Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:2381

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
1 mei 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
ak_25_1513
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:25 APVZondagswetActiviteitenbesluit milieubeheer
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering handhavend optreden tegen kortdurend en incidenteel evenement Bokbiermiddag

Deze bestuursrechtelijke zaak betreft het beroep van eiseres tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Dinkelland om niet handhavend op te treden tegen het Bokbiermiddag-evenement dat op 6 oktober 2024 bij derde belanghebbende heeft plaatsgevonden. Eiseres stelt dat het evenement in strijd is met het bestemmingsplan en dat het college ten onrechte geen handhaving heeft ingezet.

De rechtbank stelt vast dat het evenement een kortdurend en incidenteel karakter heeft, met minimale ruimtelijke effecten op de leefomgeving. Eerdere uitspraken van de rechtbank bevestigen dat dergelijke evenementen niet in strijd zijn met het bestemmingsplan. De verleende evenementenvergunning en de beperkte duur van het evenement, inclusief opbouw en afbraak, ondersteunen dit oordeel.

Eiseres heeft geluidrapporten overgelegd waaruit blijkt dat bij andere evenementen geluidsnormen zijn overschreden, maar de rechtbank acht deze niet doorslaggevend voor het onderhavige evenement. Eventuele overtredingen van geluidsvoorschriften zijn een handhavingskwestie voor het bevoegd gezag, de burgemeester.

De rechtbank wijst ook het verzoek af om de behandeling van deze zaak samen te voegen met een separaat beroep tegen een last onder dwangsom, omdat eiseres dit verzoek te laat heeft ingediend en de zaken inhoudelijk verschillen.

Uiteindelijk verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en blijft het bestreden besluit in stand. Eiseres krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet-handhavend optreden tegen het Bokbiermiddag-evenement is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/1513

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], uit [vestigingsplaats 1], eiseres ([eiseres]),

gemachtigde: ing. [gemachtigde],
en
het college van burgemeester en wethouders van Dinkelland, verweerder (het college).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[derde belanghebbende] B.V., uit [vestigingsplaats 2]
([derde belanghebbende]).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de weigering van het college om handhavend op te treden tegen het Bokbiermiddag-evenement dat op 6 oktober 2024 bij [derde belanghebbende] heeft plaatsgevonden. [eiseres] is van mening dat het college ten onrechte niet tegen dat evenement heeft opgetreden, omdat dat volgens haar in strijd met het bestemmingsplan is. De rechtbank ziet geen reden om in deze uitspraak anders te oordelen dan zij in de uitspraken van 22 maart 2024 en 13 september 2024 heeft gedaan. Naar het oordeel van de rechtbank is nog steeds sprake van een kortdurend en incidenteel evenement, dat geen of weinig effect heeft op de leefomgeving, waartegen het bestemmingsplan zich niet verzet. Het beroep is ongegrond.

