3.4Het oordeel van de rechtbank
Het bewijs in zedenzaken
De rechtbank stelt voorop dat in zedenzaken bij de beoordeling van het bewijs zich vaak de situatie voordoet dat alleen de aangeefster en de verdachte aanwezig zijn geweest bij de bewuste handelingen. Als de verdachte ontkent, staat de verklaring van de aangeefster in zo’n geval tegenover die van de verdachte. Dat is ook in deze zaak het geval.
Bij de beoordeling van de vraag of er voldoende wettig en overtuigend bewijs is voor de beschuldiging, geldt het volgende. Volgens de wet kan een beschuldiging niet alleen op grond van de verklaring van één getuige (in dit geval de verklaring van alleen de aangeefster) worden bewezen. Ook niet als de rechtbank deze verklaring betrouwbaar vindt. Deze bepaling staat in de wet om ervoor te zorgen dat een deugdelijke bewijsbeslissing wordt genomen. Er moet altijd ander bewijs (steunbewijs) in het dossier zitten om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Uit de rechtspraak kan worden afgeleid dat in zedenzaken niet is vereist dat het misbruik als zodanig bevestiging vindt in ander bewijsmateriaal, maar dat het afdoende is wanneer de verklaring van de aangeefster op onderdelen steun vindt in andere bewijsmiddelen, afkomstig van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Tussen de verklaring en het overige gebezigde bewijsmateriaal mag geen sprake zijn van een te ver verwijderd verband. Of sprake is van voldoende steunbewijs is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
In onderhavige zaak wordt verdachte verweten ontucht, seksuele handelingen, te hebben gepleegd met een minderjarig meisje. De rechtbank stelt voorop dat de strekking van artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) (oud) ziet op bescherming van de lichamelijke en de seksuele integriteit van minderjarigen, waarbij de minderjarigheid een geobjectiveerd bestanddeel vormt. Dit bestanddeel is bewezen als komt vast te staan dat de minderjarige tussen de 12 en 16 jaar oud was. Of verdachte van de minderjarigheid op de hoogte was of niet, is voor de bewezenverklaring niet van belang.
De betrouwbaarheid van het bewijs
De rechtbank kijkt bij het beoordelen van de betrouwbaarheid van de verklaringen onder meer naar hoe concreet, gedetailleerd, authentiek en consistent de verklaring is. De rechtbank wil daar allereerst over opmerken dat het enkele feit dat in verklaringen op onderdelen tegenstrijdigheden voorkomen niet maakt dat deze verklaringen op zichzelf onbetrouwbaar zijn. Er kunnen allerlei omstandigheden een rol spelen waardoor een verklaring op bepaalde punten niet altijd overeenkomt. De beoordeling van de rechtbank vindt plaats in zijn geheel en kijkend naar alle omstandigheden van de specifieke zaak.
In dit kader stelt de rechtbank vast dat de verklaringen van de twee aangeefsters en de twee verdachten op diverse onderdelen uiteenlopen, maar dat zij wel allen verklaren dat zij alle vier op 15 juni 2024 in de woning aan de [adres] aanwezig waren. Nu de verklaringen op andere onderdelen uiteenlopen, zal de rechtbank daarbij enige terughoudendheid betrachten en (onderdelen van) de verklaringen alleen voor het bewijs gebruiken, waar deze worden bevestigd en/of ondersteund door andere bewijsmiddelen, dan wel er geen reden is om te twijfelen aan de juistheid van die verklaringen.
De aangifte
Op 4 juli 2024 heeft moeder van [slachtoffer 1] aangifte gedaan tegen verdachte. Zij verklaart dat [slachtoffer 1] haar vertelde dat verdachte [slachtoffer 1] heeft getongzoend en dat verdachte de handen van [slachtoffer 1] richting zijn penis bracht om hem af te trekken.
[slachtoffer 1] heeft vervolgens tijdens een studioverhoor op 9 juli 2024 verklaard dat zij en [slachtoffer 2] door verdachte en medeverdachte naar een woning werden meegenomen. Verdachte zou [slachtoffer 1] hebben meegenomen naar zijn slaapkamer en zou daar met haar onder dwang seksuele handelingen hebben verricht, waaronder zoenen, het betasten van haar lichaam, het trekken van haar handen richting zijn penis en deze om zijn penis op en neer bewegen en het trekken van haar hoofd richting zijn penis, terwijl [slachtoffer 1] dit niet wilde.
De rechtbank acht de aangifte en de daaropvolgende verklaringen van [slachtoffer 1] tijdens het studioverhoor van 9 juli 2024 betrouwbaar, nu deze gedetailleerd en op hoofdlijnen consistent zijn met betrekking tot de aard van de ontuchtige handelingen en de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden.
Het steunbewijs
Wat betreft het primair tenlastegelegde feit, de verkrachting, overweegt de rechtbank als volgt.
De rechtbank stelt vast dat er in het dossier op het punt van het toepassen van dwang door verdachte geen steunbewijs voorhanden is. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het primair tenlastegelegde feit.
Wat betreft het subsidiair tenlastegelegde feit, ontucht met seksueel binnendringen, overweegt de rechtbank als volgt.
De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer 1] voor het eerst bij het tweede studioverhoor verklaart dat verdachte seks met haar heeft gehad, terwijl zij dit bij haar eerste studioverhoor niet heeft verklaard en bij de afname van het forensisch onderzoek heeft aangegeven dat verdachte niet met zijn penis is binnengedrongen.Verdachte ontkent het binnendringen met de penis. De rechtbank stelt vast dat er onvoldoende bewijs voorhanden is voor het binnendringen met de penis, waardoor zij verdachte zal vrijspreken van het subsidiair ten laste gelegde.
