Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:2579

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
14 mei 2026
Zaaknummer
08-066922-26
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 509hh SvArt. 81 lid 1 SvArt. 87 lid 1 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gegrondverklaring beroep tegen disproportionele gedragsaanwijzing na schorsing voorlopige hechtenis

De verdachte is verdacht van mishandeling van zijn kinderen en partner, waarop de rechtbank de voorlopige hechtenis heeft verlengd en vervolgens geschorst onder voorwaarden zoals een meldplicht en locatieverbod. De officier van justitie legde daarna een gedragsaanwijzing op met contactverboden die verder gingen dan de schorsingsvoorwaarden.

De verdachte kwam hiertegen in beroep, stellende dat de gedragsaanwijzing onterecht en niet proportioneel was omdat de rechtbank bij de schorsing geen contactverboden had opgelegd en de schorsingsvoorwaarden het recidivegevaar voldoende beperken. De officier van justitie vond de gedragsaanwijzing noodzakelijk vanwege de veiligheid van de vrouw en kinderen.

De rechtbank oordeelt dat de gedragsaanwijzing bedoeld is als vangnet wanneer voorlopige hechtenis niet mogelijk is, maar hier is de voorlopige hechtenis juist geschorst onder voorwaarden. De gedragsaanwijzing is daarom niet passend en niet proportioneel, zeker omdat de rechtbank expliciet het recidivegevaar met de schorsingsvoorwaarden voldoende heeft ingeperkt.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond en heft de gedragsaanwijzing op met onmiddellijke ingang. Hiermee wordt bevestigd dat het opleggen van aanvullende contactverboden via een gedragsaanwijzing niet mag worden gebruikt om de rechterlijke beslissing te omzeilen.

Uitkomst: Het beroep tegen de gedragsaanwijzing wordt gegrond verklaard en de gedragsaanwijzing wordt opgeheven wegens disproportionaliteit.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer : 08-066922-26
Raadkamernummer : 26-011214
Datum : 13 mei 2026
Beslissing van de meervoudige raadkamer op het beroepschrift op grond van artikel 509hh Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 1985 te [geboorteplaats] (Syrië),
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[woonplaats] ,
hierna te noemen: de verdachte,
bijgestaan door mr. S. Benaskar, advocaat te Utrecht.

1.Het verloop van de procedure

De rechtbank heeft bij beschikking van 15 april 2026 de gevangenhouding van de verdachte verlengd met zestig dagen. Bij beschikking van diezelfde datum heeft de rechtbank de voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van 17 april 2026 geschorst, waarbij als ‘bijzondere’ schorsingsvoorwaarden een meldplicht bij de reclassering en een locatieverbod ten aanzien van de woning van de verdachte zijn opgenomen.
Op 16 april 2026 heeft de officier van justitie aan de verdachte een gedragsaanwijzing opgelegd, inhoudende het bevel aan verdachte:
  • zich niet te bevinden in het dorp [plaats];
  • zich te onthouden van contact met de volgende personen:
o zijn dochter [naam 1] (geboren op [geboortedatum 2] 2012);
o zijn dochter [naam 2] (geboren op [geboortedatum 3] 2013);
o zijn zoon [naam 3] (geboren op [geboortedatum 4] 2018);
o zijn partner [naam 4] (geboren op [geboortedatum 5] 1993).
De enige uitzondering op de contactverboden luidt: contact met voornoemde personen is enkel toegestaan indien de Reclassering en/of Veilig Thuis dit contact voorafgaand uitdrukkelijk schriftelijk toestaat na overleg met het Openbaar Ministerie.
De gedragsaanwijzing is op 16 april 2026 ingegaan en blijft van kracht voor een periode van 90 dagen, tenzij binnen de gestelde termijn, voor deze zaak, een onherroepelijke afdoening heeft plaatsgevonden.
Op 17 april 2026 is ter griffie van deze rechtbank een beroepschrift ontvangen, waarmee de verdachte in beroep is gekomen tegen de hem opgelegde gedragsaanwijzing.
Het Openbaar Ministerie heeft op voorhand zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.
Het verzoek is behandeld in besloten raadkamer van 13 mei 2026. Bij de behandeling zijn de officier van justitie, de verdachte en zijn raadsvrouw gehoord.
De rechtbank heeft kennis genomen van het door de officier van justitie overgelegde dossier van de strafzaak tegen de verdachte.

