ECLI:NL:RBOVE:2026:270

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
22 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
08.102256.25 (P)
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling van verdachte voor ontuchtige handelingen met minderjarige

Op 22 januari 2026 heeft de Rechtbank Overijssel uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van ontuchtige handelingen met een minderjarig meisje, geboren op 20 januari 2012. De rechtbank heeft de verdachte schuldig bevonden aan het meer subsidiaire feit van ontuchtige handelingen, gepleegd op 15 juni 2024 in Zwolle. De verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 180 dagen, waarvan 179 dagen voorwaardelijk, en een taakstraf van 200 uren. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte het slachtoffer, een twaalfjarig meisje, heeft meegenomen naar zijn woning, waar seksuele handelingen hebben plaatsgevonden. De rechtbank heeft echter onvoldoende bewijs gevonden voor de primair en subsidiair ten laste gelegde feiten van verkrachting en seksueel binnendringen. De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van deze beschuldigingen. De rechtbank heeft ook rekening gehouden met de psychische problematiek van de verdachte en de kwetsbaarheid van het slachtoffer. De verdachte moet zich melden bij de reclassering en er is een contactverbod opgelegd met het slachtoffer. De benadeelde partij, het slachtoffer, heeft een schadevergoeding van € 7.500 gevorderd, maar de rechtbank heeft deze vordering niet-ontvankelijk verklaard, omdat er onvoldoende bewijs was voor geestelijk letsel.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 08.102256.25 (P)
Datum vonnis: 22 januari 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 1999 in [geboorteplaats],
wonende aan [woonplaats].

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting 8 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsvrouw mr. J.H. Rump, advocaat in Zwolle, naar voren is gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van de namens [slachtoffer 1] voorgedragen slachtofferverklaring en van wat namens de benadeelde partij door mr. M.J. Ellenbroek is aangevoerd.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 15 juni 2024 in Zwolle:
primair:een twaalfjarig meisje heeft verkracht;
subsidiair:seksuele handelingen heeft verricht met een twaalfjarig meisje welke handelingen (mede) bestaan uit het seksueel binnendringen van haar lichaam;
meer subsidiair: seksuele handelingen heeft verricht met een twaalfjarig meisje.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
primair
hij op of omstreeks 15 juni 2024 te Zwolle, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, [slachtoffer 1], heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1], door
- zijn penis in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [slachtoffer 1] te brengen
en/of heen en weer te bewegen en/of
- zich door die [slachtoffer 1] te laten aftrekken, althans die [slachtoffer 1] zijn penis te laten aanraken/betasten en/of
- de billen en/of de borsten van die [slachtoffer 1] aan te raken/te betasten en/of
- die [slachtoffer 1] te (tong)zoenen,
en bestaande dat geweld of die één of meer andere feitelijkheden en/of die bedreiging met geweld en/of die één of meer feitelijkheden hierin dat verdachte
- die [slachtoffer 1] (onder dwang) heeft meegenomen naar zijn woning en/of
- de deur op slot heeft gedraaid en/of
- die [slachtoffer 1] (onder dwang) heeft meegenomen naar de slaapkamer en/of
- ( meermaals) de hand van die [slachtoffer 1] heeft vastgepakt en in de richting van zijn penis heeft gebracht en/of
- ( meermaals) het hoofd van die [slachtoffer 1] omlaag, in de richting van zijn penis, heeft getrokken/geduwd en/of
- ( meermaals) tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd dat hij seks met haar wilde en/of
