Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:2552

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
ak_25_1628
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 3 Besluit geslachtsnaamswijzigingArt. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing geslachtsnaamswijziging minderjarige ondanks bezwaar vader

De moeder van een minderjarige zoon heeft een aanvraag ingediend voor wijziging van de geslachtsnaam van haar zoon, die inmiddels twaalf jaar oud is, van de naam van de vader naar haar eigen naam. De staatssecretaris heeft dit verzoek toegewezen, waarbij is meegewogen dat de moeder de zoon gedurende minimaal drie jaar heeft verzorgd en opgevoed en dat de zoon instemt met de naamswijziging.

De vader heeft bezwaar gemaakt tegen deze toewijzing en beroep ingesteld bij de rechtbank. Hij betoogde onder meer dat de toetsing onjuist was, dat er sprake was van een onjuiste belangenafweging en dat het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel niet was nageleefd. De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris het juiste toetsingskader heeft toegepast en dat de belangenafweging zorgvuldig is gemaakt, waarbij de instemming van de minderjarige van twaalf jaar of ouder doorslaggevend is.

De rechtbank verklaart het beroep tegen het eerste bestreden besluit niet-ontvankelijk omdat dit besluit is vervangen door een wijzigingsbesluit. Het beroep tegen het tweede bestreden besluit wordt ongegrond verklaard. De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht. De uitspraak bevestigt dat de wens van de minderjarige en de verzorging door de moeder zwaar wegen bij de beoordeling van een geslachtsnaamswijziging.

Uitkomst: Het beroep tegen de toewijzing van de geslachtsnaamswijziging wordt ongegrond verklaard en het besluit van de staatssecretaris bevestigd.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/1628

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats 1], eiser, hierna: [eiser]

(gemachtigde: mr. Z. Acer),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder, hierna: de staatssecretaris
(gemachtigde: mr. M.H. Kazem).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde belanghebbende] uit [woonplaats 2], hierna: de moeder.

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over de toewijzing van de aanvraag van de moeder tot geslachtsnaamswijziging van de zoon. [eiser] is het niet eens met deze toewijzing.
Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de toewijzing van de aanvraag. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de staatssecretaris het bestreden besluit heeft kunnen nemen. [eiser] krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit
hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