2.De standpunten van de officier van justitie en de verdachte en de raadsvrouw

Standpunt verdachte en zijn raadsvrouw
De verdachte verzoekt de rechtbank om de gedragsaanwijzing in die zin op te heffen dat de inhoud daarvan in overeenstemming is met de opgelegde schorsingsvoorwaarden. De verdediging stelt zich daartoe op het standpunt dat de rechtbank bij de beslissing tot schorsing van de voorlopige hechtenis uitdrukkelijk geen contactverboden heeft opgelegd. Door middels de gedragsaanwijzing alsnog contactverboden op te leggen, is de officier van justitie in de beslissing van de rechter getreden. Bovendien is er geen noodzaak tot het opleggen van de aanvullende verboden, omdat de rechtbank het recidivegevaar voldoende ingeperkt acht met de opgelegde schorsingsvoorwaarden.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroepschrift ongegrond dient te worden verklaard. De gedragsaanwijzing is noodzakelijk en proportioneel, omdat de veiligheid van de vrouw en kinderen van de verdachte in het geding is en de rechtbank de voorlopige hechtenis heeft geschorst zonder oplegging van een contactverbod.

3.De bevoegdheid van de rechtbank

De rechtbank Overijssel is bevoegd van het beroepschrift kennis te nemen.

4.De beoordeling

Wettelijke voorwaarden
De officier van justitie is op grond van artikel 509hh lid 1 Sv bevoegd een verdachte tegen wie ernstige bezwaren bestaan een gedragsaanwijzing te geven in geval van verdenking van een strafbaar feit
  • waardoor de openbare orde, gelet op het strafbare feit of de samenhang met andere strafbare feiten, dan wel de wijze waarop het strafbare feit is gepleegd, ernstig is verstoord, en waarbij grote vrees voor herhaling bestaat (sub a), dan wel
  • in verband waarmee vrees bestaat voor ernstig belastend gedrag van de verdachte jegens een persoon of personen (sub b), dan wel
  • in verband waarmee vrees bestaat voor gedrag van de verdachte dat herhaald gevaar voor goederen oplevert (sub c), dan wel
  • in verband waarmee vrees bestaat voor gedrag van de verdachte dat herhaald gevaar voor de gezondheid of het welzijn van een of meer dieren oplevert (sub d).
De rechtbank overweegt dat bij beschikking van 15 april 2026, waarbij de gevangenhouding is verlengd, (opnieuw) ernstige bezwaren zijn aangenomen ten aanzien van de verdenking dat de verdachte op 2 maart 2026 te [plaats] zijn dochter [naam 1] heeft mishandeld en in de periode van 2 oktober 2025 tot en met 2 maart 2026 in Nederland zijn kinderen en zijn vrouw heeft mishandeld. Derhalve is sprake van een verdachte tegen wie ernstige bezwaren bestaan in de zin van art. 509hh lid 1 Sv.
Voorts is bij voornoemde beschikking als grond voor de voorlopige hechtenis (opnieuw) recidivegevaar aangenomen, meer in het bijzonder de omstandigheid dat ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat de verdachte (bij invrijheidstelling) een misdrijf zal begaan waardoor de gezondheid of veiligheid van personen in gevaar kan worden gebracht. Gelet daarop, de ernst en aard van de verdenking en de overige omstandigheden zoals die blijken uit het dossier, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van het geval benoemd in art. 509hh lid 1 sub b Sv.
Aan de wettelijke voorwaarden voor het opleggen van een gedragsaanwijzing is dus voldaan.
Proportionaliteit
De rechtbank dient vervolgens te beoordelen of de opgelegde gedragsaanwijzing proportioneel is.
De rechtbank ziet zich daarbij voor de vraag gesteld hoe de opgelegde gedragsaanwijzing zich verhoudt tot de beschikking van 15 april 2026 waarbij de voorlopige hechtenis met ingang van 17 april 2026 onder voorwaarden is geschorst.
