Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:2353

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
29 april 2026
Zaaknummer
ak_24_4243
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:25 APVArt. 1:8 APVWet BibobDrank- en HorecawetArtikel 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen verlening evenementenvergunning Weizenmiddag 2022

Deze bestuursrechtelijke zaak betreft het beroep van eiseres tegen de door de burgemeester van Dinkelland verleende evenementenvergunning aan derde belanghebbende voor het evenement Weizenmiddag op 29 mei 2022.

Eiseres stelde dat de vergunning onterecht was verleend vanwege hinder, strijd met het bestemmingsplan en het ontbreken van een integriteitsonderzoek. De rechtbank oordeelde dat eiseres onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de vergunning geweigerd had moeten worden op grond van openbare orde, veiligheid, volksgezondheid of milieubescherming. Ook is strijdigheid met het bestemmingsplan geen weigeringsgrond voor een evenementenvergunning.

De rechtbank verwees naar eerdere uitspraken waarin de geluidsvoorschriften als redelijk werden beoordeeld en stelde dat eventuele overtredingen handhavingskwesties zijn. De aanvraag was voldoende duidelijk en een Bibob-toets was niet vereist volgens het geldende beleid. Het beroep werd ongegrond verklaard, het bestreden besluit bleef in stand en eiseres kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de evenementenvergunning voor Weizenmiddag 2022 wordt ongegrond verklaard en de vergunning blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 24/4243

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres ([eiseres]),

gemachtigde: ing. M.H. Middelkamp,
en

de burgemeester van Dinkelland, verweerder (de burgemeester).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[derde belanghebbende] B.V., uit [vestigingsplaats], vergunninghouder ([derde belanghebbende]).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een evenementenvergunning die de burgemeester aan [derde belanghebbende] heeft verleend voor het houden van het evenement Weizenmiddag in 2022. [eiseres] is het niet eens met deze vergunning. Zij stelt veel hinder van het evenement te ondervinden. Ook stelt zij dat de vergunning niet mocht worden verleend, omdat het evenement volgens het bestemmingsplan niet is toegestaan. De rechtbank oordeelt in deze uitspraak dat de burgemeester de evenementenvergunning terecht heeft verleend. [eiseres] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de burgemeester de vergunning wegens strijd met de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of de bescherming van het milieu had moeten weigeren. Eventuele strijdigheid van een evenement met het bestemmingsplan is geen weigeringsgrond voor een evenementenvergunning. Het beroep is ongegrond.