- ( meermaals) tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd “als je geen seks wil laat ik je alle hoeken van de kamer zien” en/of “ik sla je met je kop tegen de kamer aan”, althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking en/of
- de broek en onderbroek van die [slachtoffer 1] omlaag heeft getrokken en/of
- misbruik heeft gemaakt van het uit (een) feitelijke verhouding(en) voortvloeiend psychisch overwicht van hem, verdachte, op die [slachtoffer 1], bestaande dat overwicht uit het leeftijdsverschil en/of
- misbruik heef gemaakt van zijn fysieke overwicht op die [slachtoffer 1] en/of
- meermalen voorbij is gegaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van verzet/weerstand van die [slachtoffer 1] en/of
- ( aldus) voor die [slachtoffer 1] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;
subsidiair
hij op of omstreeks 15 juni 2024 te Zwolle, met [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum 2] 2012, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt,
een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1], te weten
- het brengen en/of heen en weer bewegen van zijn penis in de vagina en/of tussen
de schaamlippen van die [slachtoffer 1] en/of
- het zich door die [slachtoffer 1] te laten aftrekken, althans die [slachtoffer 1] zijn penis te laten aanraken/betasten en/of
- de billen en/of de borsten van die [slachtoffer 1] aan te raken/te betasten en/of
- het (tong)zoenen van die [slachtoffer 1];
meer subsidiair
hij op of omstreeks 15 juni 2024 te Zwolle, met [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum 2] 2012, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten
- het brengen en/of heen en weer bewegen van zijn penis in de vagina en/of tussen
de schaamlippen van die [slachtoffer 1]
- het zich door die [slachtoffer 1] te laten aftrekken, althans die [slachtoffer 1] zijn penis te laten aanraken/betasten en/of
- de billen en/of de borsten van die [slachtoffer 1] aan te raken/te betasten en/of
- het (tong)zoenen van die [slachtoffer 1].

3.De bewijsmotivering

3.1
Inleiding
Op 15 juni 2024 zijn verdachte (toen 24 jaar) en medeverdachte [medeverdachte] (toen 28 jaar) in het Wezenlandenpark in Zwolle, waar op dat moment het foodfestival ‘Lepeltje Lepeltje’ plaatsvindt. Ze ontmoeten daar [slachtoffer 2] (15 jaar) en [slachtoffer 1] (12 jaar). Ze kennen elkaar niet, maar er ontstaat een gesprek tussen de mannen en de meisjes. Later die middag zou er in de woning van verdachte aan de [adres] seksuele handelingen hebben plaatsgevonden tussen verdachte en [slachtoffer 1] en tussen medeverdachte en [slachtoffer 2]. De verklaringen van de mannen en de meisjes lopen uiteen over in hoeverre de meisjes vrijwillig in de woning waren, wat er precies heeft plaatsgevonden en of de meisjes vrijwillig seksuele handelingen verrichtten en ondergingen. De meisjes verklaren dat ze werden gedwongen om mee te gaan en de seksuele handelingen te verrichten en de mannen verklaren dat wat er gebeurd is vrijwillig en op initiatief van de meisjes gebeurde. Na de gebeurtenissen in de woning doen beide meisjes aangifte van verkrachting.
3.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat voor het primaire en subsidiaire feit onvoldoende bewijs is in het dossier. Het meer subsidiaire feit kan wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.
3.3
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Verdachte ontkent de ontuchtige handelingen gepleegd te hebben. De verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] komen niet overeen met elkaar en dienen derhalve te worden uitgesloten van het bewijs.
3.4
Het oordeel van de rechtbank
Het bewijs in zedenzaken
De rechtbank stelt voorop dat in zedenzaken bij de beoordeling van het bewijs zich vaak de situatie voordoet dat alleen de aangeefster en de verdachte aanwezig zijn geweest bij de bewuste handelingen. Als de verdachte ontkent, staat de verklaring van de aangeefster in zo’n geval tegenover die van de verdachte. Dat is ook in deze zaak het geval.
