Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:2498

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
8 mei 2026
Publicatiedatum
8 mei 2026
Zaaknummer
ak_25_582
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 6:106 BWArt. 7:1 AwbArt. 8:4 AwbArt. 8:88 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen weigering schadevergoeding door UWV wegens ontbreken appellabel besluit

Eiseres verzocht het UWV om een schadevergoeding wegens onzorgvuldige behandeling van haar medische gegevens in het kader van een toeslag op grond van de Toeslagenwet. Het UWV wees dit verzoek af bij besluit van 3 januari 2025. Eiseres stelde beroep in tegen dit besluit.

De rechtbank oordeelde dat het besluit van het UWV tot weigering van schadevergoeding geen appellabel besluit is, zodat het beroep niet-ontvankelijk is. Daarnaast heeft de rechtbank het beroep mede opgevat als een verzoek op grond van artikel 8:88 Awb Pro tot vergoeding van immateriële schade. De rechtbank concludeerde echter dat de handelwijze van het UWV, het niet aangetekend verzenden van medische stukken, geen besluit of onrechtmatige handeling in de zin van artikel 8:88 Awb Pro betreft.

De rechtbank is daarom niet bevoegd om kennis te nemen van het verzoek om schadevergoeding. Er is geen sprake van een onrechtmatig besluit, een handeling ter voorbereiding daarvan, het niet tijdig nemen van een besluit, noch een andere onrechtmatige handeling zoals bedoeld in de Awb. Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt niet toegewezen.

De rechtbank wijst ook een proceskostenveroordeling af en vergoedt het griffierecht niet. De uitspraak is gedaan door rechter Oude Aarninkhof en griffier Veldman op 8 mei 2026 te Almelo.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van schadevergoeding is niet-ontvankelijk verklaard en de rechtbank is onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek om immateriële schadevergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Almelo
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/582

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV),

gemachtigde: [gemachtigde].

Procesverloop

1.1
Bij besluit van 2 oktober 2024 heeft het UWV eiseres meegedeeld dat zij per
22 februari 2019 geen recht heeft op een toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW). Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar ingesteld. Met het besluit van 3 januari 2025 op het bezwaar van eiseres is het UWV bij dit besluit gebleven. Eiseres heeft tegen dit besluit geen beroep ingesteld.
1.2
Eiseres heeft het UWV verzocht haar een schadevergoeding toe te kennen. Bij besluit van 3 januari 2025 heeft het UWV eiseres meegedeeld dat dit verzoek wordt afgewezen. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld. Zij heeft de rechtbank verzocht het UWV te veroordelen tot vergoeding van door haar geleden immateriële schade. Het college heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.
1.3
De rechtbank heeft het beroep op 24 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van het UWV deelgenomen.
1.4
Omdat de rechter die de zaak op zitting heeft behandeld in verband met langdurige afwezigheid geen uitspraak kon doen in deze zaak, heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de zaak aan een opvolgend rechter toebedeeld. De rechtbank heeft partijen vervolgens meegedeeld dat de opvolgend rechter voorlopig van oordeel is dat het niet nodig is om in deze zaak opnieuw een zitting te houden. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld mee te delen of zij behandeling van het beroep op een nadere zitting willen. Het UWV heeft meegedeeld geen nadere zitting te willen. De rechtbank heeft binnen de gestelde termijn geen bericht ontvangen van eiseres. Daarop heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Feiten en omstandigheden

2. Eiseres heeft het UWV in de procedure met betrekking tot de toeslag op grond van de TW verzocht stukken aan haar terug te sturen. Vervolgens heeft eiseres eerst alleen de medische stukken retour ontvangen, maar niet de overige stukken. Eerst na tussenkomst van een klachtenambassadeur heeft eiseres ook de overige stukken ontvangen. Er bleek sprake te zijn geweest van een misverstand. Met een brief van 8 november 2024 heeft het UWV eiseres hierover geïnformeerd en zijn er ook excuses aangeboden. Eiseres heeft het UWV vervolgens verzocht om immateriële schade te vergoeden. Hierop heeft het UWV gereageerd met de brief van 3 januari 2025, zoals hiervoor vermeld onder ‘Procesverloop’.