Procesverloop

2.1
Bij besluit van 28 april 2022 (het primaire besluit) heeft de burgemeester aan [derde belanghebbende] een vergunning verleend voor het houden van het evenement Weizenmiddag op 29 mei 2022.
2.2
Bij besluit van 3 augustus 2022 heeft de burgemeester het hiertegen door [eiseres] gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Tegen dit besluit heeft [eiseres] beroep ingesteld. Bij uitspraak van 13 september 2024 heeft de rechtbank dit beroep gegrond verklaard, het besluit van 3 augustus 2022 vernietigd en de burgemeester opgedragen om opnieuw op het bezwaar te beslissen. [1]
2.3
Bij besluit van 24 oktober 2024 (het bestreden besluit) heeft de burgemeester het bezwaar van [eiseres] ongegrond verklaard en het primaire besluit in stand gelaten.
2.4
Hiertegen heeft [eiseres] beroep ingesteld.
2.5
De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.
2.6
De rechtbank heeft het beroep, samen met het beroep met zaaknummer ZWO 25/824, op 20 maart 2026 op zitting behandeld. Hierbij was [eiseres] aanwezig, vergezeld door haar echtgenoot [naam 1] en bijgestaan door haar gemachtigde. De burgemeester heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 3], [naam 4] en [naam 5]. Namens [derde belanghebbende] is, met bericht aan de rechtbank, niemand verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Inleiding: de feiten en de bestreden vergunning
3.1
[derde belanghebbende] is gevestigd aan de [adres 1] en [adres 2]. [eiseres] woont aan de [adres 3]. Haar perceel grenst aan de achterzijde aan dat van [derde belanghebbende].
3.2
Op 1 maart 2022 heeft [derde belanghebbende] bij de burgemeester een aanvraag ingediend voor een evenementenvergunning als bedoeld in artikel 2:25, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Dinkelland (de APV) voor het houden van het evenement Weizenmiddag op 29 mei 2022, op het perceel aan de [adres 2]. Dat is het terras van [derde belanghebbende]. Ook heeft [derde belanghebbende] de voor het evenement benodigde ontheffingen op grond van de Zondagswet bij de burgemeester aangevraagd. Tijdens het evenement worden onder andere diverse weizenbiertjes getapt en er wordt achtergrondmuziek ten gehore gebracht. In de aanvraag staat dat het evenement begint om 10:00 uur en eindigt om 21:30 uur. Ook staat in de aanvraag dat het terrein waar het evenement plaatsvindt op 27 en 28 mei 2022 wordt ingericht/opgebouwd en op 30 mei 2022 wordt afgebroken/opgeruimd. Er worden geen podia of tribunes geplaatst. Wel wordt een tent/overkapping geplaatst die aan alle zijden is geopend.
3.3
Deze zaak gaat alleen over de evenementenvergunning.
3.4
In het primaire besluit heeft de burgemeester de gevraagde evenementenvergunning aan [derde belanghebbende] verleend. In die vergunning heeft de burgemeester meerdere voorschriften opgenomen.
Beoordelingskader voor het verlenen van een evenementenvergunning
4. Artikel 2:25, eerste lid, van de APV bepaalt dat het verboden is zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.
Artikel 1:8 van Pro de APV luidt als volgt:
1. Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van:
a. de openbare orde;
b. de openbare veiligheid;
c. de volksgezondheid;
d. de bescherming van het milieu.
2. Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan drie weken voor de beoogde datum is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.
3. Voor een vergunning voor een evenement en alle overige voor het evenement benodigde vergunningen en ontheffingen geldt in afwijking van de in lid twee gestelde termijn een termijn van twaalf weken.
Het bestreden besluit
5. In het bestreden besluit heeft de burgemeester geconcludeerd dat de evenementen-vergunning terecht aan [derde belanghebbende] is verleend. Daaraan heeft de burgemeester onder meer ten grondslag gelegd dat de vergunning voorschriften bevat over de toegestane maximale geluidsniveaus. Die voorschriften zijn volgens de burgemeester niet onredelijk. Ter onderbouwing hiervan heeft de burgemeester onder meer gewezen op de uitspraak die de rechtbank op 13 september 2024 heeft gedaan op het beroep van [eiseres] tegen de evenementenvergunning die is verleend voor het Weizenmiddag-evenement dat in 2023 is gehouden. [2] Verder heeft de burgemeester er in het bestreden besluit op gewezen dat de Omgevingsdienst Twente (ODT) op 29 mei 2022 tijdens het Weizenmiddag-evenement geluidsmetingen heeft uitgevoerd. Uit deze metingen is gebleken dat de geluidsvoorschriften uit de bestreden vergunning tijdens het evenement niet werden overschreden.