Bij de beoordeling van de vraag of er voldoende wettig en overtuigend bewijs is voor de beschuldiging, geldt het volgende. Volgens de wet kan een beschuldiging niet alleen op grond van de verklaring van één getuige (in dit geval de verklaring van alleen de aangeefster) worden bewezen. Ook niet als de rechtbank deze verklaring betrouwbaar vindt. Deze bepaling staat in de wet om ervoor te zorgen dat een deugdelijke bewijsbeslissing wordt genomen. Er moet altijd ander bewijs (steunbewijs) in het dossier zitten om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Uit de rechtspraak kan worden afgeleid dat in zedenzaken niet is vereist dat het misbruik als zodanig bevestiging vindt in ander bewijsmateriaal, maar dat het afdoende is wanneer de verklaring van de aangeefster op onderdelen steun vindt in andere bewijsmiddelen, afkomstig van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Tussen de verklaring en het overige gebezigde bewijsmateriaal mag geen sprake zijn van een te ver verwijderd verband. Of sprake is van voldoende steunbewijs is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
In onderhavige zaak wordt verdachte verweten ontucht, seksuele handelingen, te hebben gepleegd met een minderjarig meisje. De rechtbank stelt voorop dat de strekking van artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) (oud) ziet op bescherming van de lichamelijke en de seksuele integriteit van minderjarigen, waarbij de minderjarigheid een geobjectiveerd bestanddeel vormt. Dit bestanddeel is bewezen als komt vast te staan dat de minderjarige tussen de 12 en 16 jaar oud was. Of verdachte van de minderjarigheid op de hoogte was of niet, is voor de bewezenverklaring niet van belang.
De betrouwbaarheid van het bewijs
De rechtbank kijkt bij het beoordelen van de betrouwbaarheid van de verklaringen onder meer naar hoe concreet, gedetailleerd, authentiek en consistent de verklaring is. De rechtbank wil daar allereerst over opmerken dat het enkele feit dat in verklaringen op onderdelen tegenstrijdigheden voorkomen niet maakt dat deze verklaringen op zichzelf onbetrouwbaar zijn. Er kunnen allerlei omstandigheden een rol spelen waardoor een verklaring op bepaalde punten niet altijd overeenkomt. De beoordeling van de rechtbank vindt plaats in zijn geheel en kijkend naar alle omstandigheden van de specifieke zaak.
In dit kader stelt de rechtbank vast dat de verklaringen van de twee aangeefsters en de twee verdachten op diverse onderdelen uiteenlopen, maar dat zij wel allen verklaren dat zij alle vier op 15 juni 2024 in de woning aan de [adres] aanwezig waren. Nu de verklaringen op andere onderdelen uiteenlopen, zal de rechtbank daarbij enige terughoudendheid betrachten en (onderdelen van) de verklaringen alleen voor het bewijs gebruiken, waar deze worden bevestigd en/of ondersteund door andere bewijsmiddelen, dan wel er geen reden is om te twijfelen aan de juistheid van die verklaringen.
De aangifte
Op 4 juli 2024 heeft moeder van [slachtoffer 1] aangifte gedaan tegen verdachte. Zij verklaart dat [slachtoffer 1] haar vertelde dat verdachte [slachtoffer 1] heeft getongzoend en dat verdachte de handen van [slachtoffer 1] richting zijn penis bracht om hem af te trekken. [1]
[slachtoffer 1] heeft vervolgens tijdens een studioverhoor op 9 juli 2024 verklaard dat zij en [slachtoffer 2] door verdachte en medeverdachte naar een woning werden meegenomen. Verdachte zou [slachtoffer 1] hebben meegenomen naar zijn slaapkamer en zou daar met haar onder dwang seksuele handelingen hebben verricht, waaronder zoenen, het betasten van haar lichaam, het trekken van haar handen richting zijn penis en deze om zijn penis op en neer bewegen en het trekken van haar hoofd richting zijn penis, terwijl [slachtoffer 1] dit niet wilde. [2]
De rechtbank acht de aangifte en de daaropvolgende verklaringen van [slachtoffer 1] tijdens het studioverhoor van 9 juli 2024 betrouwbaar, nu deze gedetailleerd en op hoofdlijnen consistent zijn met betrekking tot de aard van de ontuchtige handelingen en de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden.
Het steunbewijs
Wat betreft het primair tenlastegelegde feit, de verkrachting, overweegt de rechtbank als volgt.
De rechtbank stelt vast dat er in het dossier op het punt van het toepassen van dwang door verdachte geen steunbewijs voorhanden is. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het primair tenlastegelegde feit.
Wat betreft het subsidiair tenlastegelegde feit, ontucht met seksueel binnendringen, overweegt de rechtbank als volgt.
