Deze uitspraak betreft het verzoek van een bouwbedrijf om een voorlopige voorziening tegen de door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid opgelegde bestuurlijke boetes wegens overtreding van de Arbeidsomstandighedenwet en het Arbobesluit. De boetes zijn opgelegd naar aanleiding van een controle waarbij meerdere overtredingen met betrekking tot asbestwerkzaamheden zijn geconstateerd.
De voorzieningenrechter beoordeelt of er sprake is van spoedeisend belang en of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Hoewel het verzoeker wordt toegestaan dat de boetes een impact kunnen hebben op de liquiditeitspositie van het bedrijf, is er geen sprake van een onomkeerbare situatie zoals faillissement. Bovendien is een betalingsregeling mogelijk.
Ten aanzien van de openbaarmaking van de boetes is wel sprake van spoedeisend belang, maar inhoudelijk heeft het bezwaar tegen de boetes geen redelijke kans van slagen. De werkzaamheden vielen onder de verantwoordelijkheid van verzoeker, die had moeten zorgen voor instructies en naleving van de asbestregels. De gronden over de hoogte van de boetes kunnen in de bezwaarprocedure worden behandeld.
Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.