Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:2521

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
11 mei 2026
Publicatiedatum
11 mei 2026
Zaaknummer
12215120 \ CV EXPL 26-1308
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287b Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing schorsing tenuitvoerlegging ontbinding huurovereenkomst wegens huurachterstand

Eisers huurden een woning van Mijande. Bij vonnis van 31 maart 2026 is de huurovereenkomst ontbonden vanwege een huurachterstand en zijn eisers veroordeeld de woning te ontruimen. Eisers vorderden schorsing van de tenuitvoerlegging gedurende de duur van de hoger beroepsprocedure of drie maanden.

De kantonrechter overwoog dat een veroordeling in principe direct uitvoerbaar is, tenzij zwaarwegende belangen van de veroordeelde dit verhinderen. Eisers stelden dat hun belang bij behoud van de woning zwaarder weegt, onder meer omdat zij een vast inkomen hebben en bezig zijn met schuldhulpverlening.

De rechter vond echter dat het belang van Mijande bij uitvoering van het vonnis zwaarder weegt, mede vanwege de forse huurachterstand en het uitblijven van contact voor hulpverlening. Het verzoek op grond van artikel 287b Fw leidt niet tot een ander oordeel. Eisers zijn in het ongelijk gesteld en hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Verzoek tot schorsing tenuitvoerlegging ontbinding huurovereenkomst wordt afgewezen en eisers worden hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Enschede
Zaaknummer: 12215120 \ CV EXPL 26-1308
Vonnis in kort geding van 11 mei 2026
in de zaak van

1.[eiser 1],

te [woonplaats 1],
2.
[eiser 2],
te [woonplaats 2],
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers],
gemachtigde: mr. E.A.M. Brouwers-Bouwman,
tegen
STICHTING MIJANDE WONEN,
te Hengelo,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Mijande,
gemachtigde: mr. M. Douwenga.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de producties van [eisers]
- de producties van Mijande
- de mondelinge behandeling van 11 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de pleitnota van Mijande.

2.De feiten

[eisers] huurden van Mijande de woning aan de [adres]. Bij vonnis van 31 maart 2026 is de huurovereenkomst in verband met een huurachterstand ontbonden en is [eisers] veroordeeld de woning te ontruimen binnen veertien dagen na betekening van het vonnis. Het vonnis is op 10 april 2026 aan [eisers] betekend, met aanzegging dat indien niet binnen veertien dagen wordt voldaan aan het bevel tot ontruiming, de ontruiming zal plaatsvinden op 13 mei 2026. Ter zitting heeft Mijande laten weten dat deze ontruiming tot nader order is uitgesteld.
3. Het geschil
3.1.
[eisers] vordert schorsing van de tenuitvoerlegging van voormeld vonnis gedurende de duur van de hoger beroepsprocedure, dan wel gedurende drie maanden, met veroordeling van Mijande in de proceskosten.
3.2.
Mijande voert verweer. Mijande concludeert tot niet-ontvankelijkheid van
[eisers], dan wel tot afwijzing van zijn vorderingen, met veroordeling van hem in de proceskosten.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar moet zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Afwijking van dit uitgangspunt kan worden gerechtvaardigd door omstandigheden die meebrengen dat het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zolang niet op het door hem ingestelde rechtsmiddel is beslist, of diens belang bij zekerheidstelling, ook gegeven dit uitgangspunt, zwaarder weegt dan het belang van degene die de veroordeling in de ten uitvoer te leggen uitspraak heeft verkregen, bij de uitvoerbaarheid bij voorraad daarvan of bij deze uitvoerbaarheid zonder dat daaraan de voorwaarde van zekerheidstelling wordt verbonden.
4.2.
Bij de toepassing van deze maatstaf in kort geding moet worden uitgegaan van de beslissingen in de ten uitvoer te leggen uitspraak en van de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen. De kans van slagen van het tegen die beslissing aangewende of nog aan te wenden rechtsmiddel blijft buiten beschouwing, met dien verstande dat de kantonrechter in zijn oordeelsvorming kan betrekken of de ten uitvoer te leggen beslissing(en) berust(en) op een kennelijke misslag.
4.3.
Gesteld noch gebleken is dat in het vonnis van 31 maart 2026 sprake is van een kennelijke misslag. Volgens [eisers] weegt zijn belang bij behoud van de woning zwaarder dan het belang van Mijande bij tenuitvoerlegging. Hij heeft een vast inkomen waardoor de lopende huur kan worden voldaan en daarnaast is de oorzaak van het ontstaan van de achterstand weggenomen, aldus [eisers] in de dagvaarding.
Ter zitting heeft hij daaraan nog toegevoegd dat hij bezig is met schuldhulpverlening en een verzoek op grond van artikel 287b Fw heeft ingediend.
4.4.
De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding de tenuitvoerlegging te schorsen, gelet op het navolgende. Dat [eisers] bij tenuitvoerlegging zijn huurwoning kwijtraakt, is inherent aan de beslissing van de kantonrechter de huurovereenkomst te ontbinden. Dat hiermee een noodtoestand ontstaat, is gesteld noch gebleken. Daar tegenover staat dat Mijande een duidelijk belang bij heeft om het vonnis ten uitvoer te leggen. Zij ziet zich momenteel geconfronteerd met een (ex-)huurder die een forse huurachterstand heeft laten ontstaan en die niet is ingegaan op de vele pogingen van Mijande om in contact – en zodoende tot (schuld)hulpverlening – te komen. Daarbij komt dat sociale huurwoningen schaars zijn en er lange wachtlijsten zijn om daarvoor in aanmerking te komen.
4.5.
In het feit dat [eisers] een verzoek ex artikel 287b Fw heeft ingediend, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding voor een ander oordeel. Mocht op dit verzoek in de door [eisers] gewenste zin worden beslist, dan krijgt hij op die manier de door hem gewenste schorsing van de ontruiming (om tijdens die schorsing te proberen zijn schulden te regelen). Daarbij geldt dat Mijande ter zitting te kennen heeft gegeven dat zij alleen bereid is de ontruiming uit te stellen indien met [eisers] tot een acceptabele regeling kan worden gekomen en de lopende huur wordt betaald.
4.6.
[eisers] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Mijande worden begroot op:
- salaris gemachtigde
577,00
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
721,00
4.7.
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst het gevorderde af,
5.2.
veroordeelt [eisers] hoofdelijk in de proceskosten van € 721,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Horsthuis en in het openbaar uitgesproken op 11 mei 2026.