1. De moeder heeft een aanvraag voor geslachtsnaamswijziging van haar zoon ingediend op 24 september 2024. De staatssecretaris heeft deze aanvraag met het besluit van 12 februari 2025 toegewezen. [eiser] heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 30 april 2025 (bestreden besluit I) op het bezwaar van [eiser] is de staatssecretaris bij de toewijzing van de aanvraag gebleven.
1.1.
[eiser] heeft beroep ingesteld tegen bestreden besluit I.
1.2.
De staatssecretaris heeft op 17 december 2025 een wijzigingsbesluit genomen waarin het bezwaar op een andere grondslag ongegrond is verklaard (bestreden besluit II).
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 28 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser], zijn gemachtigde en de gemachtigde van de staatssecretaris. De moeder is met haar ouders verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Aanleiding
2. [eiser] en de moeder hebben een relatie gehad. Hun zoon [naam] is op [geboortedatum] 2012 geboren. [naam] verblijft bij zijn moeder. [eiser] heeft [naam] erkend. De moeder heeft het gezag over [naam].
2.1.
Na het verbreken van de relatie hebben [eiser] en de moeder niet meer samengewoond. Dit is sinds 1 april 2014 en blijkt ook uit de basisregistratie personen (brp).
2.2.
Op 24 september 2024 heeft de moeder de staatssecretaris gevraagd om de geslachtsnaam van [naam] te wijzigen van [eiser] naar [derde belanghebbende].
2.3.
Daarop heeft de besluitvorming plaatsgevonden, zoals beschreven onder Procesverloop.
De bestreden besluiten
Bestreden besluit I
3. Uit bestreden besluit I volgt dat de aanvraag in het primaire besluit is getoetst aan het kader voor kinderen jonger dan twaalf jaar. De aanvraag is toegewezen, omdat voldaan wordt aan de daarvoor geldende criteria van het Besluit geslachtsnaamswijziging. Omdat [naam] gedurende de procedure twaalf jaar is geworden, is in bestreden besluit I daarnaast getoetst aan de criteria voor naamswijziging van een minderjarige van twaalf jaar en ouder. Ook aan deze criteria wordt voldaan.
Bestreden besluit II
3.1.
Volgens de staatssecretaris was [naam] ten tijde van het primaire besluit al twaalf jaar oud en had in dat besluit beoordeeld moeten worden of de aanvraag kon worden toegewezen op basis van de regels voor minderjarigen van twaalf jaar en ouder. Er is in bestreden besluit I ten onrechte uitgegaan van een gecombineerd toetsingskader. Daarom heeft de staatssecretaris bestreden besluit II genomen.
3.2.
De staatssecretaris heeft in bestreden besluit II de aanvraag toegewezen, omdat voldaan wordt aan de criteria van het Besluit geslachtsnaamswijziging. Hierbij is betrokken dat de moeder in de drie jaar onmiddellijk voorafgaand aan de aanvraag [naam] heeft verzorgd en opgevoed en dat de moeder en [naam] op hetzelfde adres ingeschreven hebben gestaan. Daarmee heeft de moeder aan de vereiste verzorgingstermijn voldaan. Verder heeft de staatssecretaris in aanmerking genomen dat [naam] instemt met de naamswijziging, ondanks dat [eiser] niet instemt. Daarmee mag de staatssecretaris het verzoek toewijzen en is maar beperkt ruimte voor een belangenafweging. Het uitgangspunt van de wetgever is namelijk dat een minderjarige van twaalf jaar of ouder een doorslaggevende stem heeft in zijn/haar geslachtsnaamswijziging, terwijl de mening van de andere ouder daarin minder zwaar weegt. De staatssecretaris heeft de toewijzing van de verzochte geslachtsnaams-wijziging in het belang van [naam] geacht.
Overwegingen
Toepassing artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
4. De rechtbank stelt allereerst vast dat bestreden besluit I volledig is vervangen door bestreden besluit II. Voor zover het beroep van [eiser] is gericht tegen bestreden besluit I, heeft hij geen procesbelang meer bij een beoordeling daarvan. De rechtbank zal het beroep in zoverre niet-ontvankelijk verklaren. Nu de staatssecretaris na het instellen van beroep door [eiser] bestreden besluit I heeft gewijzigd, is er naar het oordeel van de rechtbank wel aanleiding om de staatssecretaris te veroordelen in de proceskosten. De rechtbank verwijst hiervoor naar de rechtsoverwegingen 13.1 en 13.2.
4.1.
Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft het beroep van [eiser] van rechtswege mede betrekking op bestreden besluit II. Met betrekking tot bestreden besluit II overweegt de rechtbank als volgt.
Beoordelingskader
5. In artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit geslachtsnaamswijziging is, voor zover hier relevant, bepaald dat op eensluidend verzoek van de wettelijke vertegenwoordiger en van degene wiens geslachtsnaam ten behoeve van de minderjarige wordt verzocht, de geslachtsnaam van een minderjarige van twaalf jaren of ouder wordt gewijzigd in de geslachtsnaam van de ouder wiens naam het kind niet heeft, indien deze ouder na de ontbinding van het huwelijk, het geregistreerd partnerschap of de verbreking van de buitenhuwelijkse samenleving met de andere ouder gedurende een aaneengesloten periode van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek de minderjarige heeft verzorgd en opgevoed.
5.1.
In artikel 3, vijfde lid, aanhef en onder c, van het Besluit geslachtsnaamswijziging is bepaald dat het verzoek wordt afgewezen, indien een ouder weigert in te stemmen met de verzochte geslachtsnaamswijziging van de minderjarige van twaalf jaren of ouder, tenzij deze minderjarige bij zijn instemming blijft.
6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de staatssecretaris terecht het beoordelingskader voor minderjarigen van twaalf jaar of ouder toegepast, nu [naam] ten tijde van de besluitvorming al twaalf jaar was geworden. De beroepsgrond van [eiser] over de onjuiste toepassing van artikel 3, vijfde lid, onder d, van het Besluit geslachtsnaamswijziging slaagt daarom niet. Dat artikellid heeft namelijk uitsluitend betrekking op minderjarigen jonger dan twaalf jaren.