De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer 1] voor het eerst bij het tweede studioverhoor verklaart dat verdachte seks met haar heeft gehad, terwijl zij dit bij haar eerste studioverhoor niet heeft verklaard en bij de afname van het forensisch onderzoek heeft aangegeven dat verdachte niet met zijn penis is binnengedrongen. [3] Verdachte ontkent het binnendringen met de penis. De rechtbank stelt vast dat er onvoldoende bewijs voorhanden is voor het binnendringen met de penis, waardoor zij verdachte zal vrijspreken van het subsidiair ten laste gelegde.
Wat betreft het meer subsidiair tenlastegelegde feit, ontucht zonder seksueel binnendringen, overweegt de rechtbank als volgt.
Verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer 1] meenam naar zijn slaapkamer, dat [slachtoffer 1] hem daar begon te zoenen en dat zij hierbij onverwachts haar hand in zijn broek deed en boven zijn onderbroek in zijn penis kneep. Voorts heeft verdachte verklaard dat [slachtoffer 1] zich niet veilig voelde in de woning en graag weg wilde. [4]
De rechtbank stelt op basis van de verklaring van [slachtoffer 1] en de verklaring van verdachte vast dat er seksuele handelingen hebben plaatsgevonden tussen verdachte en [slachtoffer 1]. De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat [slachtoffer 1] zelf initiatiefnemer was en onverwachts in zijn penis kneep ongeloofwaardig. Onder meer nu dat niet strookt met het feit dat verdachte heeft bevestigd dat [slachtoffer 1] zich onveilig voelde in de woning en graag weg wilde.
Bij [slachtoffer 1] zijn bemonsteringen afgenomen die onderzocht zijn op de aanwezigheid van humane biologische sporen en DNA. Uit de bemonstering van de binnenzijde van de rechter- en linkerhand van [slachtoffer 1] [SIN [code 1] en [code 2]] is een aanwijzing voor aanwezigheid van een relatief kleine hoeveelheid mannelijk DNA en een aanwijzing voor spermavloeistof. [5] Uit de bemonstering van de binnenzijde van de linkerhand is een DNA-mengprofiel van minimaal drie donoren verkregen. Uit dit DNA-mengprofiel kon een relatief grote hoeveelheid DNA worden onderscheiden, waaruit een DNA-profiel van (minimaal) één persoon kon worden afgeleid. Het afgeleide DNA-profiel heeft een matchkans/frequentie van ‘zeer veel waarschijnlijker’. Het DNA-profiel van verdachte komt hiermee overeen. Uit de bemonstering van de binnenzijde van de rechterhand is een DNA-mengprofiel van minimaal vier donoren verkregen. Uit dit DNA-mengprofiel kon een relatief grote hoeveelheid DNA worden onderscheiden, waaruit een DNA-profiel van (minimaal) één persoon kon worden afgeleid. Het afgeleide DNA-profiel heeft een matchkans/frequentie van ‘zeer veel waarschijnlijker’. Het DNA-profiel van verdachte komt hiermee overeen. [6] Uit onderzoek naar de aard van het aangetroffen celmateriaal op de binnenzijde van de linker- en rechterhand van [slachtoffer 1] volgt dat er aanwijzing is voor spermavloeistof. [7]
Om de bewijskracht van de gevonden overeenkomsten te kunnen formuleren in verbale termen van waarschijnlijkheid, zijn er twee hypothesen beschouwd. Hypothese 1:
‘De relatieve grote hoeveelheid van het mannelijk DNA in bemonsteringen [code 1] en [code 2] is afkomstig van verdachte [verdachte] of van een in de mannelijke lijn aan de verdachte verwante man.’is zeer veel waarschijnlijker dan hypothese 2 dat de aangetroffen hoeveelheid afkomstig is van een willekeurig gekozen man die niet in de mannelijke lijn verwant is aan verdachte. De Y-chromosomale afgeleide DNA-hoofdprofielen [code 1] en [code 2] zijn elk zeer veel waarschijnlijker wanneer hypothese 1 waar is, dan wanneer hypothese 2 waar is. [8]
De rechtbank stelt met inachtneming van de rest van het dossier vast dat [verdachte] donor is van een relatief groot deel van het celmateriaal op de binnenzijde van de handen van [slachtoffer 1] en dat er aanwijzing is gevonden voor spermavloeistof.
