorzieningen waren adequaat verwerkt in de waardering. Belanghebbende voerde aan dat de ligging van de woning onjuist was gewaardeerd en dat correcties op de grondwaarde niet waren doorgevoerd, maar deze stellingen werden verworpen.
De rechtbank oordeelde dat de ligging correct was meegenomen met een waardering van (2) en dat eerdere correcties niet dubbel toegepast mochten worden. Ook het beroep op een eerdere uitspraak uit 2006 werd niet gevolgd, omdat de WOZ-waarde jaarlijks wordt vastgesteld op basis van actuele marktgegevens.
Gelet op deze overwegingen verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond, waardoor de vastgestelde WOZ-waarde en de daarop gebaseerde aanslag onroerendezaakbelasting voor 2024 gehandhaafd blijven. Belanghebbende krijgt geen teruggaaf van griffierecht of proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €365.000 per 1 januari 2023 wordt ongegrond verklaard.