AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Veroordeling voor opzettelijke brandstichting met gevaar voor levens en goederen in appartementencomplex
Op 23 mei 2025 ontstond brand in het appartement van verdachte in een appartementencomplex te [plaats]. De brand veroorzaakte rookontwikkeling en schade aan het appartement en nabijgelegen woningen, waarbij levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor andere bewoners werd geducht.
De rechtbank stelde vast dat verdachte opzettelijk brand heeft gesticht door stukken textiel in brand te steken. Forensisch onderzoek toonde aan dat ontbrandbare vloeistoffen op de handen van verdachte aanwezig waren. Verdachte werd kort na de brand aangetroffen bij het complex met vuile handen.
Verdachte leed aan schizofrenie, wat verminderd toerekeningsvatbaarheid opleverde. De rechtbank legde een gevangenisstraf van 24 maanden op, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden waaronder klinische behandeling. De benadeelde partij kreeg een schadevergoeding van €2.500 toegewezen.
De rechtbank achtte het bewezen dat verdachte opzettelijk brandstichting pleegde met gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor anderen. De straf houdt rekening met de ernst van het feit, de persoon van verdachte en het recidiverisico. De bijzondere voorwaarden en toezicht zijn dadelijk uitvoerbaar verklaard.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, en moet €2.500 schadevergoeding betalen wegens opzettelijke brandstichting met gevaar voor levens en goederen.
Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 08-159316-25 (P)
Datum vonnis: 4 mei 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2001 in [geboorteplaats] (Syrië),
nu verblijvende in de P.I. [locatie].
1.Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 21 april 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. C. Verrillo, advocaat in Denekamp, naar voren is gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennis genomen van wat namens de benadeelde partij Stichting Jongerenhuisvesting Twente door mr. J.J. Pullen, advocaat in Hardenberg, is aangevoerd.
2.De tenlastelegging
De verdenking komt er, na wijziging van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a Wetboek van Strafvordering (Sv) kort en zakelijk weergegeven op neer dat verdachte
in zijn appartement brand heeft gesticht waardoor levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor andere bewoners en gevaar voor goederen is ontstaan.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
hij op of omstreeks 23 mei 2025 te [plaats], in elk geval in Nederland,
(in een appartement gelegen aan de [adres])
opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen
met drukhouders, kleding, papieren verpakkingen, plastic tassen en/of
ordners, althans met een brandbare stof, ten gevolge waarvan
voornoemde goederen en/of de inboedel van die woning geheel of
gedeeltelijk is/zijn verbrand en rookontwikkeling is ontstaan, in elk geval
brand is ontstaan,
terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten dat appartement, de zich
daarin bevindende inboedel en/of één of meer nabijgelegen
appartementen (waaronder het appartement gelegen op het
[adres]) en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander,
te weten een of meer personen die zich op dat moment in het
appartementencomplex aan het [adres] bevonden
(waaronder de bewoner van [adres]),
te duchten was.
3.De bewijsmotivering
3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken. In de eerste plaats omdat niet vast is komen te staan dat er sprake is van brandstichting. In de tweede plaats, als de rechtbank tot het oordeel komt dat er wel sprake is van brandstichting, omdat niet kan worden vastgesteld dat de brand opzettelijk door verdachte is gesticht.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
Feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op grond van het verhandelde ter terechtzitting en de inhoud van het dossier het volgende vast.
Op 23 mei 2025 om 05.37 uur wordt een brand gemeld in de woning van verdachte aan het [adres] in [plaats]. Op de eerste verdieping van het appartementencomplex, waar de woning van verdachte zich bevindt, is de hal gevuld met verdichte rook tot ongeveer deurkrukhoogte. De deur van de woning van verdachte staat open. De brand wordt geblust. Daarna treft de brandweer in de woning van verdachte op de grond een stapel kleren en diverse aanstekers aan rondom de brandhaard. Er is forensisch brandonderzoek verricht. Op basis van dat onderzoek stelt de rechtbank vast dat opzettelijk ofwel op verschillende plaatsen stukken textiel in brand zijn gestoken waarna de brand is ontstaan ofwel dat het textiel op een grote hoop in brand is geraakt, en daarna al brandend door de kamer is verspreid. Door de brand is forse schade ontstaan in het appartement van verdachte. Van enkele ramen is het glas gebarsten en het plafond, de ramen en de muren zijn fors beroet. Ook in de centrale gang op de eerste etage, waar zich de voordeuren van de verschillende woningen bevonden, waren de plafondplaten en het bovenste deel van de muren, zij het licht, beroet.
