Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:2400

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
4 mei 2026
Publicatiedatum
4 mei 2026
Zaaknummer
12161298 \ CV EXPL 26-766
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:213 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming woning wegens aanwezigheid en handel in hard- en softdrugs

Woonstichting WBO verhuurt sinds 1980 een woning aan de huurder. Op 11 november 2025 vond een politie-inval plaats waarbij een grote hoeveelheid hard- en softdrugs, contant geld en weegschalen in de woning werden aangetroffen. WBO verzocht de huurder de huurovereenkomst op te zeggen, wat deze aanvankelijk deed met een opzegdatum van 29 mei 2026. Later trok de huurder deze opzegging in, stellende dat hij destijds niet in staat was zijn wil te bepalen vanwege medische omstandigheden.

De kantonrechter oordeelt dat de opzegging rechtsgeldig is, mede omdat de huurder tijdens de zitting verklaarde dat de opzegging een weloverwogen keuze was. Het feit dat het vinden van een andere woning moeilijk bleek, komt voor zijn eigen risico. De primaire vordering tot ontruiming wordt daarom toegewezen, en de subsidiaire vordering wegens tekortkoming in huurverplichtingen wordt niet behandeld.

De huurder wordt veroordeeld om uiterlijk 29 mei 2026 de woning te ontruimen en in goede staat op te leveren. Tevens wordt hij veroordeeld in de proceskosten van €1.013,01. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De huurder wordt veroordeeld tot ontruiming van de woning uiterlijk 29 mei 2026.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSELTeam kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Enschede
Zaaknummer : 12161298 \ CV EXPL 26-766
Vonnis in kort geding van 4 mei 2026
in de zaak van
de stichting
STICHTING WBO WONEN,
gevestigd en kantoorhoudende te Oldenzaal,
eisende partij,
hierna te noemen: WBO,
gemachtigde: mr. M. Douwenga,
advocaat te Hardenberg,
tegen
[gedaagde],
wonende te [adres] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
verschenen in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling op 30 april 2026.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
WBO verhuurt sinds 14 december 1980 de woning aan de [adres] aan [gedaagde] .
2.2.
Op 11 november 2025 heeft de politie een drugsactie georganiseerd gericht op het gehuurde. Tijdens de inval heeft de politie onder meer het navolgende in het gehuurde aangetroffen:
  • 149 gram cocaïne (brutogewicht);
  • 914 gram henneptoppen (brutogewicht);
  • twee kleine bakjes met daarin cocaïne;
  • drie kleine weegschaaltjes;
  • € 22.941,00 aan contant geld in bankbiljetten;
  • € 891,00 aan contant geld.
2.3.
Op 9 december 2025 heeft de gemachtigde van WBO aan [gedaagde] een brief gestuurd waarin hem wordt gevraagd vóór 15 januari 2026 de huurovereenkomst op te zeggen.
2.4.
Op 12 december 2025 heeft [gedaagde] de gemachtigde van WBO telefonisch laten weten bereid te zijn de huurovereenkomst op te zeggen, maar dat hij meer tijd nodig heeft om te kunnen verhuizen. De gemachtigde van WBO heeft vervolgens aan [gedaagde] medegedeeld dat WBO bereid is hem tot 31 maart 2025 de tijd te geven om te verhuizen, onder voorwaarde dat hij de huurovereenkomst opzegt.
2.5.
Op 6 januari 2026 heeft [gedaagde] aan de gemachtigde van WBO telefonisch laten weten de huurovereenkomst in de week van 12 januari 2026 op te zeggen.
2.6.
Op 16 januari 2026 heeft de gemachtigde van WBO aan [gedaagde] een brief gestuurd waarbij voor de laatste keer in de gelegenheid wordt gesteld om uiterlijk 23 januari 2026 de huurovereenkomst op te zeggen, onder de mededeling van het feit dat wanneer de huurovereenkomst niet uiterlijk deze datum wordt opgezegd, een ontruimingsprocedure zal worden gestart.
2.7.
Op 23 januari 2026 heeft [gedaagde] op het kantoor van WBO de huurovereenkomst opgezegd tegen 29 mei 2026, welke opzegging door WBO bij brief van 27 januari 2026 is bevestigd.
2.8.
Op 29 januari 2026 heeft de voorinspectie van de woning van [gedaagde] plaatsgevonden.
2.9.
Op 6 maart 2026 heeft [gedaagde] bij e-mail de huuropzegging herroepen en ingetrokken. Hij schrijft onder meer:
[… .]
Middels deze brief deel ik u formeel mede dat ik mijn eerdere verklaring, waarin ik heb aangegeven vrijwillig mijn huurwoning aan de [adres]
te zullen verlaten, hierbij herroep en intrek.
Ten tijde van het afleggen van deze verklaring verkeerde ik in een ernstige lichamelijke en geestelijke gezondheidstoestand. Door deze omstandigheden was
ik op dat moment niet in staat om mijn belangen op een adequate wijze te behartigen of de gevolgen van een dergelijke beslissing volledig te overzien. Mijn
medische situatie had een dusdanige invloed op mijn beoordelingsvermogen dat niet gesproken kan worden van een weloverwogen en rechtsgeldige
wilsverklaring.
[… .].

