Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:2547

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
11 mei 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
C/08/346878 / FA RK 26-888
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10:7 lid 1 WvggzArt. 3:2 lid 2 sub a WvggzArt. 10:3 lid 1 sub f WvggzArt. 3:3 WvggzArt. 3:4 Wvggz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond wegens onduidelijkheid over inzetmoment en omstandigheden ECT-behandeling

Betrokkene ontvangt verplichte zorg bij CTP Veldzicht op grond van een zorgmachtiging. Betrokkene diende een klacht in tegen de toepassing van ECT-behandeling, welke door de klachtencommissie gegrond werd verklaard. Veldzicht stelde beroep in om de uitspraak van de klachtencommissie te vernietigen en de klacht ongegrond te verklaren, stellende dat ECT een noodzakelijke volgende stap is in de behandeling.

Tijdens de mondelinge behandeling werden diverse betrokkenen gehoord, waaronder betrokkene, zijn advocaat, behandelaren en mentor. Betrokkene verzet zich tegen ECT vanwege angst voor narcose en geheugenverlies. Veldzicht betoogde dat minder ingrijpende alternatieven zijn geprobeerd zonder succes en dat ECT noodzakelijk is voor symptoomreductie en ziekte-inzicht.

De rechtbank oordeelt dat Veldzicht ontvankelijk is in het beroep. De toetsing richt zich op proportionaliteit en subsidiariteit van de verplichte zorg. De rechtbank constateert dat onvoldoende duidelijk is wanneer en onder welke omstandigheden de ECT-behandeling zal worden ingezet. Bovendien is betrokkene binnenkort over te plaatsen naar begeleid wonen, onafhankelijk van ECT. Hierdoor faalt het beroep omdat niet kan worden vastgesteld dat de inzet van ECT aan de wettelijke eisen voldoet.

De rechtbank benadrukt dat deze beslissing niet principieel de weg naar ECT-behandeling afsluit en toekomstige besluiten op eigen merites beoordeeld zullen worden. Het beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep van Veldzicht wordt ongegrond verklaard vanwege onvoldoende duidelijkheid over het moment en de omstandigheden van inzet van de ECT-behandeling.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Familierecht en Jeugdrecht
Locatie: Zwolle
Zaak-/rekestnr.: C/08/346878 / FA RK 26/888
Beroep tegen beslissing klachtencommissie artikel 10:7 lid 1 Wet Pro verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz)
Beschikking van 11 mei 2026 van de rechtbank Overijssel op het ingediende beroep van:
CTP Veldzicht,
gevestigd te Balkbrug,
hierna te noemen: Veldzicht,
en
[betrokkene],
hierna te noemen: betrokkene,
geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats] ,
verblijvende bij [verblijfplaats] ,
advocaat: mr. M.R.P. Ossentjuk te Groningen.

1.Procesverloop

1.1
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
 het pro forma beroepschrift, bij de griffie van deze rechtbank ontvangen op 10 april 2026;
 het beroepschrift van 13 april 2026, met bijlagen, ontvangen bij de griffie op 14 april 2026;
 het verweerschrift van betrokkene d.d. 28 april 2026.
1.2
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 30 april 2026 bij CTP Veldzicht, [adres] .
1.3
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechtbank de volgende personen gehoord:
 betrokkene;
 de advocaat van betrokkene;
 [naam 1] , juridisch adviseur bij Veldzicht;
 [naam 2] , geneesheer directeur;
 J.W.G.M. van Soest, GZ-psycholoog;
 R. Bouwman, behandelend psychiater;
 [naam 3] , behandelend arts;
 [naam 4] , persoonlijk begeleider van betrokkene.
1.4
Op 16 april 2026 heeft de heer [naam 5] , mentor van betrokkene, de rechtbank laten weten dat hij achter het verzoek staat tot het verlenen van een zorgmachtiging. Daarbij heeft hij tevens aangegeven dat hij niet bij de fysieke behandeling van de zaak aanwezig kan zijn. Tevens heeft de mentor op 20 april 2026 aangegeven dat hij achter de voorgestelde ECT-behandeling staat en dat hij deze behandeling passend en in het belang van betrokkene acht.
2
Feiten
2.1
Bij beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen van 18 december 2024 is ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging verleend voor de duur van twee jaar. Aan betrokkene wordt sinds eind december 2025 door Veldzicht verplichte zorg verleend krachtens de beschikking van 18 december 2024.
2.2
Betrokkene heeft bij brief van 16 februari 2026 bij de klachtencommissie een klacht ingediend tegen medische handelingen en therapeutische maatregelen ECT, artikel 3:2 lid 2 sub a jo Pro. artikel 10:3 lid 1 sub f Wvggz Pro.
2.3
De klachtencommissie heeft op 2 maart 2026 de klacht gegrond verklaard. Deze beslissing heeft de klachtencommissie op 2 maart 2026 aan betrokkene en Veldzicht mondeling meegedeeld en op dezelfde datum per e-mail aan partijen toegezonden.