De rechtbank stelt vast dat deze DNA-bevindingen niet stroken met de verklaring van verdachte dat [slachtoffer 1] zijn penis boven zijn onderbroek zou hebben aangeraakt. De bevindingen passen beter in de verklaring van [slachtoffer 1] dat zij verdachte zou hebben afgetrokken. [9]
Tot slot ziet de rechtbank steun in de getuigenverklaring van de zus van [slachtoffer 2]. Zij heeft verklaard dat zij direct na de gebeurtenis [slachtoffer 1] huilend naar buiten zag komen en dat [slachtoffer 1] haar vertelde dat zij seksueel misbruikt was door verdachte en dat zij hem moest aftrekken of pijpen. [10] Over het pijpen heeft [slachtoffer 1] verklaard dat verdachte haar daar wel toe bewoog, maar dat het uiteindelijk niet heeft plaatsgevonden. Gelet op het feit dat deze waarneming van de emotie direct na de gebeurtenis heeft plaatsgevonden, ziet de rechtbank hierin objectieve steun voor de verklaring van [slachtoffer 1].
De rechtbank komt op grond van voorstaande tot een bewezenverklaring van het meer subsidiaire feit.
Gelet op wat de rechtbank met betrekking tot het subsidiaire feit heeft overwogen ten aanzien van het binnendringen van het lichaam, ziet de rechtbank onvoldoende bewijs voor het onderdeel in de tenlastelegging dat er seks zou hebben plaatsgevonden. De rechtbank komt ten aanzien van deze seksuele handeling tot een partiële vrijspraak.
3.5
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het meer subsidiaire tenlastegelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 15 juni 2024 te Zwolle, met [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum 2] 2012, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten
- het zich door die [slachtoffer 1] te laten aftrekken, en
- de billen en de borsten van die [slachtoffer 1] te betasten en
- het zoenen van die [slachtoffer 1].
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 247 Sr (oud). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het meer subsidiaire bewezenverklaarde feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
meer subsidiair
het misdrijf: met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen.

5.De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het meer subsidiaire bewezenverklaarde feit.

6.De op te leggen straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Aard en ernst van het strafbare feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ontucht door seksuele handelingen te verrichten met een twaalfjarig meisje. Verdachte heeft het meisje die middag voor het eerst ontmoet op een foodfestival. Later die middag hebben er in zijn huis seksuele handelingen plaatsgevonden tussen verdachte en het meisje.
Van minderjarigen wordt uitgegaan dat ze in het algemeen niet of onvoldoende in staat zijn hun seksuele integriteit te bewaken. Het slachtoffer betreft een jong, kwetsbaar meisje. Ze is meegenomen naar de woning van verdachte, waar verdachte seksuele handelingen met haar heeft verricht. Het is bij de seksuele handelingen weliswaar niet gekomen tot seksueel binnendringen, en gebleven bij ontuchtige handelingen. Er was sprake van een aanzienlijk leeftijdsverschil van twaalf jaar. Dit neemt de rechtbank verdachte kwalijk.
De psychische gevolgen en de negatieve gevolgen voor haar seksuele ontwikkeling kunnen groot zijn. Dat volgt ook uit het spreekrecht dat namens de moeder van aangeefster is uitgeoefend. De gebeurtenissen op 15 juni 2024 hebben veel indruk op [slachtoffer 1] gemaakt.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van verdachte van 30 oktober 2025. Verdachte heeft eerder een strafbeschikking opgelegd gekregen voor een strafbaar feit, maar niet voor een seksueel misdrijf. Dit betekent dat het strafblad niet strafverzwarend werkt op de op te leggen straf.
