ECLI:NL:RBOVE:2026:271

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
22 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
08.102254.25 (P)
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling van verdachte voor ontuchtige handelingen met een minderjarige

Op 22 januari 2026 heeft de Rechtbank Overijssel uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van ontuchtige handelingen met een vijftienjarig meisje. De rechtbank heeft de verdachte schuldig bevonden aan het plegen van ontuchtige handelingen, waaronder het seksueel binnendringen van het lichaam van het slachtoffer. De feiten vonden plaats op 15 juni 2024 in Zwolle, waar de verdachte en een medeverdachte het slachtoffer en een andere minderjarige ontmoetten op een foodfestival. Later die dag zijn de meisjes naar de woning van de medeverdachte meegenomen, waar seksuele handelingen hebben plaatsgevonden. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verklaringen van de betrokkenen uiteenlopen, maar dat er voldoende bewijs is voor de subsidiaire tenlastelegging van ontucht. De verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 180 dagen, waarvan 179 dagen voorwaardelijk, en een taakstraf van 200 uren. De rechtbank heeft ook de vordering van de benadeelde partij, het slachtoffer, afgewezen, omdat er onvoldoende bewijs was voor geestelijk letsel als gevolg van de handelingen van de verdachte.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 08.102254.25 (P)
Datum vonnis: 22 januari 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 1996 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [woonplaats] .

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 8 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. A.R. Maarsingh, advocaat in Deventer, naar voren is gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van wat namens de benadeelde partij [slachtoffer 1] door mr. A.D. Arends is aangevoerd.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 15 juni 2024 in Zwolle:
primair:een vijftienjarig meisje heeft verkracht;
subsidiair:seksuele handelingen heeft verricht met een vijftienjarig meisje welke handelingen (mede) bestaan uit het seksueel binnendringen van haar lichaam;
meer subsidiair: seksuele handelingen heeft verricht met een vijftienjarig meisje.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
primair
hij op of omstreeks 15 juni 2024 te Zwolle, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, [slachtoffer 1] , heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , door
- zijn penis, in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [slachtoffer 1] te brengen en/of heen en weer te bewegen en/of
- zijn penis tegen de vulva, althans tegen het lichaam, van die [slachtoffer 1] te drukken en/of te houden en/of
- zijn penis in de mond van die [slachtoffer 1] te brengen en/of heen en weer te bewegen en/of
- zijn vinger(s) in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [slachtoffer 1] te brengen en/of heen en weer te bewegen en/of
- zich door die [slachtoffer 1] te laten aftrekken en/of
- de borsten en/of de billen van die [slachtoffer 1] te betasten en/of
- die [slachtoffer 1] te (tong)zoenen
en bestaande dat geweld of die één of meer andere feitelijkheden en/of die bedreiging met geweld en/of die één of meer feitelijkheden hierin dat verdachte
- die [slachtoffer 1] (onder dwang) heeft meegenomen naar zijn woning en/of
- de deur op slot heeft gedraaid en/of
- die [slachtoffer 1] (onder dwang) heeft meegenomen naar de woonkamer en/of
- die [slachtoffer 1] (aan haar haren) omlaag, in de richting van zijn penis, heeft getrokken en/of
- die [slachtoffer 1] heeft vastgepakt en haar op de bank heeft getrokken en/of gelegd en/of
- ( meermaals) tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd dat hij seks met haar wilde en/of
- ( meermaals) tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd “als je nou niks doet, dan steek ik je neer en ga ik je slaan” en/of “doe nu open, want anders ga ik je slaan” en/of “doe je broek uit. Als je nu niet meedoet steek ik je neer” en/of “we gaan het nu ook doen en je gaat ook meewerken nu”, althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking en/of
- de broek en onderbroek van die [slachtoffer 1] omlaag heeft getrokken en/of
- misbruik heeft gemaakt van het uit (een) feitelijke verhouding(en) voortvloeiend psychisch overwicht van hem, verdachte, op die [slachtoffer 1] , bestaande dat overwicht uit het leeftijdsverschil en/of
- misbruik heef gemaakt van zijn fysieke overwicht op die [slachtoffer 1] en/of
- meermalen voorbij is gegaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van verzet/weerstand van die [slachtoffer 1] en/of
- ( aldus) voor die [slachtoffer 1] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;
subsidiair
hij op of omstreeks 15 juni 2024 te Zwolle, met [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2008, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt,
een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , te weten
- het in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [slachtoffer 1] brengen en/of heen en weer bewegen van zijn penis en/of
- het drukken en/of houden van zijn penis tegen de vulva, althans tegen het lichaam, van die [slachtoffer 1] en/of
- het brengen en/of heen en weer bewegen van zijn penis in de mond van die [slachtoffer 1] en/of
- het brengen en/of heen en weer bewegen van zijn vinger(s) in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [slachtoffer 1] en/of
- het zich laten aftrekken door die [slachtoffer 1] en/of
- het betasten van de borsten en/of de billen van die [slachtoffer 1] en/of
- het (tong)zoenen van die [slachtoffer 1] ;
meer subsidiair
hij op of omstreeks 15 juni 2024 te Zwolle, met [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2008, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten
- het brengen en/of heen en weer bewegen van zijn penis in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [slachtoffer 1] en/of
- het drukken en/of houden van zijn penis tegen de vulva, althans tegen het lichaam, van die [slachtoffer 1] en/of
- het brengen en/of heen en weer bewegen van zijn penis in de mond van die [slachtoffer 1] en/of
- het brengen en/of heen en weer bewegen van zijn vinger(s) in de vagina en/of tussen de schaamlippen van die [slachtoffer 1] en/of
- het zich laten aftrekken door die [slachtoffer 1] en/of
- het betasten van de borsten en/of de billen van die [slachtoffer 1] en/of
- het (tong)zoenen van die [slachtoffer 1] .