3.Verzoek

3.1
Veldzicht verzoekt de rechtbank om de uitspraak van de klachtencommissie te vernietigen en de klacht van betrokkene ongegrond te verklaren. Een gefaseerde aanpak waarbij ECT wordt ingezet om symptomatische stabilisatie en ziekte-inzicht te bereiken, gevolgd door integrale verslavingsbehandeling is ethisch en juridisch verantwoord, daarbij is betrokkene inzake de behandeling van de ECT niet bekwaam en stemt de mentor in met deze behandeling.
3.2
De klachtencommissie heeft geoordeeld dat:
behandeling met antipsychotica en abstinentie van middelen meer proportioneel geacht dient te worden dan een ECT-behandeling;
subsidiair geeft de klachtencommissie aan dat betrokkene eerst opgenomen kan worden in een
verslavingskliniek met een forensische setting, voordat een behandeling met ECT-behandeling
opgestart wordt.
3.3
Veldzicht voert ten aanzien van punt a het volgende aan. Betrokkene heeft een chronisch toestandsbeeld in het kader van schizofrenie en is al eerder behandeld geweest met tenminste twee andere antipsychotica en Clozapine met adequate dosering conform de richtlijn schizofrenie. Verslavingsbehandeling bij schizofrenie verbetert vaak vooral de uitkomsten als ze integraal, langdurig en op beide aandoeningen tegelijk gericht is. Bij een chronisch psychotische patiënt met schizofrenie en verslaving is beperkt ziekte-inzicht vaak een kernprobleem én een bepalende factor voor de haalbaarheid van de behandeling. Inzicht en besef kleuren vrijwel elke stap: van motivatie, therapietrouw en keuze van setting tot risicotaxatie en inzet van juridische kaders.
3.4
Uit het behandelplan van Lentis en verwijzing van Lentis blijkt dat betrokkene ondanks de behandeling met antipsychotica ernstig psychotisch blijft. Hij is op de afdeling zeer ontwrichtend aanwezig, bepaalt zijn eigen regels en gebruikt drugs ondanks 1-op-1 begeleiding op afstand, het niet hebben van vrijheden en frequente kamerdoorzoekingen. Hij weigert mee te werken aan bloed- en urinecontroles en het is de vraag of hij de medicatie trouw inneemt. Opname op de HIC en een andere afdeling binnen Lentis hebben gefaald. Betrokkene blijft zich veelvuldig onttrekken aan de afdeling, laat zich laat zich niet aanspreken op of begrenzen in zijn gedrag en stelt zich dan vaak dreigend en intimiderend op, restrictieve maatregelen hebben geen effect. Ook met eenduidige bejegening, intensief toezicht op medicatie-inname, restricties ten aanzien van vrijheden, kamercontroles en fouilleren is het niet gelukt dit patroon te doorbreken.
Minder ingrijpende alternatieven zijn geprobeerd, zoals hierboven benoemd heeft betrokkene al
minstens twee antipsychotica én Clozapine in adequate doseringen geprobeerd, zonder succes.
Andere settingen (op de HIC en een afdeling binnen Lentis) hebben gefaald ondanks l-op-l
begeleiding en restricties.
Het doel van de ECT-behandeling is symptoomreductie van ernstig psychotische verschijnselen, het
vergroten van ziekte-inzicht en middelenbewustzijn en het creëren van een basis voor verdere
behandeling. Zonder ziekte-inzicht is een verslavingsbehandeling volgens het behandelplan
niet haalbaar.
Ter zitting heeft Veldzicht verklaard dat er een verschil van inzicht is tussen betrokkene en het behandelteam over de psychische stoornis. Betrokkene is nu voor de derde keer opgenomen bij Veldzicht. Het is een herhaling van telkens dezelfde situatie: betrokkene begint met drugs te gebruiken, zit dan in een omgeving met drugsgebruik, stopt met de medicatie of vergeet de medicatie, raakt in de war en wordt agressief, zodanig dat hij weer gedwongen opgenomen moet worden in de kliniek. Het middelengebruik versterkt de psychotische symptomen waardoor het realiteitsbesef nog verder daalt en de situatie verslechtert. Betrokkene is nu vierenhalve maand abstinent van middelen door de opname in de kliniek, maar de psychose is nog niet verdwenen. Betrokkene is goed in staat om het tijdelijk te onderdrukken, waardoor hij heel adequaat kan overkomen, maar al na een uur volgt een woordenbrij van psychotische uitspraken en waanideeën.
De behandeling met Clozapine is het meest effectieve middel maar dat blijkt bij betrokkene niet genoeg symptoomreductie te geven. Behandeling met depotmedicatie om de medicatietrouwheid te verbeteren, zoals de klachtencommissie voorstelt, is bij Clozapine niet mogelijk. Behandeling met andere, wel in depot te geven, medicatie, is ineffectief en zou een stap terug zijn in de behandeling.
Zonder ECT-behandeling is het risico groot dat betrokkene veelvuldig in en uit gesloten klinieken gaat, zelfs naar een hoog beveiligde gesloten kliniek als Veldzicht met nog minder vrijheden dan in een normale gesloten setting. Hoe langer een heftige psychose duurt, hoe schadelijker het is voor de hersenen, door afname van cognitieve functies en vermogend nadenken.
ECT-behandeling heeft een heel hoge kans van symptoomreductie. De kans op geheugenverlies bij ECT-behandeling is verwaarloosbaar afgezet tegen de bijwerkingen van een psychose. Het is aan de regiebehandelaar Lentis wanneer de ECT-behandeling zal gaan plaatsvinden. Het is een logistieke kwestie en er zijn wachtlijsten.
Binnen afzienbare tijd zal betrokkene worden overgeplaatst naar een begeleid wonen plek in Assen. Daar zal de behandeling gericht zijn op het middelengebruik en niet op de beperkingen die de schizofrenie geeft. Deze overplaatsing is niet afhankelijk van de ECT-behandeling.
Door de uitspraak van de klachtencommissie is de mogelijkheid om de volgende stap volgens de richtlijnen te zetten uitgesloten. De ECT-behandeling moet wel mogelijk zijn als escalatie in de behandelmogelijkheden.