Verzorgingstermijn
7. [eiser] heeft zich op het standpunt gesteld dat een onjuiste toetsing van het criterium “samenleven in gezinsverband” heeft plaatsgevonden. De afwezigheid van een gezamenlijke inschrijving in de brp is niet gelijk aan het ontbreken van gezinsverband. Naar zijn mening heeft wel degelijk omgang en verzorging plaatsgevonden binnen de periode van vijf jaar voorafgaand aan het verzoek tot geslachtsnaamswijziging.
8. De rechtbank overweegt dat bij de beoordeling van de aanvraag van belang is of de moeder [naam] in een aaneengesloten periode van ten minste drie jaren onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek heeft verzorgd en opgevoed. [naam] woont sinds zijn geboorte op [geboortedatum] 2012 bij zijn moeder. Uit het procesdossier volgt verder dat [naam] sinds 1 april 2014 door zijn moeder wordt verzorgd en opgevoed. Voor zover [eiser] met het overleggen van foto's van hem en [naam] heeft bedoeld te betogen dat hij een rol in de verzorging heeft gehad, is deze rol naar het oordeel van de rechtbank niet zodanig dat daaruit moet worden afgeleid dat de moeder [naam] niet (alleen) heeft verzorgd en opgevoed. De moeder van [naam] voldoet naar het oordeel van de rechtbank aan de verzorgingstermijn.
Belangenafweging
9. Volgens [eiser] is de door de staatssecretaris uitgevoerde belangenafweging vaag en gebaseerd op eenzijdige verklaringen van de moeder en het kind. De verklaringen van [eiser] over zijn band met [naam] en zijn zorgen over ouderverstoting zijn niet inhoudelijk weerlegd. Daarnaast vindt [eiser] het onzorgvuldig om in een kwetsbare context een kinderverklaring zonder meer bepalend te achten. Volgens [eiser] heeft onvoldoende onderzoek naar de vrije en onbeïnvloede wilsvorming van het kind plaatsgevonden.
10. De rechtbank stelt vast dat uit de door [naam] ondertekende verklaring van 8 april 2025 blijkt dat [naam] weet van de bezwaren van [eiser], maar dat hij toch bij zijn wens blijft om zijn geslachtsnaam te wijzigen. De staatssecretaris heeft bij de afweging van belangen veel gewicht toegekend aan deze omstandigheid. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de staatssecretaris tot deze belangenafweging kunnen komen. Hierbij is van belang dat de besluitgever in het Besluit geslachtsnaamswijziging expliciet ervoor heeft gekozen om van doorslaggevend belang te achten of een minderjarige van twaalf jaren of ouder bij zijn instemming blijft. Er zijn daarbij geen concrete aanwijzingen dat de verklaring van [naam] gevormd is door iets anders dan zijn eigen mening. Naar het oordeel van de rechtbank wordt voldaan aan de in het Besluit geslachtsnaamswijziging opgenomen voorwaarden en heeft de staatssecretaris alle relevante feiten en rechtstreeks betrokken belangen betrokken. De staatssecretaris heeft hierbij ook de door [eiser] gestarte juridische procedure meegewogen. Het rapport van het raadsonderzoek, gedateerd 27 november 2025, van de Raad voor de Kinderbescherming dateert weliswaar van na de besluitvorming, maar vormt naar het oordeel van de rechtbank een bevestiging van de omstandigheid dat [naam] de geslachtsnaamswijziging wenst en het besluit om het verzoek om geslachtsnaamswijziging op juiste gronden is toegewezen.
Motiveringsbeginsel en zorgvuldigheidsbeginsel
11. Volgens [eiser] is het bestreden besluit in strijd met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel genomen. Uit het besluit blijkt niet dat de verklaringen en bewijsstukken van [eiser] daadwerkelijk zijn meegewogen, zoals contactmomenten via de grootmoeder, de WhatsApp-berichten en de foto’s van de omgangsmomenten.
12. In bestreden besluit II is overwogen dat de staatssecretaris de zienswijze heeft gelezen en de foto's heeft gezien en dat daaruit het beeld naar voren komt dat [eiser] graag betrokken wil blijven bij [naam]. De staatssecretaris heeft deze betrokkenheid voor de besluitvorming echter van onderschikt belang geacht, aangezien [naam] bij zijn wens om zijn geslachtsnaam te wijzigen blijft. Uit wat [eiser] in dit kader heeft aangevoerd, kan naar het oordeel van de rechtbank geen strijd met het motiveringsbeginsel of het zorgvuldigheidsbeginsel worden afgeleid. Uit bestreden besluit II volgt op welke motivering dit besluit gebaseerd is en van onzorgvuldigheden daarbij is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank ziet, anders dan [eiser] heeft betoogd, geen aanknopingspunten voor het oordeel dat bestreden besluit II niet objectief en onpartijdig tot stand is gekomen.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep van [eiser] tegen bestreden besluit I is niet-ontvankelijk. Het beroep van [eiser] tegen bestreden besluit II is ongegrond.
13.1.
Omdat de staatssecretaris de beslissing op bezwaar hangende beroep heeft gewijzigd, is er wel reden om de staatssecretaris te veroordelen in de proceskosten. De staatssecretaris moet deze vergoeding betalen. Ook moet de staatssecretaris het betaalde griffierecht vergoeden.
13.2.
De proceskosten van [eiser] bestaan hier uit kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht stelt de rechtbank de vergoeding voor deze kosten vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroep en 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt: € 934,-; wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen bestreden besluit I, niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen bestreden besluit II, ongegrond;
- draagt de staatssecretaris op het betaalde griffierecht van € 194,- aan [eiser] te vergoeden;
- veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van [eiser] tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Oosterveld, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Richart, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
De rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.