De rechtbank Overijssel heeft op 13 mei 2026 uitspraak gedaan in een zaak tegen een commanditaire vennootschap die is veroordeeld voor het opzettelijk overtreden van voorschriften uit de Meststoffenwet. De veroordeelde produceerde in 2022 en 2023 meer fosfaat dan haar fosfaatrecht toestond, zonder de benodigde fosfaatrechten te leasen of te kopen.
De officier van justitie vorderde de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de oplegging van een betalingsverplichting aan de Staat. De rechtbank stelde het voordeel vast op €106.629,69, gebaseerd op de leasekosten van fosfaatrechten en de leges die betaald hadden moeten worden aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.
Namens de veroordeelde werd aangegeven dat terugbetaling moeilijk zou zijn, maar de rechtbank volgde de vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat draagkracht in beginsel pas in de executiefase wordt beoordeeld. Omdat niet was gebleken dat de veroordeelde geen draagkracht heeft, werd de volledige betalingsverplichting opgelegd.
De rechtbank baseerde haar oordeel op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht en legde de verplichting tot betaling van het vastgestelde bedrag aan de veroordeelde op.