3.Het geschil

3.1.
WBO vordert dat [gedaagde] wordt veroordeeld uiterlijk 29 mei 2026 de woning, staande en gelegen te [adres] te ontruimen. Primair legt WBO aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] de huurovereenkomst heeft opgezegd tegen 29 mei 2026 en dat hij dan ook verplicht is het gehuurde te verlaten.
3.2.
Subsidiair stelt WBO zich op het standpunt dat [gedaagde] ernstig tekort is geschoten in de nakoming van zijn huurrechtelijke verplichtingen door een grote hoeveelheid hard- en softdrugs in het gehuurde aanwezig te hebben en vanuit het verhuurde te verhandelen. Het aanwezig hebben van drugs in het gehuurde en handel van drugs vanuit het gehuurde is in strijd met de verplichtingen van [gedaagde] om zich als goed huurder te gedragen op grond van artikel 7:213 BW Pro. Door het gehuurde te gebruiken als handelslocatie en opslag van drugs, heeft [gedaagde] bovendien gehandeld in strijd met de in de huurovereenkomst vastgelegd woonbestemming van het gehuurde.
3.3.
[gedaagde] verweert zich tegen de vordering van WBO. [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat hij weliswaar heeft ingestemd met een beëindiging van de huurovereenkomst, maar dat hij die opzegging later heeft ingetrokken. Bovendien is het vinden van andere woonruimte onmogelijk gebleken.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter stelt in dit kader voorop dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een maatregel is, die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een - diepgaand - onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding, zoals in deze zaak aan de orde is.
4.2.
Vervolgens is de vraag of het aannemelijk is dat de vordering van WBO in een bodemprocedure zodanige kans van slagen heeft dat het -mede gelet op de belangen van partijen over en weer- gerechtvaardigd is om op de toewijzing daarvan vooruit te lopen door het treffen van een voorziening zoals gevorderd.
4.3.
Tussen partijen staat vast dat [gedaagde] op 23 januari 2026 op het kantoor van WBO de huurovereenkomst heeft opgezegd tegen 29 mei 2026. Bij brief van 6 maart 2026 heeft [gedaagde] zijn opzegging ingetrokken c.q. herroepen, althans vernietigd, omdat hij
-kortgezegd- van mening was dat hij ten tijde van de opzegging zijn wil niet heeft kunnen bepalen, althans de gevolgen hiervan niet heeft kunnen overzien. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] , desgevraagd door de kantonrechter, echter verklaard dat zijn huuropzegging een weloverwogen keuze was die hij ook daadwerkelijk wilde. Er is geen sprake van een situatie waarin [gedaagde] (om medische redenen) de consequenties van zijn handelen niet kon overzien. [gedaagde] voert aan dat hij bij zijn opzegging ten onrechte in de veronderstelling verkeerde dat het geen probleem zou zijn om op korte termijn een andere woning te vinden. Toen dat toch moeilijk bleek, wilde [gedaagde] zijn opzegging intrekken. Het feit dat het vinden van een woning achteraf gezien moeilijker is gebleken dan [gedaagde] eerst dacht, komt echter voor zijn eigen rekening en risico. Vooralsnog is er voor de kantonrechter dan ook geen reden aan te nemen dat de huuropzegging van 23 januari 2026 door [gedaagde] in een bodemprocedure niet in stand zal blijven.
4.4.
Conclusie uit het vorenstaande is dat de opzegging van de huurovereenkomst naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter rechtsgeldig is en dat de huurovereenkomst tussen partijen daardoor per 29 mei 2026 zal eindigen. De gevorderde ontruiming zal dan ook worden toegewezen.
4.5.
Nu de primaire vordering wordt toegewezen, kan een bespreking van de subsidiaire vordering achterwege worden gelaten.
4.6.
[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de (na-)kosten van de procedure worden veroordeeld, tot op heden begroot op € 1.013,01, te weten:
dagvaardingskosten € 153,01,
griffierecht € 139,00,
salaris gemachtigde € 577,00,
nakosten
€ 144,00,
totaal € 1.013,01.

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om uiterlijk op 29 mei 2026 de woning, staande en gelegen aan de [adres] te ontruimen, in goede staat op te leveren en ontruimd te houden;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de kosten van deze procedure tot op heden aan de zijde van WBO begroot op € 1.013,01;
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. van Diggele, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2026.
(DAv(O)