Standpunten van partijen

3.1
Het college stelt zich op het standpunt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij zodanig heeft geleden door de handelwijze van het UWV, dat in verband daarmee voor haar een psychische beschadiging is ontstaan. Eiseres heeft geen gegevens overgelegd die daarop wijzen. Het UWV heeft daarbij gewezen op artikel 6:106 BW Pro en rechtspraak van de Hoge Raad en van de Centrale Raad van Beroep. Om te kunnen spreken van geestelijk letsel moet er volgens het UWV sprake zijn van een herkenbare psychische aandoening, al dan niet gepaard gaand met psychosomatische symptomen. Negatieve emoties, zoals angst, verdriet, spanning of woede en geïrriteerdheid zonder psychiatrisch te duiden symptomen zijn in ieder geval onvoldoende. Het UWV ziet daarom geen aanleiding tot vergoeding van immateriële schade.
3.2
Eiseres stelt dat het UWV onzorgvuldig is omgegaan met haar medische gegevens. Haar dossier is aanvankelijk niet aangetekend verzonden. De onzorgvuldige behandeling van haar dossier heeft geleid tot aantoonbare psychische schade, waaronder angst, stress en emotioneel onbehagen. Dit gaat verder dan een "gewone" mate van onbehagen en raakt aan haar persoonlijke integriteit. Volgens de rechtspraak van de Hoge Raad is schadevergoeding mogelijk in gevallen waarin de aantasting van de persoon ernstig genoeg is. Eiseres is van mening dat in haar geval de wijze waarop haar medische gegevens zijn behandeld zodanig onzorgvuldig en kwetsend is geweest, dat zij meent recht te hebben op compensatie. Zij heeft de rechtbank verzocht het UWV te veroordelen tot vergoeding van een bedrag van
€ 1.500,- aan immateriële schade. Volgens eiseres is deze vergoeding passend gezien de impact van de situatie en de gemaakte fouten in de verwerking van haar dossier.
3.3
Het UWV heeft in het aangevoerde geen aanleiding gezien zijn standpunt te wijzigen.

Wettelijk kader

4.1
Op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
4.2
Ingevolge artikel 8:4, aanhef en onder f, van de Awb kan geen beroep worden ingesteld tegen een besluit inzake vergoeding van schade wegens onrechtmatig bestuurshandelen.
4.3
Op grond van artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van:
a. een onrechtmatig besluit;
b. een andere onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit;
c. het niet tijdig nemen van een besluit;
d. een andere onrechtmatige handeling van een bestuursorgaan waarbij een persoon als bedoeld in artikel 8:2, eerste lid, onder a, zijn nagelaten betrekkingen of zijn rechtverkrijgenden belanghebbende zijn.
Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat het eerste lid niet van toepassing is indien het besluit van beroep bij de bestuursrechter is uitgezonderd.

Beoordeling door de rechtbank

5.1
Voor zover eiseres heeft bedoeld beroep of bezwaar in te stellen tegen de brief van
3 januari 2025, waarin het UWV heeft geweigerd schade te vergoeden, merkt de rechtbank op dat op grond van artikel 8:4, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb tegen een besluit inzake vergoeding van schade wegens onrechtmatig bestuurshandelen geen beroep kan worden ingesteld. Op grond van artikel 7:1 van Pro de Awb, in samenhang met artikel 8:4, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb kan tegen een dergelijk besluit ook geen bezwaar worden gemaakt. Het beroep van eiseres tegen het besluit van 3 januari 2025 is niet-ontvankelijk.
5.2
De rechtbank vat het beroep van eiseres mede op als een verzoek om het UWV op grond van artikel 8:88 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen tot vergoeding van de (immateriële) schade die zij stelt te hebben geleden als gevolg van de handelwijze van het UWV. Die handelwijze hield in het niet aangetekend verzenden aan eiseres van medische gegevens.
5.3
Het niet aangetekend verzenden aan eiseres van medische gegevens kan niet worden aangemerkt als een besluit van het UWV, zoals bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Het toezenden – al dan niet aangetekend - van medische stukken is geen publiekrechtelijke rechtshandeling, zoals bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.
Het toezenden van (medische) stukken is een feitelijke handeling en is niet gericht op rechtsgevolg. Nu geen sprake is geweest van een besluit, is evenmin sprake van een onrechtmatig besluit, zoals bedoeld in artikel 8:88, aanhef en onderdeel a, van de Awb.
Ook betreft het geen handeling ter voorbereiding van een besluit, zoals bedoeld in artikel 8:88, aanhef en onderdeel b, van de Awb. Van het niet tijdig nemen van een besluit, zoals genoemd in artikel 8:88, aanhef en onderdeel c, van de Awb is ook geen sprake. Artikel 8:88, aanhef en onder d, van de Awb is in dit geval niet van toepassing, aangezien eiseres geen persoon is als daarin bedoeld.
5.4
Uit 5.3 volgt dat zich geen van de in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb opgenomen omstandigheden voordoet. De rechtbank is daarom niet bevoegd om kennis te nemen van het verzoek om schadevergoeding.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep tegen het besluit van 3 januari 2025 is niet-ontvankelijk en de rechtbank is onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek om schadevergoeding. Dit betekent dat de rechtbank eiseres geen schadevergoeding toekent.
7. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding. Ook krijgt eiseres het door haar betaalde griffierecht niet terug.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek om schadevergoeding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.W.H. Oude Aarninkhof, rechter, in aanwezigheid van
W. Veldman, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.