Uitspraak
RECHTBANK Overijssel
1.De zaak in het kort
2.De procedure
- de conclusie van antwoord
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- het bericht van [eiser] van 26 februari 2026 met een nadere productie
3.De feiten
4.Het geschil
5.De beoordeling
- zijn inkomsten als gevolg van werkzaamheden in opdracht van de gemeente [gemeente] in de periode van 4 april 2025 tot en met 31 juli 2025;
- zijn inkomsten als gevolg van andere werkzaamheden in de periode van
als gevolg vanhaar tekortkoming. Er moet dus in de eerste plaats sprake zijn van een causaal verband tussen de tekortkoming en de door [eiser] gestelde schade. Het is daarbij aan [eiser] om te stellen – en bij betwisting te onderbouwen – dat hij de schade niet zou hebben geleden zónder tekortkoming van [gedaagde] . [eiser] heeft weliswaar gesteld dat hij het EVC-traject dan binnen de opzegtermijn (en voor de afschaffing van het traject) had kunnen afronden, maar hij heeft deze stelling – na de gemotiveerde betwisting van [gedaagde] – niet onderbouwd. Dat had wel op zijn weg gelegen. Niet in geschil is namelijk dat het traject uit zes onderdelen bestond, dat [eiser] nog twee onderdelen moest volgen en dat hij over de eerste vier onderdelen negen maanden had gedaan, gemiddeld 2,25 maand per onderdeel dus. Zonder nadere toelichting – die niet is gegeven – kan dan niet worden aangenomen dat [eiser] de overige twee onderdelen binnen de opzegtermijn had kunnen afronden en dus de door hem gestelde schade niet zou hebben geleden zonder de tekortkoming van [gedaagde] . Het causale verband tussen de tekortkoming van [gedaagde] en de door [eiser] gestelde schade komt dan ook niet vast te staan. Dit deel van de gevorderde schade zal daarom bij eindvonnis worden afgewezen.
6.De beslissing
woensdag 6 mei 2026voor het nemen van een akte door [eiser] over wat is vermeld onder 5.15.,