4.Verweer

4.1
Betrokkene stelt zich op het standpunt dat hij absoluut geen ECT behandeling wil ondergaan. In zijn verweer bij de klachtencommissie heeft hij het volgende aangegeven. Betrokkene zou voor ECT-behandeling onder narcose moeten en dat vindt hij beangstigend omdat hij niet weet wat er dan gebeurt op zo’n moment. Ook wil hij geen stroom op zijn hoofd. Hij is bang voor het geheugenverlies dat na de behandeling optreedt, zelfs als dat van korte duur is. Hij wil graag behandeling bij VNN en bij zijn vader wonen.
4.2
Tijdens de zitting heeft betrokkene verklaard dat hij zijn eerdere standpunt handhaaft. De angst voor narcose blijft, ondanks het gegeven dat hij in januari 2026 onder narcose is geweest in verband met een galsteenoperatie en daar goed is uitgekomen. Betrokkene is van mening dat hij geen hersenschade heeft opgelopen door zijn psychoses en is ervan overtuigd dat hij abstinent van middelen kan blijven.
4.3
De advocaat van betrokkene heeft in het verweerschrift van 28 april 2026 gesteld dat er minder bezwarende alternatieven voor de verplichte zorg zijn die hetzelfde effect hebben. Tijdens een eerdere opname bij Veldzicht functioneerde betrokkene aanzienlijk beter nadat hij was ingesteld op Clozapine en abstinent was van middelen. Betrokkene werd overgeplaatst naar Veldzicht omdat hij herhaaldelijk ontsnapte uit eerdere instellingen. Omdat betrokkene de maatregelen omtrent het geven en intrekken van vrijheden in de verschillende instellingen als ongelijkwaardig ervoer, ontstond er een vicieuze cirkel: onenigheid over de maatregel leidde tot ontsnappingen, waarna nieuwe maatregelen werden opgelegd. Op dit moment is er bij betrokkene geen sprake van dreigend en agressief gedrag. Betrokkene heeft zijn dag- en nachtritme op orde en volgt het programma. Dwangbehandeling in de vorm van ECT is alleen in uitzonderlijk ernstige situaties toegestaan, wat hier nu niet het geval is. Volgens de richtlijn van de federatie medisch specialisten, gepubliceerd op
1 januari 2015, is ECT alleen een behandeloptie wanneer antipsychotica onvoldoende effect hebben en snelle verbetering van het klinisch beeld noodzakelijk is. Het automatisme dat ECT-behandeling wordt toegepast bij schizofrenie wanneer er geen andere behandeling effect lijkt te hebben gaat niet op. Er is geen sprake van een acute noodsituatie. Eerst moet worden gekeken naar mogelijkheden om het drugsgebruik te stoppen voordat ECT overwogen kan worden. Een ECT-behandeling zal de schizofrenie en drugsafhankelijkheid niet doen verdwijnen. Betrokkene begrijpt dat drugs schadelijk voor hem zijn, maar kan moeilijk de verleiding ervan weerstaan wanneer de gelegenheid zich voordoet, ECT helpt daarbij niet.
Op grond van het bovenstaande verzoekt verweerder het beroep van Veldzicht niet ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen.
4.4
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van betrokkene zijn verweer toegelicht. Er is een hoog áls-gehalte. Áls betrokkene ECT-behandeling krijgt, dan is hij aanspreekbaar over zijn verslaving. Áls betrokkene ECT-behandeling krijgt dan zullen de psychotische verschijnselen wegvallen. Een ECT-behandeling moet een uiterste remedie zijn en er moet een acute factor zijn om haar te mogen toepassen. Het kan niet zo zijn dat de optie tot
ECT-behandeling op de plank ligt te wachten voor het geval dát.