Beoordeling van het beroep
6.1
[eiseres] voert tegen het bestreden besluit meerdere beroepsgronden aan. Die gronden zal de rechtbank hierna afzonderlijk bespreken en beoordelen.
6.2
De rechtbank merkt echter eerst op dat [eiseres] hoger beroep heeft ingesteld tegen de hiervoor genoemde uitspraak van de rechtbank van 13 september 2024, over de evenementenvergunning die de burgemeester voor het Weizenmiddag-evenement in 2023 aan [derde belanghebbende] heeft verleend. Op de zitting hebben partijen verklaard dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) het hoger beroep op 5 januari 2026 op een zitting heeft behandeld. Op 20 maart 2026, toen de zitting bij de rechtbank in deze zaak plaatsvond, had de Afdeling nog geen uitspraak op het hoger beroep gedaan. Tijdens de zitting heeft de rechtbank met partijen de mogelijkheid besproken dat zij de uitspraak van de Afdeling op het hoger beroep van [eiseres] afwacht, voordat zij in deze zaak uitspraak doet. [eiseres] stemde daar niet mee in. De rechtbank heeft daarna het onderzoek gesloten. Een eventuele uitspraak van de Afdeling op het hoger beroep van [eiseres] ná het sluiten van het onderzoek in deze zaak, laat de rechtbank daarom buiten beschouwing.
Hinder
7.1
[eiseres] voert in beroep aan dat [derde belanghebbende] jaarlijks meerdere evenementen organiseert die qua aard en omvang gelijkwaardig zijn aan het Weizenmiddag-evenement. [eiseres] stelt veel hinder te ondervinden van die evenementen. Niet alleen het lawaai (stemgeluid en schreeuwende en joelende bezoekers) is een probleem, er worden ook veel fietsen gestald op plaatsen waar dat niet is toegestaan. Daarbij speelt volgens [eiseres] ook een rol dat de handhaving van verleende evenementenvergunningen niet goed wordt opgepakt door de gemeente, de ODT en de politie.
7.2
De rechtbank stelt vast dat in het bestreden besluit staat dat in de evenementenvergunning voor de Weizenmiddag 2022 dezelfde geluidsvoorschriften zijn opgenomen als in de evenementenvergunning voor de Weizenmiddag 2023. Die geluidsvoorschriften zijn gebaseerd op landelijk gebruikelijke normen bij evenementen.
In de uitspraak van 13 september 2024 heeft de rechtbank al geoordeeld dat de geluidsvoorschriften in de evenementenvergunning voor de Weizenmiddag 2023 niet onredelijk zijn.
7.3
[eiseres] heeft niet bestreden dat in de evenementenvergunning voor de Weizenmiddag 2022 dezelfde geluidsvoorschriften zijn opgenomen als in de evenementenvergunning voor de Weizenmiddag 2023 en de rechtbank ziet geen reden om in deze uitspraak over die voorschriften anders te oordelen dan zij in de uitspraak van
13 september 2024 heeft gedaan. Wat [eiseres] aanvoert over de geluidsoverlast die zij vreest, leidt dan ook niet tot het oordeel dat de burgemeester de evenementenvergunning op grond van één van de criteria uit artikel 1:8, eerste lid, van de APV had moeten weigeren.
7.4
Ter zitting heeft [eiseres] nog verwezen naar twee rapporten van geluidmetingen die zij heeft overgelegd in het beroep met zaaknummer ZWO 25/1513, dat de rechtbank ook op 20 maart 2026 op zitting heeft behandeld. Die rapporten gaan echter over andere evenementen dan het Weizenmiddag-evenement. De rechtbank ziet in die rapporten geen reden om te oordelen dat de geluidsvoorschriften in de evenementenvergunning waar het in deze zaak om gaat onredelijk zijn. Als blijkt dat die geluidsvoorschriften worden overtreden, is dat een kwestie van handhaving.
7.5
Verder staan in de evenementenvergunning ook voorschriften voor het regelen van het verkeer en het vrij en bereikbaar houden van het terrein waar het evenement plaatsvindt. Mede gelet op deze voorschriften ziet de rechtbank in de door [eiseres] gevreesde overlast als gevolg van het stallen van fietsen ook geen reden om te oordelen dat de burgemeester de vergunning niet mocht verlenen. [eiseres] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het stallen van fietsen bij het Weizenmiddag-evenement tot zo’n grote overlast leidt, dat de burgemeester de evenementenvergunning in het belang van de openbare orde of de openbare veiligheid had moeten weigeren. Verder geldt ook op dit punt dat als ergens fietsen worden gestald waar dat niet mag, dat eveneens een kwestie van handhaving is.
7.6
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Strijd met het bestemmingsplan