Procesverloop

2.1
Bij besluit van 25 september 2024 (het primaire besluit) heeft het college het verzoek van [eiseres] en [naam 1] ([naam 1]) om handhavend op te treden tegen het Bokbiermiddag-evenement van [derde belanghebbende] afgewezen. Hiertegen hebben [eiseres] en [naam 1] bezwaar gemaakt.
2.2
Bij besluit van 15 april 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en het primaire besluit gedeeltelijk herroepen.
2.3
Tegen het bestreden besluit heeft [eiseres] beroep ingesteld.
2.4
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
2.5
De rechtbank heeft het beroep op 20 maart 2026 op zitting behandeld. Hierbij waren [eiseres] en [naam 1] aanwezig, bijgestaan door ing. [gemachtigde]. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 2], [naam 3] en [naam 4]. Namens [derde belanghebbende] is, met bericht aan de rechtbank, niemand verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Inleiding: de feiten
3.1
[derde belanghebbende] is gevestigd in het pand aan de [adres 1]. [eiseres] woont aan de [adres 2]. Haar perceel grenst aan de achterzijde aan dat van [derde belanghebbende].
3.2
Op 4 juli 2024 heeft [derde belanghebbende] bij de burgemeester van Dinkelland (de burgemeester) een aanvraag ingediend voor een vergunning als bedoeld in artikel 2:25, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Dinkelland (de APV) voor het houden van het evenement Bokbiermiddag, op 6 oktober 2024. Daarbij heeft [derde belanghebbende] ook de voor het evenement benodigde ontheffingen op grond van de APV en de Zondagswet aangevraagd.
3.3
Per brief van 26 juli 2024 hebben [eiseres] en [naam 1] aan het college gevraagd om handhavend op te treden tegen het Bokbiermiddag-evenement. Volgens [eiseres] en [naam 1] is dat evenement volgens het bestemmingsplan (hierna ook wel: omgevingsplan) namelijk niet toegestaan en ook leidt het volgens hen tot overtredingen van voorschriften uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. Ter onderbouwing van hun handhavingsverzoek hebben zij gewezen op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 14 juni 2017. [1]
3.4
Bij besluit van 2 augustus 2024 heeft de burgemeester de evenementenvergunning voor het houden van het Bokbiermiddag-evenement aan [derde belanghebbende] verleend. Ook de daarvoor benodigde ontheffingen zijn aan [derde belanghebbende] verleend. Uit de evenementenvergunning blijkt dat het evenement plaatsvindt in het pand aan de [adres 1] en op het daarnaast gelegen terras. Het evenement begint om 13:00 uur en eindigt om 22:.00 uur. Ook staat in de vergunning dat het evenement op 5 oktober 2024 mag worden opgebouwd en uiterlijk op
7 oktober 2024 moet zijn afgebroken/opgeruimd. Tijdens het evenement staat er een tent op het terras. In de vergunning staat dat het verwachte aantal bezoekers van het evenement 300 is. Verder zijn in de vergunning meerdere geluidvoorschriften opgenomen.
3.5
[eiseres] heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit tot verlening van de evenementenvergunning. Bij besluit van 13 januari 2025 heeft de burgemeester dit bezwaar ongegrond verklaard. Hiertegen heeft [eiseres] beroep ingesteld. Bij uitspraak van
29 april 2026 heeft de rechtbank dit beroep ongegrond verklaard. [2]
3.6
In het primaire besluit heeft het college het handhavingsverzoek van 26 juli 2024 afgewezen. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat voor het Bokbiermiddag-evenement een evenementenvergunning is verleend en dat er geen wettelijke grondslag is om handhavend op te treden tegen dat evenement.
Het bestreden besluit
4.1
In het bestreden besluit heeft het college zich op het standpunt gesteld dat in het primaire besluit niet is onderkend dat het handhavingsverzoek ook betrekking heeft op de vermeende strijdigheid van de terrassen van [derde belanghebbende] met het omgevingsplan. Naar dat onderdeel van het handhavingsverzoek is volgens het college voorafgaand aan het primaire besluit geen onderzoek gedaan en dat onderdeel is in dat besluit ten onrechte niet meegenomen. Het primaire besluit is daarom niet zorgvuldig tot stand gekomen en kan in zoverre niet in stand blijven. Het college heeft daarom in het bestreden besluit het primaire besluit herroepen op het onderdeel van de strijdigheid van de terrassen met het omgevingsplan. Verder heeft het college in het bestreden besluit vastgesteld dat bij besluit van 24 maart 2025 aan [derde belanghebbende] al een last onder dwangsom is opgelegd vanwege de strijdigheid van de terrasschermen en overige bouwwerken van [derde belanghebbende] met het omgevingsplan. In dit besluit is [derde belanghebbende] gelast om deze bouwwerken (de terrasschermen, plantenbakken, een houten zithoekje en palen in een betonnen voet) op de gronden met de bestemming ‘Verkeer’ uiterlijk op 1 mei 2025 te hebben verwijderd, op straffe van een dwangsom van maximaal € 3.000,-. Deze last onder dwangsom heeft het college opgelegd naar aanleiding van een ander handhavingsverzoek van [eiseres] en [naam 1], dat zij op