5.Beoordeling

De ontvankelijkheid
5.1
De rechtbank stelt allereerst vast dat Veldzicht ontvankelijk is in het beroep, aangezien het binnen de in artikel 10:7 lid 2 Wvggz Pro gestelde termijn bij de rechtbank is ingediend.
Het dient te worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop de beslissing van de klachtencommissie aan verzoeker is medegedeeld, de laatste dag is 14 april 2026. Het beroep is tijdig ingediend.
Beroep tegen beslissing klachtencommissie
5.2
Veldzicht stelt zich op het standpunt dat haar door de beslissing van de klachtencommissie de mogelijkheid om ECT-behandeling te kunnen toepassen is ontnomen. Het beroep van Veldzicht is een herstelactie, zodat ECT-behandeling ingezet kan worden als escalatie in de behandeling.
5.3
Het verweer van betrokkene komt er, naast zijn angst voor de gevolgen ervan, in de kern op neer dat een ECT-behandeling acuut noodzakelijk moet zijn als antipsychotica onvoldoende effect geven. Daarvan is volgens betrokkene nu geen sprake.
5.4
Hoewel betrokkene dit ter zitting leek te betwijfelen, moet worden vastgesteld dat voor betrokkene wel degelijk een mentor is benoemd. Deze mentor van betrokkene staat achter de
ECT-behandeling en acht deze behandeling gezien de huidige situatie passend en in het belang van betrokkene.
5.5
De wet stelt aan de uitvoering van verplichte zorg een groot aantal inhoudelijke en formele eisen. Uit artikel 3:3 en Pro 3:4 van de Wvggz volgt dat als uiterste middel verplichte zorg verleend kan worden indien het gedrag van betrokkene als gevolg van zijn psychische stoornis leidt tot ernstig nadeel als:
  • er geen mogelijkheden voor zorg op basis van vrijwilligheid zijn;
  • er voor betrokkene geen minder bezwarende alternatieven met het beoogde effect zijn;
  • het verlenen van verplichte zorg, gelet op het beoogde doel van verplichte zorg evenredig is; en
  • redelijkerwijs te verwachten is dat het verlenen van verplichte zorg effectief is.
5.6
Uit artikel 8:9 lid Pro 1van de Wvggz volgt dat de zorgverantwoordelijke ter uitvoering van de zorgmachtiging een beslissing tot het verlenen van verplichte zorg zoals in dit geval bedoeld niet neemt dan nadat hij :
zich op de hoogte heeft gesteld van de actuele gezondheidstoestand van betrokkene,
met betrokkene over de voorgenomen beslissing overleg heeft gevoerd, en
voor zover hij geen psychiater is, hierover overeenstemming heeft bereikt met de geneesheer-directeur
5.7
Daarnaast volgt uit lid 4 van artikel 8:9 van Pro de Wvggz dat indien verplichte zorg anders dan strekkende tot opname in een accommodatie op grond van de zorgmachtiging wordt toegepast, de zorgverantwoordelijke, onverminderd het bepaalde in artikel 1:5, na overleg met de vertegenwoordiger, schriftelijk in het dossier, bedoeld in artikel 8:4, met vermelding van de datum en het tijdstip, vastlegt of:
betrokkene tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake in staat is, en
er een acuut levensgevaar dreigt voor betrokkene dan wel er een aanzienlijk risico is voor een ander op levensgevaar, ernstig lichamelijk letsel, ernstige psychische, materiële, immateriële of financiële schade, ernstige verwaarlozing of maatschappelijke teloorgang, of om ernstig in zijn ont wikkeling te worden geschaad, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar is.
5.8
Dat betekent dat de rechtbank, nu betrokkene gebruik heeft gemaakt van zijn klachtrecht tegen een gedwongen ECT-behandeling, moet beoordelen of ECT-behandeling thans ingezet mag worden als verplichte zorg. Het medisch team van betrokkene heeft overtuigend aangevoerd dat een
ECT-behandeling naar de huidige medische maatstaven de volgende stap in de behandeling van betrokkene is en dat het beter voor hem zou zijn om die behandeling te aanvaarden.