Wat betreft het meer subsidiair tenlastegelegde feit, ontucht zonder seksueel binnendringen, overweegt de rechtbank als volgt.
Verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer 1] meenam naar zijn slaapkamer, dat [slachtoffer 1] hem daar begon te zoenen en dat zij hierbij onverwachts haar hand in zijn broek deed en boven zijn onderbroek in zijn penis kneep. Voorts heeft verdachte verklaard dat [slachtoffer 1] zich niet veilig voelde in de woning en graag weg wilde.
De rechtbank stelt op basis van de verklaring van [slachtoffer 1] en de verklaring van verdachte vast dat er seksuele handelingen hebben plaatsgevonden tussen verdachte en [slachtoffer 1]. De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat [slachtoffer 1] zelf initiatiefnemer was en onverwachts in zijn penis kneep ongeloofwaardig. Onder meer nu dat niet strookt met het feit dat verdachte heeft bevestigd dat [slachtoffer 1] zich onveilig voelde in de woning en graag weg wilde.
Bij [slachtoffer 1] zijn bemonsteringen afgenomen die onderzocht zijn op de aanwezigheid van humane biologische sporen en DNA. Uit de bemonstering van de binnenzijde van de rechter- en linkerhand van [slachtoffer 1] [SIN [code 1] en [code 2]] is een aanwijzing voor aanwezigheid van een relatief kleine hoeveelheid mannelijk DNA en een aanwijzing voor spermavloeistof.Uit de bemonstering van de binnenzijde van de linkerhand is een DNA-mengprofiel van minimaal drie donoren verkregen. Uit dit DNA-mengprofiel kon een relatief grote hoeveelheid DNA worden onderscheiden, waaruit een DNA-profiel van (minimaal) één persoon kon worden afgeleid. Het afgeleide DNA-profiel heeft een matchkans/frequentie van ‘zeer veel waarschijnlijker’. Het DNA-profiel van verdachte komt hiermee overeen. Uit de bemonstering van de binnenzijde van de rechterhand is een DNA-mengprofiel van minimaal vier donoren verkregen. Uit dit DNA-mengprofiel kon een relatief grote hoeveelheid DNA worden onderscheiden, waaruit een DNA-profiel van (minimaal) één persoon kon worden afgeleid. Het afgeleide DNA-profiel heeft een matchkans/frequentie van ‘zeer veel waarschijnlijker’. Het DNA-profiel van verdachte komt hiermee overeen.Uit onderzoek naar de aard van het aangetroffen celmateriaal op de binnenzijde van de linker- en rechterhand van [slachtoffer 1] volgt dat er aanwijzing is voor spermavloeistof.
Om de bewijskracht van de gevonden overeenkomsten te kunnen formuleren in verbale termen van waarschijnlijkheid, zijn er twee hypothesen beschouwd. Hypothese 1:
‘De relatieve grote hoeveelheid van het mannelijk DNA in bemonsteringen [code 1] en [code 2] is afkomstig van verdachte [verdachte] of van een in de mannelijke lijn aan de verdachte verwante man.’is zeer veel waarschijnlijker dan hypothese 2 dat de aangetroffen hoeveelheid afkomstig is van een willekeurig gekozen man die niet in de mannelijke lijn verwant is aan verdachte. De Y-chromosomale afgeleide DNA-hoofdprofielen [code 1] en [code 2] zijn elk zeer veel waarschijnlijker wanneer hypothese 1 waar is, dan wanneer hypothese 2 waar is.
De rechtbank stelt met inachtneming van de rest van het dossier vast dat [verdachte] donor is van een relatief groot deel van het celmateriaal op de binnenzijde van de handen van [slachtoffer 1] en dat er aanwijzing is gevonden voor spermavloeistof.
De rechtbank stelt vast dat deze DNA-bevindingen niet stroken met de verklaring van verdachte dat [slachtoffer 1] zijn penis boven zijn onderbroek zou hebben aangeraakt. De bevindingen passen beter in de verklaring van [slachtoffer 1] dat zij verdachte zou hebben afgetrokken.
Tot slot ziet de rechtbank steun in de getuigenverklaring van de zus van [slachtoffer 2]. Zij heeft verklaard dat zij direct na de gebeurtenis [slachtoffer 1] huilend naar buiten zag komen en dat [slachtoffer 1] haar vertelde dat zij seksueel misbruikt was door verdachte en dat zij hem moest aftrekken of pijpen.Over het pijpen heeft [slachtoffer 1] verklaard dat verdachte haar daar wel toe bewoog, maar dat het uiteindelijk niet heeft plaatsgevonden. Gelet op het feit dat deze waarneming van de emotie direct na de gebeurtenis heeft plaatsgevonden, ziet de rechtbank hierin objectieve steun voor de verklaring van [slachtoffer 1].
De rechtbank komt op grond van voorstaande tot een bewezenverklaring van het meer subsidiaire feit.
Gelet op wat de rechtbank met betrekking tot het subsidiaire feit heeft overwogen ten aanzien van het binnendringen van het lichaam, ziet de rechtbank onvoldoende bewijs voor het onderdeel in de tenlastelegging dat er seks zou hebben plaatsgevonden. De rechtbank komt ten aanzien van deze seksuele handeling tot een partiële vrijspraak.