Het is uitgesloten dat de brand anders dan door brandstichting is ontstaan.
De brand ontstond gedurende de nacht. Het appartement van verdachte was gelegen in een appartementencomplex van vier woonlagen met in totaal 32 woningen/appartementen. Aanwezige bewoners, de bewoners op nummer [adres], wisten op tijd het pand te verlaten. [1] De bewoner van [adres] werd pas na het blussen van de brand, slapend, in zijn appartement aangetroffen.
Kort na de melding van de brand, omstreeks 5.42 uur, treft een verbalisant verdachte aan, zittend op de stoep voor de ingang van het appartementencomplex en ziet dat zijn handen vies en bruin zijn. Verdachte wordt aangehouden en zijn handen worden bemonsterd. Uit forensisch onderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) blijkt dat in de handbemonstering van de rechterhand van verdachte stoffen zijn aangetoond die een aanwijzing geven voor de aanwezigheid van een ontbrandbare vloeistof, namelijk een aardoliedestillaat.
Opzettelijke brandstichting door verdachte
De rechtbank is, anders dan de verdediging, van oordeel dat sprake is van opzettelijke brandstichting en baseert dat op de conclusie van de verbalisant die het forensisch brandonderzoek heeft verricht. De rechtbank neemt die conclusie over en maakte deze tot de hare: er is geen andere verklaring dan dat het verdachte is geweest die opzettelijk in zijn appartement stukken textiel in brand heeft gestoken waarna de brand is ontstaan.
Voor het oordeel dat verdachte de brand heeft gesticht is ook redengevend dat de brand is gesticht in de woning van verdachte, hij ten tijde van de brand bij het appartementencomplex is aangetroffen en op zijn rechterhand stoffen van een ontbrandbare vloeistof zijn gevonden.
Gevaar voor personen en goederen in de zin van artikel 157 vanPro het Wetboek van Strafrecht (Sr)
Verdachte heeft in de nacht brand gesticht in zijn woning en heeft daarna het appartementencomplex verlaten. Verdachte heeft hierdoor willens en wetens het risico aanvaard dat de brand zich in zijn afwezigheid zou uitbreiden. Dat leverde gevaar op zowel voor branddoorslag of -overslag naar de andere woningen/appartementen maar ook levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de aanwezige bewoners. Dit gevaar werd niet alleen door de brand veroorzaakt maar ook door de rook, waarvan algemeen bekend is dat het inademen ervan lichamelijk letsel of de dood kan veroorzaken.
Conclusie
Op grond van bovenstaande acht de rechtbank het wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk brand heeft veroorzaakt, waardoor gevaar is ontstaan voor goederen en levensgevaar dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de overige bewoners van het appartementencomplex te duchten was.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen en de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op of omstreeks23 mei 2025 te [plaats] , in elk geval in Nederland,
(in een appartement gelegen aan dehet [adres])
opzettelijk brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met drukhouders,kleding, papieren verpakkingen, plastic tassen en/of
ordners, althans met een brandbare stof,ten gevolge waarvan
voornoemde goederen en /ofde inboedel van die woning geheel of
gedeeltelijk zijn verbrand en rookontwikkeling is ontstaan, in elk geval
brand is ontstaan,terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten dat appartement, de zich daarin bevindende inboedel en /of één of meernabijgelegen appartementen (waaronder het appartement gelegen opaan het [adres]) en /of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten een of meer personen die zich op dat moment in het appartementencomplex aan het [adres] bevonden ( waaronderonder wie de bewoner van [adres]),
te duchten was;
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 157 vanPro het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
de eendaadse samenloop van
de misdrijven: opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is, en opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.
5.De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.
6.De op te leggen straf of maatregel
6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Aan het voorwaardelijk strafdeel dienen de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden te worden gekoppeld. Deze bijzondere voorwaarden en het toezicht daarop dienen dadelijk uitvoerbaar te worden verklaard.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman acht het passend de onvoorwaardelijke gevangenisstraf te beperken tot de duur van twaalf maanden met daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf voor eveneens de duur van twaalf maanden. De verdediging kan zich vinden in de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering en heeft geen bezwaar tegen de gevorderde dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden en het toezicht daarop.