Het bestwil-criterium is hier echter niet leidend. De rechtbank heeft (onder meer) te beoordelen of de inzet van deze vorm van verplichte zorg voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Die vraag moet worden beantwoord aan de hand van de feiten en omstandigheden van het concrete geval. Daarbij stuit de rechtbank in dit geval op de moeilijkheid, dat niet bekend is wanneer de ECT-behandeling daadwerkelijk zal worden ingezet. Het behandelteam heeft desgevraagd niet, ook niet bij benadering, aan kunnen geven wanneer dit het geval zal zijn. Met name de stelling dat bij een gegrond beroep alles wat nodig is om de behandeling op te starten meteen (of binnen afzienbare tijd) in werking zal worden gezet, ontbreekt. Op de vraag of dat nog weken, maanden, jaren kan duren wordt geantwoord dat dat ook afhangt van de vervolgbehandeling die er gaat komen, die nu door de verwijzer gericht is op de verslaving.
In dat verband is er sprake van een - pas in dit beroep gebleken - nieuw relevant feit. Ter zitting is naar voren gekomen dat betrokkene op korte termijn doorstroomt naar een vorm van begeleid wonen in de omgeving van Assen. Dat voltrekt zich binnen enkele weken en is niet afhankelijk van de vraag of de ECT-behandeling al dan niet doorgaat. Een en ander doet in belangrijke mate af aan het standpunt van Veldzicht dat betrokkene zonder ECT-behandeling veroordeeld is tot een uitzichtloos verblijf in een besloten, hoogbeveiligde setting zoals de hare, en dan ook nog zonder vrijheidsprivileges. En het lijkt ook enigszins afbreuk te doen aan de stelling dat alternatieven op dit moment geheel ontbreken.
Al met al is onvoldoende duidelijk geworden op welk moment en afhankelijk van welke omstandigheden de beslissing om ECT in te zetten in daadwerkelijke acties zal worden omgezet.
In feite wordt het door de advocaat van betrokkene gepresenteerde beeld, inhoudend dat Veldzicht nu vooraf carte blanche nastreeft voor een te zijner tijd in te zetten ECT-behandeling, bevestigd. Ter zitting heeft Veldzicht aangegeven dat zij in deze zaak koerst op een principe-uitspraak, omdat men het middel altijd op de plank wil hebben liggen en de klachtencommissie het daar nu ten principale van heeft weggevaagd. Die redenering is op twee punten problematisch. Ten eerste omdat daardoor het klachtrecht van de patiënt tegen beslissingen aangaande de uitvoering van de verplichte zorg inhoudsloos wordt. En ten tweede omdat de klachtencommissie niet heeft overwogen dat de ECT-behandeling buiten de reikwijdte van een zorgmachtiging valt, maar enkel de daadwerkelijke inzet ervan in dit specifieke geval heeft getoetst.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat in dit geval (nog) niet kan worden vastgesteld dat de inzet van deze vorm van verplichte zorg voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, zodat het beroep om die reden faalt.
Het feit dat de mentor van de betrokkene achter een ECT-behandeling staat doet daaraan onvoldoende af.
5.9
De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren.
Ten overvloede
5.1
De rechtbank hecht er in dit geval aan om partijen erop te wijzen dat de weg naar verplichte zorg in de vorm van een ECT-behandeling met deze beslissing niet principieel wordt afgesneden. En voorts dat een eventueel volgend besluit daartoe (als dat wederom op een klacht stuit) op eigen merites en aan de hand van de alsdan geldende situatie zal moeten worden beoordeeld.

6.Beslissing

De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond.
Deze beschikking is in het openbaar uitgesproken op 11 mei 2026 door mr. A.M. Koene, rechter, in tegenwoordigheid van P.J. Soldaat, griffier.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.