Uitspraak
RECHTBANK Overijssel
1.[gedaagde 1],
[gedaagde 2],
1.De zaak in het kort
2.De procedure
- de mondelinge behandeling van 23 april 2026, ter gelegenheid waarvan [eiser] spreekaantekeningen heeft overgelegd en door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
3.De feiten
4.Het geschil
5.De beoordeling
er gelijk gestart [kan] worden met het maken van het benodigde (werk)tekenwerk”. En in de notulen van de eerste bouwvergadering van 13 maart 2024 staat dat [eiser] met betrekking tot de staal- en kozijntekeningen actie zou ondernemen. Voorts volgt uit de e-mail van [bedrijf 8] van 23 februari 2026 dat er tijdens een bespreking ter plaatse op 24 juni 2024 controlemetingen zijn gedaan en wijzigingen doorgesproken, zoals het naar buiten (dus in de binnengevel) plaatsen van de spantpoten, en dat op 29 juli 2024 de aangepaste set tekeningen is gestuurd naar alle betrokken partijen ([bedrijf 6], [eiser] en [gedaagden]). [gedaagden] stellen dat het bij [eiser] duidelijk had moeten zijn dat voor het fabriceren van de werktekeningen het uitgangspunt zou moeten zijn de statische berekeningen van [bedrijf 7] van 1 mei 2024 en dat [eiser] heeft verzuimd om de door hem gebruikte (werk)tekeningen en berekeningen van de staalconstructie ter goedkeuring aan de gemeente voor te leggen. Voorts kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter uit het enkele feit dat [bedrijf 6] de rekening aan [gedaagden] gestuurd heeft niet afgeleid worden dat [gedaagden] de opdrachtgevers van [bedrijf 6] zijn. Tot slot overweegt de voorzieningenrechter dat [eiser] met zijn argument dat de gewijzigde aanpak van de staalconstructie niet past in de omgevingsvergunning lijkt te willen betogen dat hij het werk overeenkomstig de opdracht uitvoerde, maar dat strijdigheid met de omgevingsvergunning daar het gevolg van is. De voorzieningenrechter oordeelt dat het argument van [eiser] niet leidt tot de slotsom dat op dit moment voldoende aannemelijk is dat hij in het geheel niet toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van zijn verplichtingen uit de aannemingsovereenkomst. Daarvoor bevatten de hiervoor onder 3.5. tot en met 3.8. genoemde documenten immers te veel aanwijzingen dat ook andere gebreken dan het afwijken van de vergunning aan het werk kleven.
informatie verkregen van een aantal personen uit Dronrijp, welke aan [gedaagde 2] kenbaar hebben gemaakt dat er procedures aanhangig zijn tegen [eiser]”, is in ieder geval onvoldoende. De voorzieningenrechter is evenwel niet van oordeel dat deze stelling, hoewel niet onderbouwd maar ook niet aantoonbaar onjuist, niet kan worden aangemerkt als een schending van de waarheidsplicht van artikel 21 Rv Pro. Aan de vraag of deze schending zou moeten leiden tot toewijzing van de vordering tot opheffing van de beslagen komt de voorzieningenrechter daarom niet toe. Net zoals de stelling dat andere schuldeisers beslag zouden kunnen leggen, mist de stelling van [gedaagden] dat niet vaststaat dat de hypotheekschuld in de toekomst verder afneemt en dat het zelfs denkbaar is dat deze schuld nog oploopt of dat in geval van executie van de woning door de hypotheekhouder kosten tot het inschrijvingsbedrag van € 255.242,00 verhaald worden uit de opbrengst van die executieverkoop, een onderbouwing.