6.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
De ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan brandstichting. Verdachte heeft ’s nachts brand gesticht in zijn woning waardoor niet alleen gevaar is ontstaan voor de goederen in de woning, de woning zelf en de naastgelegen woningen, maar ook levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de omwonenden, onder wie de aanwezige bewoner in het tegenovergelegen appartement op [adres]. Verdachte heeft door zijn gedragingen veel materiële schade veroorzaakt. Dat de brand niet daadwerkelijk heeft geleid tot zwaar lichamelijk letsel of de dood is enkel te danken aan ingrijpen door medebewoners, de politie en brandweer. Een feit als dit roept gevoelens van angst en onveiligheid op bij de bewoners van het appartementencomplex en heeft maatschappelijke onrust tot gevolg. De rechtbank rekent dit alles verdachte aan.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de Justitiële Documentatie betreffende verdachte van 24 maart 2026. Hieruit blijkt dat verdachte sinds 2022 meermalen is veroordeeld wegens strafbare feiten, met name overlastgevende - en vermogensdelicten. Verdachte is niet eerder veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de Pro Justitia-rapportage (PJ-rapportage) van 26 februari 2026, opgesteld door A. Gosker, psychiater. Samengevat komt de psychiater tot de diagnose schizofrenie en hij concludeert dat deze stoornis met ernstige desorganisatie ook in de periode van de brandstichting het beeld bepaalde. Door de ontkenning van verdachte is niet duidelijk geworden hoe de stoornis van invloed is geweest op de brandstichting. Volgens de psychiater kan verondersteld worden dat de brandstichting verdachte minimaal verminderd toe te rekenen is. Behandeling van schizofrenie is aangewezen om terugval en recidive te voorkomen. Hiervoor is een langdurige klinische opname nodig.
De rechtbank komt op basis van dit rapport tot het oordeel dat verdachte lijdt aan schizofrenie, dat hij onder invloed daarvan het feit heeft gepleegd en dat dit feit verminderd aan hem kan worden toegerekend.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van de inhoud van het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 1 april 2026. De reclassering heeft beschreven dat het verdachte sinds zijn vlucht uit Syrië naar Nederland in 2020 niet is gelukt zijn leven op positieve wijze vorm te geven. Verdachte functioneert op licht verstandelijk beperkt niveau en het ontbreekt hem aan probleembesef, wat als risicoverhogend wordt beschouwd. Verschillende hulpverleningsinstanties hebben in het verleden getracht grip op verdachte te krijgen, maar dit lukte onvoldoende. Sinds detentie is er sprake van een voorzichtige verbetering van het toestandsbeeld van verdachte. De reclassering hoopt dat, met klinische behandeling als uitgangspunt, de tijd genomen kan worden om vanuit externe structurering langdurig stabiliteit aan te brengen in het leven van verdachte. De reclassering acht de kans op recidive, bij terugkeer in een woonomgeving met gelijksoortige omstandigheden als waarin de brandstichting plaatsvond, hoog. De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf waar – onder meer – de klinische behandeling wordt vormgegeven binnen de bijzondere voorwaarden.
Tot slot heeft de rechtbank kennisgenomen van een mail van Reclassering Nederland van 16 april 2026 waarin aan de officier van justitie wordt bevestigd dat verdachte voor klinische behandeling kan worden opgenomen bij het Centrum voor Transculturele Psychiatrie (CTP) Veldzicht in Balkbrug, eventueel na opname op een overbruggingsplek totdat in Veldzicht een plek beschikbaar komt.
De strafoplegging
Gezien de ernst van het gepleegde feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank heeft bij het bepalen van de hoogte van de straf gelet op de straffen die in vergelijkbare zaken zijn opgelegd. De rechtbank kan zich vinden in de conclusie van de psychiater over de verminderde toerekeningsvatbaarheid en neemt die over. De rechtbank zal verdachte het bewezenverklaarde feit daarom (minimaal) verminderd toerekenen, hetgeen een strafverlagende invloed heeft op de hoogte van de straf.
Alles afwegende, is de rechtbank van oordeel dat het passend en geboden is om aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 24 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk. Dit met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De proeftijd wordt vastgesteld op 3 jaren. De rechtbank zal hierbij de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden opleggen.
Dadelijke uitvoerbaarheid
De rechtbank is van oordeel dat de op grond van artikel 14c Sr te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 14c, zesde lid, Sr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar moet zijn nu er – gelet op de persoon van verdachte, de aard van het bewezenverklaarde feit en het ingeschatte recidiverisico, zoals hiervoor uiteengezet- ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van één of meer personen.