22 april 2024 bij het college hebben ingediend.
4.2
Het deel van het primaire besluit waarin het handhavingsverzoek met betrekking tot het Bokbiermiddag-evenement is afgewezen, heeft het college in het bestreden besluit in stand gelaten. Daarbij heeft het college onder meer gewezen op overweging 7.3.3 van de uitspraak die de rechtbank op 13 september 2024 heeft gedaan, op het beroep van [eiseres] tegen de afwijzing van haar verzoek aan het college om handhavend op te treden tegen het Weizenmiddag-evenement, dat op 7 mei 2023 bij [derde belanghebbende] heeft plaatsgevonden. [3]
Beoordeling van het beroep
De terrasschermen en overige bouwwerken
5.1
[eiseres] voert in beroep aan dat in het bestreden besluit ten onrechte geen last onder dwangsom aan [derde belanghebbende] is opgelegd en dat om die reden onvoldoende aan haar bezwaar is tegemoetgekomen. Daarnaast vindt [eiseres] de hoogte van de dwangsom uit het besluit van 24 maart 2025 te laag en de daarin opgenomen begunstigingstermijn te lang. Volgens haar is er nu onvoldoende prikkel om de overtreding weg te nemen en is onvoldoende geborgd dat de overtreding niet opnieuw zal plaatsvinden. [eiseres] vindt dat zij met het bestreden besluit onvoldoende gelegenheid heeft gekregen om op de last onder dwangsom te reageren. Verder is zij van mening dat niet duidelijk is welk deel van het primaire besluit precies is herroepen en wat daarvoor in de plaats is gekomen.
5.2
Het college voert in het verweerschrift aan dat een toezichthouder op 22 mei 2025 bij [derde belanghebbende] een controle heeft uitgevoerd. Daaruit is gebleken dat [derde belanghebbende] aan de opgelegde last heeft voldaan: de terrasschermen, plantenbakken, het houten zithoekje en de palen in een betonnen voet waren van de gronden met de bestemming ‘Verkeer’ verwijderd. Ter onderbouwing hiervan heeft het college bij het verweerschrift het rapport van de controle van 22 mei 2025 gevoegd. Verder stelt het college in het verweerschrift dat tegen de last onder dwangsom die in het besluit van 24 maart 2025 is opgelegd een separate procedure loopt, waarin inmiddels eveneens beroep is ingesteld bij de rechtbank.
5.3
Tijdens de zitting is met partijen besproken dat bij de rechtbank inmiddels een separaat beroep van [eiseres] en [naam 1] loopt, dat is gericht tegen de last onder dwangsom die het college in het besluit van 24 maart 2025 aan [derde belanghebbende] heeft opgelegd. Het college heeft op de zitting verklaard dat dat het beroep met zaaknummer ZWO 25/2134 is en dat dat op 21 april 2026 door de rechtbank op een zitting zou worden behandeld. [eiseres] heeft gevraagd om de behandeling van beide zaken samen te voegen, omdat die volgens haar bij elkaar horen. Het college heeft daar niet mee ingestemd. Het college vindt dat de onderhavige zaak meer ziet op de evenementen die [derde belanghebbende] organiseert en op de zitting van 20 maart 2026 heeft de rechtbank ook twee beroepen van [eiseres] behandeld die zijn gericht tegen twee evenementenvergunningen die de burgemeester aan [derde belanghebbende] heeft verleend. [4]
5.4
De rechtbank heeft op de zitting het verzoek van [eiseres] om de behandeling van beide zaken samen te voegen afgewezen. Het college stemde niet in met die samenvoeging en [eiseres] heeft dat verzoek te laat gedaan. Als zij wilde dat deze zaak samen met het beroep tegen de last onder dwangsom van 24 maart 2025 werd behandeld, had zij daar eerder om moeten verzoeken en niet pas op de zitting. Verder is niet in geschil dat [derde belanghebbende] tijdig heeft voldaan aan de last die in het besluit van 24 maart 2025 aan haar is opgelegd. [eiseres] heeft niet bestreden dat de terrasschermen en overige bouwwerken op 1 mei 2025 waren verwijderd. Dat [derde belanghebbende] daarna wellicht opnieuw bouwwerken op de betreffende gronden heeft geplaatst, wat daar verder ook van zij, maakt dat niet anders. Gelet hierop en ook op het nog lopende, separate beroep tegen de last onder dwangsom van 24 maart 2025, is de rechtbank van oordeel dat [eiseres] geen belang meer heeft bij een behandeling van de gronden die zij in deze zaak heeft aangevoerd tegen het onderdeel van het bestreden besluit dat betrekking heeft op de terrasschermen en overige bouwwerken op de gronden met bestemming ‘Verkeer’. De rechtbank zal daarom in deze uitspraak geen oordeel geven over de last onder dwangsom die het college daarvoor in het besluit van 24 maart 2025 heeft opgelegd. Wat [eiseres] hierover heeft aangevoerd leidt niet tot het oordeel dat het bestreden besluit op dit onderdeel niet in stand kan blijven.