De reclassering heeft op 6 oktober 2025 een rapport over verdachte opgemaakt. Uit dit rapport volgt dat er bij verdachte sprake is van autisme en beperkte cognitieve vaardigheden. Verdachte heeft in het verleden een traumatische gebeurtenis meegemaakt. De kwetsbaarheid van verdachte lijkt te hebben bijgedragen aan het onvoldoende weerbaar zijn en het niet voldoende kunnen inschatten van de situatie. De rechtbank zal het feit vanwege zijn psychische problematiek en beperkingen in verminderde mate aan verdachte toe rekenen.
Betrokkene woont in een begeleide woonvoorziening en wordt begeleid door Trajectum. De kans op herhaling van een soort gelijk strafbaar feit kan niet goed door de reclassering worden ingeschat doordat verdachte ontkent. Het feit dat verdachte is ingebed in zorg/hulpverlening wordt gezien als beschermende factor.
De reclassering adviseert een meldplicht, ambulante behandeling en een contactverbod aan verdachte op te leggen.
Strafoplegging
De rechtbank is van oordeel dat dit soort feiten in beginsel het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigen, maar vanwege het hiervoor overwogene met betrekking tot de persoon van verdachte, zal de rechtbank de gevangenisstraf voorwaardelijk aan verdachte opleggen. Op die wijze wordt ook voorkomen dat de reeds ingezette zorg/hulpverlening wordt doorkruist.
De rechtbank acht een taakstraf voor de duur van 200 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met aftrek van het voorarrest en een proeftijd van drie jaren passend en geboden. De rechtbank zal aan de voorwaardelijke gevangenisstraf bijzondere voorwaarden verbinden, te weten: een meldplicht en ambulante behandeling. De rechtbank zal een contactverbod opleggen met aangeefster, maar ziet geen noodzaak om een contactverbod op te leggen ten aanzien van de medeverdachte en [slachtoffer 2] omdat er tussen verdachte en hen geen contact meer is geweest sinds dit incident.

7.De schade van benadeelde partij [slachtoffer 1]

7.1
De vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. Zij vordert verdachte te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van € 7.500, - ter vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2024 en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voldoende is toegelicht en hem niet onbillijk voorkomt. Tegelijkertijd kan de officier van justitie zich voorstellen dat vrijspraak van het primaire en subsidiaire feit (waartoe door hem is gerekwireerd) ertoe leidt dat niet het gehele bedrag toewijsbaar is.
7.3
het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij moet worden afgewezen, omdat verdachte integraal moet worden vrijgesproken. Met betrekking tot de omvang van de vordering heeft de verdediging naar voren gebracht dat deze is gebaseerd op een verkrachting met vergaande seksuele handelingen, terwijl daarvan in ieder geval geen sprake is.
Voor het geval de rechtbank wel tot een veroordeling komt, heeft de verdediging aan de orde gesteld dat bewijs voor zowel de gestelde psychische problematiek bij [slachtoffer 1] als het causaal verband met de gebeurtenissen op 15 juni 2024 ontbreekt.
7.4
Het oordeel van de rechtbank
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. In deze zaak is de vordering van de benadeelde partij gebaseerd op de laatstgenoemde grond.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Daarnaast geldt dat de klachten ‘normaal’ psychisch onbehagen als gevolg van een heftige gebeurtenis (zoals angst, stress, gegriefdheid of machteloosheid) moeten overstijgen.
Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. Op de benadeelde rust ook dan in beginsel een (stevige) stelplicht. Zij zal in beginsel moeten stellen en met concrete gegevens moeten onderbouwen dat de ernstige normschending dermate ingrijpende gevolgen voor haar heeft gehad, dat zij in haar persoon is aangetast. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.
De rechtbank stelt vast dat de gestelde psychische schade en/of nadelige gevolgen voor [slachtoffer 1] in deze zaak niet met stukken (zoals verslagen van een psycholoog/psychiater, huisarts of andere hulpverlener) zijn onderbouwd. Namens [slachtoffer 1] is aangevoerd dat de nadelige gevolgen zodanig voor de hand liggen dat deze zonder nadere onderbouwing kunnen worden aangenomen.