6.4
De in beslag genomen voorwerpen
De officier van justitie heeft ter zitting medegedeeld dat de inbeslaggenomen telefoon van verdachte aan hem zal worden teruggegeven.
7.De schade van benadeelde
7.1
De vordering van de benadeelde partij
Stichting Jongerenhuisvesting Twente heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij heeft gevorderd verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 29.744,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit de kosten van herstel van brandschade aan de woning en de kosten van herstel van negen voordeuren.
Ter zitting is de vordering tot schadevergoeding teruggebracht tot een totaalbedrag van € 2.500,--. De thans nog gevorderde materiële schade bestaat uit het eigen risico van de benadeelde partij. De overige (brand)schade is of wordt door de verzekeraar vergoed.
7.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij (ter hoogte van € 2.500,--) geheel moet worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijk verschuldigde rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.3
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering tot schadevergoeding, gelet op de bepleite vrijspraak.
Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat, indien de rechtbank toch tot een bewezenverklaring komt, de vordering tot schadevergoeding (ter hoogte van € 2.500,--) kan worden toegewezen.
7.4
Het oordeel van de rechtbank
Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezenverklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij. De opgevoerde schadepost is niet betwist en voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank zal het gevorderde daarom in zijn geheel toewijzen tot een bedrag van € 2.500,--. De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf de datum waarop de schade is ontstaan, zijnde 23 mei 2025.
7.5
De schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De rechtbank zal niet overgaan tot het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel.
8.De toegepaste wettelijke voorschriften
De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c en 55 Sr.
9.De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
de eendaadse samenloop van
de misdrijven: opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is, en opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is.
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van 24 (vierentwintig) maanden;
- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 10 (tien) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van de proeftijd van 3 (drie) jarende navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:
- stelt als algemene voorwaardedat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
De rechter kan de tenuitvoerlegging ook gelasten indien de verdachte gedurende de
proeftijd van 3 (drie) jarende navolgende bijzondere voorwaarden niet is nagekomen:
- stelt als bijzondere voorwaardendat verdachte:
- zich meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met verdachte opnemen voor de eerste afspraak;
- zich gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, laat opnemen in en behandelen door Centrum voor Transculturele Psychiatrie (CTP) Veldzicht of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname start zo spoedig mogelijk zodra de plaatsing mogelijk is. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing;
- geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs) en lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet gebruikt, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Verdachte moet gedurende de proeftijd meewerken aan controles. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
- meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen. Verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.
- draagt de reclassering op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden; daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat de verdachte:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 vanPro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
- beveelt dat de op grond van artikel 14c Sr gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14c, zesde lid, Sr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaarzijn;
- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
schadevergoeding
- wijst de vordering van de benadeelde partij Stichting Jongerenhuisvesting Twente in het geheel toe tot een bedrag van € 2.500,-- (tweeduizend vijfhonderd euro), bestaande uit materiële schade;
- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij Stichting Jongerenhuisvesting Twentevan een bedrag van € 2.500,-- (tweeduizend vijfhonderd euro),te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 mei 2025;
- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Venekatte, voorzitter, mr. A.M.G. Ellenbroek en
mr. W.B. Bruins, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.C. van Leeuwen, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2026.
Mr. W.B. Bruins is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage bewijsmiddelen
Leeswijzer
Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2025238917. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
Het proces-verbaal van aangifte van [aangever] namens Jongerenhuisvesting Twente van 23 mei 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, op pagina 16:
Ik kreeg op 23 mei 2025 te horen dat er brand was gesticht in perceel [adres] in het pand aan het [adres] in [plaats]. De bewoner is bij ons bekend, dit betreft onze huurder [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats].
Het proces-verbaal van bevindingen opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] van 23 mei 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, op pagina 43:
Ik had bevelvoerder [naam], werkzaam bij de brandweer, gevraagd of hij een relaas wilde opstellen van hetgeen hij aantrof ten tijde van het ter plaatse gaan bij de brand.
Feitenrelaas brand [adres]
Tijd melding 05:37 AM
Bij betreden eerste verdieping treffen wij de hal aan die zich gevuld heeft met verdichte rook tot ongeveer deurkrukhoogte. De deur van huisnummer [adres] staat open. Wij treffen in de woning een stapel kleren aan op de grond en aanstekers rondom de brandhaard. Wij treffen op [adres] recht tegenover nummer [adres] een persoon aan die lag te slapen en in direct gevaar was geweest door het openlaten van de deur van het brandadres waardoor de rook zich kon verspreiden binnen het compartiment.