Het Bokbiermiddag-evenement
6.1
Tegen het niet handhavend optreden tegen het Bokbiermiddag-evenement voert [eiseres] aan dat [derde belanghebbende] elk jaar meerdere van zulke evenementen organiseert. Volgens [eiseres] is dat soort repeterende evenementen volgens het bestemmingsplan niet toegestaan. Ook is het Bokbiermiddag-evenement volgens haar in strijd met het terrassenbeleid van de gemeente Dinkelland. Zij wijst erop dat het perceel Hoofdstraat 7 geen horecabestemming heeft. Het perceel [adres 1] heeft die wel, maar dat betekent volgens [eiseres] niet dat dat perceel mag worden gebruikt voor dit soort, jaarlijks terugkerende evenementen met livemuziek, waarbij de van toepassing zijnde reguliere geluidsnormen worden overtreden. Zij is daarom van mening dat, naast een evenementenvergunning, voor het evenement ook een omgevingsvergunning voor met het bestemmingsplan strijdig gebruik nodig is. Ter onderbouwing hiervan wijst zij op uitspraken van de Afdeling van 1 april 2020 [5] en 20 maart 2024 [6] en op de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 6 oktober 2022, op het verzoek om voorlopige voorziening van [eiseres] met zaaknummer ZWO 22/1690. Volgens [eiseres] heeft het college niets gedaan met de overweging van de voorzieningenrechter in die uitspraak dat het zich zal moeten bezinnen op de vraag of voor het Bokbiermiddag-evenement een omgevingsvergunning nodig is wegens strijd met het bestemmingsplan. [eiseres] is van mening dat het Bokbiermiddag-evenement niet meer als incidenteel of eenmalig kan worden beschouwd en ook niet als kortdurend, mede gelet op de tijd die is gemoeid met het opbouwen en afbreken van het terrein. Verder hebben dergelijke evenementen volgens [eiseres] ruimtelijk gezien een grote impact. De evenementen veroorzaken namelijk geluidsoverlast, parkeerdruk, vervuiling in de directe omgeving en soms zelfs ook gevaarlijk geweld. Dat tast de woon- en leefomgeving van [eiseres] aan, mede omdat haar woning op korte afstand ligt van het perceel waar de evenementen plaatsvinden. Verder acht [eiseres] van belang dat het daarnaast gelegen plein (het [locatie]) als evenemententerrein is aangemerkt. Daar mogen jaarlijks drie evenementen plaatsvinden. Met de evenementen van [derde belanghebbende] erbij neemt het aantal van maximaal drie evenementen toe. Dat heeft het college volgens [eiseres] ten onrechte niet betrokken bij het bestreden besluit. Ook de verwijzing naar overweging 7.3.3. van de hiervoor genoemde uitspraak van de rechtbank van 13 september 2024 gaat volgens [eiseres] niet op, omdat in die uitspraak het aantal evenementen op het naastgelegen plein ook niet is meegewogen. Ter onderbouwing van haar stelling dat zij geluidsoverlast ondervindt van evenementen, heeft [eiseres] het rapport van de Omgevingsdienst Twente (ODT) van 22 juni 2022 overgelegd. Dit rapport bevat de conclusies van de geluidsmetingen die de ODT heeft uitgevoerd tijdens het Dauwtrapfeest, dat op 25 mei 2022 heeft plaatsgevonden in het centrum van Deurningen. [eiseres] wijst erop dat in dit rapport is vastgesteld dat tijdens dit evenement de geluidsnormen aanmerkelijk zijn overtreden. Ook heeft zij een geluidrapport van [naam 5] van 5 april 2022 overgelegd. Dit rapport bevat de resultaten van de geluidmetingen die [naam 5] heeft uitgevoerd tijdens het Carnaval Open Air Café bij [derde belanghebbende], op 26 februari 2022. In dit rapport heeft [naam 5] vastgesteld dat tijdens dit evenement in ieder geval de geluidsvoorschriften uit het Activiteitenbesluit milieubeheer zijn overtreden. Volgens [eiseres] kan op basis van deze rapporten worden geconcludeerd dat [derde belanghebbende] zich niet aan de geluidnormen uit de evenementenvergunning houdt. Niet valt in te zien waarom voor het Bokbiermiddag-evenement niet ook een omgevingsvergunning voor afwijken van het omgevingsplan is vereist.
6.2
De rechtbank stelt vast dat zij twee keer eerder uitspraak heeft gedaan over de vraag of het Bokbiermiddag-evenement dan wel het Weizenmiddag-evenement in strijd met het bestemmingsplan is. In de hiervoor genoemde uitspraak van 13 september 2024 oordeelde de rechtbank over het Weizenmiddag-evenement dat op 7 mei 2023 bij [derde belanghebbende] is gehouden, dat dat niet in strijd met de bestemming is. In de uitspraak van 22 maart 2024 oordeelde de rechtbank dit ook over het Bokbiermiddag-evenement dat in oktober 2022 bij [derde belanghebbende] heeft plaatsgevonden. [7]
6.3
