ECLI:NL:RBOVE:2026:2339
Rechtbank Overijssel
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen WOZ-waarde vaststelling van nieuwbouwwoning
Belanghebbende was eigenaar van een vrijstaande nieuwbouwwoning met een gebruiksoppervlakte van 454 m², gelegen op een kavel van 726 m², die hij sinds eind februari 2023 bewoont. De heffingsambtenaar stelde de WOZ-waarde per 1 januari 2023 vast op €880.000, waartegen belanghebbende bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde.
De rechtbank beoordeelde of de heffingsambtenaar aannemelijk had gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld. De heffingsambtenaar overlegde een taxatiematrix met vergelijkingsobjecten en een hogere waarde van €924.000, die door belanghebbende niet werd betwist. Belanghebbende stelde dat de woning op de toestandsdatum 1 januari 2024 nog niet af was, onderbouwd met foto’s en e-mails, en verzocht om een verlaging van €80.000.
De rechtbank oordeelde dat de toestand op 1 januari 2024 bepalend is voor de waarde op 1 januari 2023 en dat de woning sinds eind februari 2023 feitelijk bewoond werd met alle essentiële voorzieningen. De niet-afgewerkte tuin en buitengevel werden niet als doorslaggevend gezien. Ook de stelling dat de woning inpandig niet af was, werd verworpen omdat de woning bewoonbaar was en de bouw gereed was gemeld. De rechtbank concludeerde dat de heffingsambtenaar voldoende aannemelijk had gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld.
Het beroep werd ongegrond verklaard, belanghebbende kreeg geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug. De uitspraak is gedaan door rechter L.M. Rijksen op 28 april 2026.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €880.000 wordt ongegrond verklaard.