Het proces-verbaal van aanhouding van verdachte van 23 mei 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, op pagina 155:
Op vrijdag 23 mei 2025 kregen wij, verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3], het verzoek om te gaan naar het appartementencomplex aan het [adres] te [plaats]. In appartement [adres] zou brand zijn. Om 05:42 uur kwamen wij ter plaatse. Ik, verbalisant [verbalisant 2], zag een persoon op de stoep voor de ingang van het appartementencomplex zitten. Ik herkende hem ambtshalve als [verdachte] (geboren op [geboortedatum] 2001 in [geboorteplaats], Syrië). Ik zag dat de handen van [verdachte] vies waren, ik zag dat deze bruin waren. Wij hoorden van de officier van dienst dat er sprake was van een abnormaal sporenbeeld en dat [verdachte] kon worden aangehouden ter zake brandstichting. Wie hielden verdachte [verdachte] om 06:04 uur aan.
Het proces-verbaal forensisch brandonderzoek van 23 juli 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, op pagina’s 78 tot en met 83:
OMSCHRIJVING LOCATIE
Het appartementencomplex bestond uit vier woonlagen. Ieder woonlaag bestond in de breedte uit vier naast elkaar gelegen woningen, en iedere woonlaag bestond in de diepte uit twee tegenover elkaar gelegen woningen. In totaal bestond het complex uit 32 woningen.
UITGEVOERD ONDERZOEK PLAATS DELICT
Op 23 mei 2025 heb ik in de woning [adres] een forensisch brandonderzoek uitgevoerd. Ik zag dat op de laminaatvloer brand had gewoed. Ik zag op deze vloer een grote hoeveelheid textiel liggen. Dit betroffen op het oog voornamelijk kledingstukken. Deze stukken textiel lagen verspreid over een groot deel van de vloer. Ik zag op verschillende plaatsen dat stukken textiel geheel of deels verbrand waren. Ik zag verder tussen deze brandresten diverse aanstekers liggen.
Brandbeeld
Het aangetroffen brandbeeld kon passen bij een situatie dat er bij de verschillende stukken textiel onafhankelijk van elkaar brand is ontstaan. Het aangetroffen brandbeeld kon ook passen bij een situatie dat het textiel deels op een grote hoop in de kamer heeft gelegen, en dat dit textiel, nadat het als grote hoop in brand was geraakt, door handelingen al brandend door de kamer was verspreid.
Ik zag dat van enkele ramen in de buitengevel het glas was gebarsten. Aan de hand van de vloeiende breuklijnen in dit glas kon ik opmaken dat deze breuken waren ontstaan door hitte. Ik zag in deze kamer dat het plafond, de ramen en de muren fors beroet waren. Vooral ter hoogte van de doorloop naar de hal was aan de roet-aftekening op onder meer de muur goed te zien hoe dik de hete en verstikkende rooklaag, ontstaan door het verbranden van textiel en stukken van de vloer, vanaf het plafond naar beneden richting de vloer was geweest. Ook in de hal was aan de roetaftekening op de muren goed zichtbaar hoe dik de hete en verstikkende laag rookgassen in deze hal was geweest.
Ik zag op de eerste etage in de centrale gang, alwaar zich de voordeuren van de verschillende woningen bevonden, dat de lichtgekleurde plafondplaten en het bovenste deel van de muren, licht beroet waren.
BRANDSTICHTING
Ik trof bij de verschillende brandhaarden van verbrande stukken textiel en inbrandingen in de laminaatvloer geen technische of anderszins legaal verklaarbare oorzaak aan voor het ontstaan van één of meerdere brandhaarden. Hieruit bleek mij dat er ter plaatse vuur moet zijn ingebracht.
Gezien het ontstaansbeeld van de verschillende brandhaarden lijkt het uitgesloten dat dit “per ongeluk” is ontstaan en waaruit kan blijken dat er sprake is van brandstichting; een persoon heeft opzettelijk vuur ingebracht in een berg textiel die op de vloer in de kamer lag en waarna deze berg textiel in brand is geraakt, vervolgens zijn deze brandende stukken textiel over de vloer door de kamer verspreid.