In beide uitspraken heeft de rechtbank allereerst gewezen op de omgevings-vergunning die het college op 31 maart 2020 aan [derde belanghebbende] heeft verleend voor onder meer het gebruiken van het pand aan de Hoofdstraat 7 en het voorterrein daarvan voor horecadoeleinden. Met de uitspraak van 20 maart 2024 [8] heeft de Afdeling het hoger beroep van [eiseres] tegen deze omgevingsvergunning ongegrond verklaard, zodat die vergunning in rechte vaststaat. Verder heeft de rechtbank verwezen naar de vaste rechtspraak dat het bestemmingsplan zich bij wijze van uitzondering niet verzet tegen kortdurend en incidenteel gebruik van gronden in strijd met het bestemmingsplan. [9] In beide uitspraken oordeelde de rechtbank dat zowel het Bokbiermiddag-evenement als het Weizenmiddag-evenement, voor zover die niet vallen onder de werking van de omgevingsvergunning van 31 maart 2020, niet in strijd met het bestemmingsplan zijn, omdat sprake is van een kortdurend en incidenteel evenement, dat geen of weinig effect heeft op de leefomgeving. Beide evenementen zijn van korte duur (een middag en avond) en ook de opbouw en afbraak van de evenementen nemen niet veel tijd in beslag. Verder verandert de ruimtelijke uitstraling van de horeca-activiteit nauwelijks door deze evenementen. Het aantal bezoekers en daarmee het aantal gestalde fietsen en geparkeerde auto’s is tijdens de evenementen wellicht hoger dan tijdens andere dagen maar de rechtbank was niet gebleken dat dat aantal zoveel hoger is dat moet worden gesproken van een ruimtelijk effect waartegen het bestemmingsplan zich verzet. Ook was de rechtbank niet gebleken dat het aantal evenementen op de locatie van [derde belanghebbende] zodanig groot is dat het bestemmingsplan zich daartegen verzet.
6.4
De rechtbank ziet geen reden om in deze zaak anders te oordelen over het Bokbiermiddag-evenement dat op 6 oktober 2024 heeft plaatsgevonden. [eiseres] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de omstandigheden bij [derde belanghebbende], zowel voor wat betreft dat evenement als voor wat betreft de overige evenementen die zij in 2024 heeft georganiseerd, wezenlijk anders waren dan de omstandigheden waarop de uitspraken van de rechtbank van 13 september 2024 en 22 maart 2024 zien. Naar het oordeel van de rechtbank is nog steeds sprake van een evenement met een kortdurend en incidenteel karakter met minimale ruimtelijke effecten. Dit betekent dat de rechtbank van oordeel is dat het bestemmingsplan zich niet tegen dat evenement verzet. De door [eiseres] overgelegde geluidrapporten maken dit niet anders. Daarbij merkt de rechtbank op dat uit het rapport van de ODT niet blijkt dat het Dauwtrapfeest een evenement was dat door [derde belanghebbende] werd georganiseerd. Verder is in het rapport van [naam 5] weliswaar vastgesteld dat geluidsvoorschriften uit het Activiteitenbesluit milieubeheer werden overtreden, maar daarbij is tevens vermeld dat voor het betreffende evenement een evenementenvergunning was aangevraagd en dat het [naam 5] niet bekend was of die was verleend. Hieruit volgt dat niet duidelijk is of in het rapport van [naam 5] aan de juiste geluidsnormen is getoetst. Wat hier ook van zij, voor het Bokbiermiddag-evenement van 6 oktober 2024 is in ieder geval wel een evenementenvergunning verleend. Als tijdens dat evenement de daarin opgenomen geluidsvoorschriften werden overtreden, dan betreft dat een handhavingskwestie, waarbij de burgemeester bevoegd gezag is. Verder staan de evenementen die op het naastgelegen plein worden georganiseerd naar het oordeel van de rechtbank los van de vraag waar het in dit geval om gaat, namelijk of het bestemmingsplan zich verzet tegen het Bokbiermiddag-evenement dat op 6 oktober 2024 heeft plaatsgevonden. De rechtbank komt tot de conclusie dat dat niet het geval is.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat [eiseres] geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit in stand blijft. [eiseres] krijgt daarom het griffierecht niet terug. Ook krijgt zij geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.B. Cornelissen, rechter, in aanwezigheid van
mr. P.J.H. Bijleveld, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
de rechter is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

2.Zaaknummer ZWO 25/824 (nog niet gepubliceerd toen deze uitspraak werd gedaan).
3.Uitspraak op het beroep met zaaknummer ZWO 23/1696 (niet gepubliceerd).
4.Zaaknummers ZWO 24/4243 en ZWO 25/824.
7.Uitspraak op het beroep van [eiseres] met zaaknummer ZWO 23/859 (niet gepubliceerd).
9.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 6 oktober 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN9562.