Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:2380

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
30 april 2026
Zaaknummer
ak_26_1055
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.47c ArbobesluitArt. 4.54d ArbobesluitArt. 5 ArbowetArt. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen bestuurlijke boete asbestregels

Deze uitspraak betreft het verzoek van een bouwbedrijf om een voorlopige voorziening tegen de door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid opgelegde bestuurlijke boetes wegens overtreding van de Arbeidsomstandighedenwet en het Arbobesluit. De boetes zijn opgelegd naar aanleiding van een controle waarbij meerdere overtredingen met betrekking tot asbestwerkzaamheden zijn geconstateerd.

De voorzieningenrechter beoordeelt of er sprake is van spoedeisend belang en of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Hoewel het verzoeker wordt toegestaan dat de boetes een impact kunnen hebben op de liquiditeitspositie van het bedrijf, is er geen sprake van een onomkeerbare situatie zoals faillissement. Bovendien is een betalingsregeling mogelijk.

Ten aanzien van de openbaarmaking van de boetes is wel sprake van spoedeisend belang, maar inhoudelijk heeft het bezwaar tegen de boetes geen redelijke kans van slagen. De werkzaamheden vielen onder de verantwoordelijkheid van verzoeker, die had moeten zorgen voor instructies en naleving van de asbestregels. De gronden over de hoogte van de boetes kunnen in de bezwaarprocedure worden behandeld.

Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de bestuurlijke boetes en de openbaarmaking daarvan wordt afgewezen wegens gebrek aan redelijke kans van slagen.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 26/1055

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker], uit [vestigingsplaats],

hierna: [verzoeker]
(gemachtigde: mr. M. de Jong),
en

de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

(gemachtigde: [gemachtigde]).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de door de minister aan [verzoeker] opgelegde bestuurlijke boetes wegens overtreding van de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet) en de openbaarmaking hiervan op de website van de Nederlandse Arbeidsinspectie. [verzoeker] is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van [verzoeker].
2. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Het bezwaar gericht tegen de oplegging van de boete heeft naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen redelijke kans van slagen. De bezwaargronden die zien op de hoogte van de opgelegde bestuurlijke boetes kunnen in de bezwaarprocedure aan de orde komen. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

3. Op 27 augustus 2025 heeft de Arbeidsinspectie een controle uitgevoerd aan de [adres 1]. Op deze locatie was [verzoeker] door de eigenaar van het perceel ingeschakeld om de oude woning met nummer [adres 2] te renoveren.
4. Naar aanleiding van de controle heeft de minister op 25 september 2025 een boeterapport opgesteld. Hierin zijn de volgende vijf overtredingen vermeld:
  • Het niet melden van asbestsanering uiterlijk twee dagen voor aanvang van de werkzaamheden bij de toezichthouder (artikel 4.47c, eerste lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit (Arbobesluit));
  • Asbestwerkzaamheden verrichten door een bedrijf dat niet in bezit is van een certificaat asbestverwijdering (artikel 4.54d, eerste lid, van het Arbobesluit);
  • Asbestwerkzaamheden uitvoeren zonder toezicht van een gecertificeerde toezichthouder (artikel 4.54d, vijfde lid, van het Arbobesluit);
  • Asbestwerkzaamheden werden uitgevoerd door werknemers zonder deskundig certificaat asbestverwijdering (artikel 4.54d, zevende lid, van het Arbobesluit);
  • Niet beschikken over een schriftelijke risico-inventarisatie en -evaluatie (artikel 5, eerste lid, van de Arbowet).
5. Met het bestreden besluit van 17 maart 2026 heeft de minister aan [verzoeker] een vijftal boetes opgelegd van in totaal € 18.900,- wegens overtreding van de Arbowet en het Arbobesluit. Ook heeft de minister in hetzelfde besluit besloten tot openbaarmaking van drie van de vijf opgelegde boetes.
6. [verzoeker] heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 17 maart 2026 en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
7. De minister heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
8. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 23 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam], de gemachtigde van [verzoeker] en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Het spoedeisend belang
9. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.
10. [verzoeker] voert hierover aan dat het ineens betalen van de boetes de beschikbare liquiditeitsruimte zou kunnen beperken, wat mogelijk gevolgen kan hebben voor de mate waarin de onderneming aan lopende verplichtingen kan blijven voldoen, hetgeen op termijn een nadelig effect kan hebben op de continuïteit van de bedrijfsvoering. De voorzieningenrechter leidt hieruit af dat er geen sprake is van een onomkeerbare situatie, zoals bijvoorbeeld een faillissement of acute financiële nood. Bovendien bestaat de mogelijkheid voor [verzoeker] om voor de boetes een betalingsregeling te treffen met de minister, indien de boetes niet in een keer betaald kunnen worden. Dit is ook na het opleggen van de boetes meerdere malen aangeboden door de minister. Ten aanzien van het besluit tot boeteoplegging ontbreekt er daarom in principe spoedeisend belang.
11. Ten aanzien van de openbaarmaking van de opgelegde boetes bestaat echter wel een spoedeisend belang. Dit wordt ook niet bestreden door de minister. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening daarom inhoudelijk behandelen.
De beoordeling
12. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het bezwaar ten aanzien van het besluit tot opleggen van de bestuurlijke boetes geen redelijke kans van slagen. Hij overweegt hiertoe als volgt.
13. [verzoeker] voert aan dat de minister ten onrechte heeft gesteld dat er sprake is geweest van asbestwerkzaamheden. [verzoeker] mocht op basis van een eerder uitgevoerd asbestinventarisatieonderzoek uit 2019 ervan uitgaan dat de aanwezige asbest reeds was verwijderd. De handeling van de ingehuurde medewerkers, het verplaatsen van de golfplaten, is uitgevoerd op eigen initiatief, zonder overleg of goedkeuren van [verzoeker]. Hij kan hiervoor daarom niet verantwoordelijk worden gehouden.
14. De voorzieningenrechter volgt de minister in zijn verweer. De werkzaamheden die [verzoeker] als bouwbedrijf uitvoert zijn zodanig dat hij daarbij vaker asbest kan tegenkomen. Ook op basis van de asbestinventarisatie uit 2019 kon [verzoeker] verwachten dat er asbest aanwezig zou kunnen zijn. De sloop heeft immers niet plaatsgevonden na dit onderzoek. Dat de twee medewerkers vervolgens de beschadigde asbestplaten hebben verplaatst is hem eveneens aan te rekenen, nu zij onder zijn verantwoordelijkheid aan het werk waren gesteld op de locatie. Van [verzoeker] mag worden verwacht dat hij zijn (ingehuurde) werknemers instrueert zodat bij onverwacht aangetroffen asbest er adequaat wordt gehandeld. Uit de verklaringen van de werknemers en het boeterapport volgt voldoende duidelijk dat er asbest is verwijderd zonder dat [verzoeker] of de werknemers beschikten over de daarvoor noodzakelijke certificaten.
15. In de gronden van [verzoeker] ten aanzien van de hoogte van de opgelegde boetes – zoals het aantal werknemers in het bedrijf van [verzoeker] of de mate van verwijtbaarheid van [verzoeker] – ziet de voorzieningenrechter geen reden om een voorlopige voorziening te treffen en het besluit te schorsen. Deze gronden zien namelijk enkel op de hoogte van de opgelegde boete en niet op de vraag of de boetes terecht zijn opgelegd. In de bezwaarprocedure kunnen deze gronden aan bod komen.
16. Gelet op het voorgaande zal de voorzieningenrechter het verzoek afwijzen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.T. de Kwaasteniet, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.P. Fortuin, griffier, uitgesproken in het openbaar op
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.