Wanneer er echter vanaf de start reeds op verschillende plaatsen vuur is ingebracht om de verschillende brandhaarden in de verschillende stukken textiel te ontsteken dan lijkt het ook uitgesloten dat dit “per ongeluk” is gebeurd en waaruit dan ook kan blijken dat er sprake is van brandstichting; een persoon heeft opzettelijk op verschillende plaatsen bij stukken textiel, die verspreid over de vloer in de kamer lagen, vuur ingebracht om de verschillende brandhaarden bij deze stukken textiel te ontsteken.
GEVAARZETTING BRANDSTICHTING
Gemeen gevaar voor goederen
Bij deze brand is forse schade ontstaan aan het appartement waar de brand heeft gewoed, door beroeting van ramen, muren en plafond, en door het kapot knappen van de ramen door de hitte. Er was bij deze brand derhalve gemeen gevaar voor goederen te duchten als bedoeld in artikel 157 onderPro 1 Wetboek van Strafrecht.
De brand had gewoed in een appartement op de eerste verdieping van een appartementencomplex. De voordeur van dit appartement bevond zich inpandig aan een afgesloten gang waaraan zich eveneens voordeuren van andere woningen bevonden.
Tijdens de brand heeft de voordeur van het bewuste appartement opengestaan.
Levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel
Wanneer de brand wat later was ontdekt dan had de brand zich in het appartement dusdanig kunnen uitbreiden dat er steeds meer hete en verstikkende rookgassen waren ontstaan. Door de gestegen luchtdruk, ten gevolge van het ontstaan van steeds meer rookgassen, waren steeds meer rookgassen vanuit de woning via de openstaande voordeur de gang van het appartementencomplex ingetrokken. Door de aanwezigheid van deze hete en verstikkende rookgassen in de gang hadden de overige bewoners van deze etage deze gang niet meer kunnen gebruiken als mogelijke vluchtroute. Zij waren dan in deze gang geconfronteerd met deze hete en verstikkende rookgassen met alle lichamelijke risico's van dien. Sterker nog; wanneer de brand wat langer onontdekt was gebleven dan hadden de rookgassen zich dusdanig kunnen uitbreiden dat deze rookgassen vanuit de gang via naden en kieren van voordeuren de overige woningen op deze etage waren ingetrokken en waardoor de overige bewoners van deze etage, die mogelijk nog lagen te slapen, in hun woning waren geconfronteerd met deze zeer hete en verstikkende rookgassen met alle lichamelijke risico's van dien.
Wanneer de brand wat later was ontdekt dan waren vermoedelijk de ramen in de buitengevel van deze woning kapot geknapt en waarna de vlammen via deze kapotte ramen naar buiten waren geslagen. Vervolgens waren de vlammen langs de buitengevel naar boven getrokken richting het appartement recht boven dit bewuste appartement. De ramen van dit bovengelegen appartement hadden dan door de hitte ook kunnen knappen en waarna de brand dit bovengelegen appartement had kunnen binnentrekken met wederom met alle lichamelijke risico's van dien voor de in dit appartement aanwezige persoon of personen. Er was bij deze brand derhalve sprake van levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten als bedoeld in artikel 157 onderPro 2 Wetboek van Strafrecht.
5.
Het proces-verbaal forensisch onderzoek persoon van 26 mei 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, op pagina’s 126 tot en met 128:
Op vrijdag 23 mei 2025 kwam ik, verbalisant [verbalisant 4], voor forensisch onderzoek in het arrestantencomplex te Borne waar op dat moment een verdachte ter zake brandstichting was ingesloten en onderzocht diende te worden.
Verdachte
Achternaam : [verdachte]
Voornamen : [verdachte]
Geboortedatum : [geboortedatum] 2001
Door mij werden de plastic sealbags om de handen van de verdachte vervangen voor handbemonsteringszakken. De handbemonsteringszakken werden door mij veiliggesteld en nadien verpakt en dicht geseald.
Veiliggestelde sporen en sporendragers
SIN : [code]
Datum/tijd veiligstellen : 23 mei 2025 om 08:31 uur
Plaats veiligstellen : Rechterhand verdachte
Bijzonderheden : Handbemonsteringskit met buisje
Een geschrift als bedoeld in artikel 344, lid 1, onder 4, Sv, het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, opgemaakt door ing. [verbalisant 5] van 27 juni 2027 ( de rechtbank begrijpt; 27 juni 2025), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, op pagina’s 138 en 139:
[Afbeelding]
[Afbeelding]
Vraagstelling: “Bevat het monster vluchtige stoffen die afkomstig zijn van een ontbrandbare vloeistof? Zo ja, in welke productklasse valt deze ontbrandbare vloeistof?”