Bij de beoordeling van dit standpunt acht de rechtbank van belang dat in deze zaak, zoals hiervoor is overwogen, onvoldoende steunbewijs aanwezig is voor seksueel binnendringen en het toepassen van dwang. Over het verloop van de dag en in het bijzonder de aanwezigheid van dwang lopen de verklaringen van de betrokkenen sterk uiteen.
Gelet op deze omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank, ondanks de jonge leeftijd van [slachtoffer 1], geen sprake van de voornoemde uitzonderingssituatie waarin de nadelige gevolgen kunnen worden voorondersteld. Dit betekent dat zonder nadere onderbouwing niet kan worden aangenomen dat [slachtoffer 1] op andere wijze in haar persoon is aangetast als bedoeld in artikel 6:106 lid 1 sub b BW. De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om haar vordering alsnog te onderbouwen, omdat dit zou leiden tot een te grote belasting van deze strafprocedure.
De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in haar vordering en dat zij haar vordering slechts kan voorleggen aan de burgerlijke rechter.

8.De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op het hiervoor genoemde wetsartikel. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d Sr.

9.De beslissing

De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat verdachte het primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
meer subsidiair:
het misdrijf: met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen.
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het meer subsidiair bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
180 (honderdtachtig) dagen;
- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van
179 dagen (honderdnegenenzeventig) niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de
proeftijd van drie jarende navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:
- stelt als
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
De rechter kan de tenuitvoerlegging ook gelasten indien verdachte gedurende de
proeftijd van drie jarende navolgende bijzondere voorwaarden niet is nagekomen:
- stelt als
bijzondere voorwaardendat verdachte:
- zich meldt binnen drie dagen na het ingaan van de proeftijd bij Reclassering Nederland op het adres Dobbe 70-74, 8032 JX in Zwolle (telefoonnummer: 088 8041403). Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo frequent en zo lang de reclassering dat nodig acht;
- zich ambulant laat behandelen door Trajectum Zwolle of een soortgelijke zorgverlener, ter beoordeling van de reclassering, indien en zo lang als de reclassering dit noodzakelijk acht. Verdachte zal zich dan houden aan de regels die door of namens de zorgverlener zullen worden gegeven;
- op geen enkele wijze contact opneemt en/of onderhoudt met [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum 2] 2012, zo lang de reclassering dit nodig acht;
- draagt de reclassering op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat verdachte:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
- veroordeelt verdachte tot een
taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van
200 (tweehonderd) uren;
- beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat
vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van
100 (honderd) dagen;
schadevergoeding [slachtoffer 1]
- bepaalt dat de benadeelde partij in het geheel niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Dit vonnis is gewezen door mr G.H. Meijer, voorzitter, mr. S.K. Huisman en mr. R.J. Postma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Y.W. van den Bosch en mr. E.A.N. Sjerps, griffiers, en is in het openbaar uitgesproken 22 januari 2026.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit de digitaal genummerde pagina’s uit het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2024275650. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
2.Het proces-verbaal van het eerste studioverhoor van [slachtoffer 1] , van 9 juli 2024, pagina 187 tot en met 207.
3.Het proces-verbaal van het tweede studioverhoor van [slachtoffer 1] van 20 augustus 2024, pagina 217 tot en met 231; Het proces-verbaal forensisch onderzoek persoon [slachtoffer 1] van 15 juni 2024, pagina 143 tot en met 145.
4.Verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 8 januari 2026.
5.NFI-rapport onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek n.a.v. melding van een zedenmisdrijf in Zwolle op 15 juni 2024, pagina 339 tot en met 340.
6.NFI-rapport onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek n.a.v. melding van een zedenmisdrijf in Zwolle op 15 juni 2024, pagina 343.
7.NFI-rapport onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek n.a.v. melding van een zedenmisdrijf in Zwolle op 15 juni 2024, pagina 333.
8.NFI-rapport onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek n.a.v. melding van een zedenmisdrijf in Zwolle op 15 juni 2024, pagina 344.
9.Het proces-verbaal van het eerste studioverhoor van [slachtoffer 1] van 9 juli 2024, pagina 187 tot en met 207.
10.Het proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2] van 28 juni 2024, pagina 89 tot en met 92.