De rechtbank Overijssel heeft op 4 mei 2026 uitspraak gedaan in een zaak betreffende de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van een veroordeelde die is veroordeeld voor drugshandel. De officier van justitie vorderde een bedrag van €20.450,-, maar de rechtbank stelde het voordeel op basis van bewijs en verklaringen vast op €4.040,-.
De veroordeelde verklaarde dat hij de opbrengsten van de drugshandel afstond aan een ander en in ruil daarvoor drugs ontving voor eigen gebruik, wat door de rechtbank werd meegewogen bij de schatting van het voordeel. De periode van drugshandel liep van 1 januari 2023 tot en met 14 februari 2024, waarbij de rechtbank uitging van een waarde van €10,- per dag aan ontvangen drugs.
Er was een bedrag van €1.495,40 in beslag genomen en verbeurd verklaard, dat in mindering werd gebracht op het vastgestelde voordeel. De rechtbank legde de veroordeelde daarom een betalingsverplichting van €2.544,60 op aan de Staat. De vordering voor het overige werd afgewezen.
De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de rechtbank Overijssel te Almelo, waarbij de veroordeelde werd bijgestaan door zijn advocaat. De beslissing is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.