Daarbij is ten eerste het karakter van de gedragsaanwijzing als door de officier van justitie op te leggen ‘maatregel’ van belang. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de gedragsaanwijzing met name bedoeld is om het gedrag van de verdachte te beïnvloeden en (nieuw) ernstig belastend gedrag tegen personen te voorkomen in die gevallen dat voorlopige hechtenis niet mogelijk is, omdat de verdenking een misdrijf betreft waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten, omdat geen gronden voor voorlopige hechtenis aanwezig zijn of omdat voorlopige hechtenis een te zwaar middel wordt gevonden. [1] Omdat in dergelijke gevallen schorsing van de voorlopige hechtenis, met schorsingsvoorwaarden die diezelfde doelen nastreven, niet mogelijk is, komt het opleggen van een gedragsaanwijzing (als vangnet) in beeld.
Specifiek ten aanzien van huiselijk geweld, waarvan in deze zaak vermoedelijk ook sprake is, wordt in de Memorie van Toelichting het volgende gezegd: [2]
‘’Wanneer er geen gronden bestaan om iemand die wordt verdacht van misdrijven in verband met het plegen van huiselijk geweld in voorlopige hechtenis te nemen, of wanneer de officier van justitie niet onmiddellijk gebruik wil maken van het zware middel van voorlopige hechtenis, kan aan deze verdachte een gedragsaanwijzing worden gegeven.’’
Voorts is van belang dat voor de officier van justitie, indien zij het niet eens is met de beslissing tot schorsing van de voorlopige hechtenis of de daaraan verbonden voorwaarden, de mogelijkheid bestaat om een vordering tot wijzing schorsing in te dienen (art. 81 lid 1 Sv Pro) of hoger beroep in te stellen (art. 87 lid 1 Sv Pro).
Tenslotte is van belang dat de rechtbank in de onderhavige beschikking tot schorsing van de voorlopige hechtenis onder meer het volgende heeft overwogen:
‘’ De rechtbank ziet voldoende mogelijkheden om het recidivegevaar (…) in te perken middels een meldplicht bij de reclassering en een locatieverbod ten aanzien van de woning van de verdachte.’’
Gelet op al het voorgaande overweegt de rechtbank het volgende. In deze zaak is sprake van voorlopige hechtenis, die met ingang van 17 april 2026 is geschorst onder voorwaarden. Gelet op de hiervoor aangehaalde wetsgeschiedenis is het opleggen van een gedragsaanwijzing in dit soort zaken in beginsel niet passend. Dit geldt te meer nu de rechtbank expliciet heeft overwogen dat het recidivegevaar voldoende kan worden ondervangen middels een meldplicht en een (beperkt) locatieverbod. De officier van justitie heeft andere – gelet op de wetsgeschiedenis en het systeem van de wet meer passende –
mogelijkheden dan het opleggen van een gedragsaanwijzing, om wijziging van de schorsingsvoorwaarden te bewerkstelligen. Door middels de gedragsaanwijzing het locatieverbod uit te breiden en (alsnog) contactverboden op te leggen, is de officier van justitie aan het voorgaande voorbij gegaan.
Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat niet gezegd kan worden dat de gedragsaanwijzing proportioneel is. De rechtbank zal het beroep daarom gegrond verklaren en de gedragsaanwijzing
geheelopheffen.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep
gegronden
heftmet onmiddellijke ingang de gedragsaanwijzing
op.
Deze beschikking is gegeven in raadkamer van deze rechtbank op 13 mei 2026 door:
mr. D. ten Boer, voorzitter,
mr. R.M. van Vuure en mr. W.B. Bruins, rechters,
in tegenwoordigheid van V. Harmsen, griffier.