8.1
[eiseres] voert aan dat [derde belanghebbende] elk jaar meerdere evenementen zoals de Weizenmiddag organiseert en dat dat soort repeterende evenementen volgens het bestemmingsplan niet is toegestaan. Volgens het bestemmingsplan is op het terras waar het evenement plaatsvindt namelijk alleen horeca uit categorie 1 toegestaan, terwijl het Weizenmiddag-evenement volgens [eiseres] een horeca-activiteit uit categorie 2 of 3 is. Ook wijst zij er in dit verband op dat het college van burgemeester en wethouders van Dinkelland bij brief van 23 december 2024 heeft meegedeeld dat het het voornemen heeft om aan [derde belanghebbende] een last onder dwangsom op te leggen, omdat haar terrassen gedeeltelijk op gemeentegrond liggen. Volgens [eiseres] had de evenementenvergunning niet mogen worden verleend, omdat de planologische toestemming voor het evenement ontbreekt en met de verleende vergunning geen goede ruimtelijke ordening is geborgd.
8.2
Ook op dit punt ziet de rechtbank geen reden om anders te oordelen dan in de uitspraak van 13 september 2024 is gedaan. Eventuele strijdigheid van een evenement met het bestemmingsplan en/of het ontbreken van een omgevingsvergunning daarvoor staan niet genoemd in artikel 1:8 van Pro de APV en vormen dus geen weigeringsgrond voor een evenementenvergunning. Het is vaste rechtspraak dat louter ruimtelijke belangen niet aan verlening van de evenementenvergunning in de weg kunnen staan. [3] Deze beroepsgrond slaagt niet.
Overige beroepsgronden
9.1
[eiseres] voert aan dat de aanvraag voor de evenementenvergunning die [derde belanghebbende] heeft ingediend niet volledig is en niet de juiste informatie weergeeft. Ook is die aanvraag innerlijk tegenstrijdig, bijvoorbeeld qua tijden en huisnummering en dergelijke. Volgens [eiseres] heeft de burgemeester niet de vergunning verleend die is aangevraagd.
9.2
Dit volgt de rechtbank niet. [derde belanghebbende] heeft een evenementenvergunning aangevraagd voor het organiseren van het Weizenmiddag-evenement en die heeft de burgemeester ook aan haar verleend. Dat de aanvraag onvoldoende gegevens bevatte of te onduidelijk of innerlijk tegenstrijdig was om over het evenement te kunnen beslissen, is de rechtbank niet gebleken. Deze beroepsgrond slaagt niet.
10.1
[eiseres] stelt dat het evenement in strijd met het bestemmingsplan is en ook met de vergunning op grond van de Drank- en Horecawet waarover [derde belanghebbende] beschikt. Om die reden had volgens haar een onderzoek op grond van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) moeten worden uitgevoerd, voordat de evenementenvergunning kon worden verleend.
10.2
De burgemeester voert in het verweerschrift aan dat volgens de beleidsregels die hiervoor golden toen het primaire besluit werd genomen [4] , bij aanvragen voor een evenementenvergunning alleen een Bibob-toets werd uitgevoerd als het ging om een vechtsportgala.
10.3
De rechtbank stelt vast dat in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de door de burgemeester genoemde beleidsregels inderdaad alleen vechtsportgala’s worden genoemd, als activiteiten waarbij een Bibob-toets plaatsvindt als daarvoor een vergunningaanvraag wordt ingediend. Gelet hierop ziet de rechtbank niet in waarom de evenementenvergunning in dit geval niet kon worden verleend zonder dat een Bibob-toets is uitgevoerd. Deze beroepsgrond slaag niet.
11. Op de zitting heeft [eiseres] nog gesteld dat de verlening van de evenementenvergunning in strijd is met artikel 8 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Die stelling heeft zij echter niet of nauwelijks onderbouwd en die stelling slaagt daarom niet. Het verzoek om daarover prejudiciële vragen te stellen, dat [eiseres] op de zitting heeft gedaan, wijst de rechtbank af.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat [eiseres] geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit in stand blijft. [eiseres] krijgt daarom het griffierecht niet terug. Ook krijgt zij geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.B. Cornelissen, rechter, in aanwezigheid van
mr. P.J.H. Bijleveld, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
de rechter is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zaaknummer ZWO 22/1664.
2.Zaaknummer ZWO 23/1369, ECLI:NL:RBOVE:2024:4783.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2028.
4.Beleidsregels toepassing Wet Bibob 2015 Dinkelland.