3.De bewijsmotivering

3.1
Inleiding
Op 15 juni 2024 zijn verdachte (28 jaar) en medeverdachte [medeverdachte] (24 jaar) in het Wezenlandenpark in Zwolle waar op dat moment het foodfestival ‘Lepeltje Lepeltje’ plaatsvindt. Ze ontmoeten daar [slachtoffer 1] (15 jaar) en [slachtoffer 2] (12 jaar). Ze kennen elkaar niet, maar er ontstaat een gesprek tussen de mannen en de meisjes.
Later die middag zouden er in de woning van medeverdachte [medeverdachte] aan de [adres] seksuele handelingen hebben plaatsgevonden tussen verdachte en [slachtoffer 1] en tussen medeverdachte en [slachtoffer 2] . De verklaringen van de mannen en de meisjes lopen uiteen over in hoeverre de meisjes vrijwillig in de woning waren, wat er precies heeft plaatsgevonden en of de meisjes vrijwillig de seksuele handelingen verrichtten en ondergingen. De meisjes verklaren dat ze werden gedwongen om mee te gaan en de seksuele handelingen te verrichten en de mannen verklaren dat dit alles vrijwillig en op initiatief van de meisjes gebeurde. Na de gebeurtenissen in de woning doen beide meisjes aangifte van verkrachting.
3.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat voor het primaire feit onvoldoende steunbewijs is voor het onder dwang verrichten van seksuele handelingen. Daarentegen kan het subsidiaire feit wel wettig en overtuigend bewezen worden.
3.3
Het standpunt van de verdediging
De raadsman stelt zich op het standpunt dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primaire feit. Op basis van de verklaring van verdachte kan het subsidiaire feit wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.
3.4
Het oordeel van de rechtbank
Het bewijs in zedenzaken
De rechtbank stelt voorop dat in zedenzaken bij de beoordeling van het bewijs zich vaak de situatie voordoet dat alleen de aangeefster en de verdachte aanwezig zijn geweest bij de bewuste handelingen. Als de verdachte ontkent, staat de verklaring van de aangeefster in zo’n geval tegenover die van de verdachte. Dat is ook in deze zaak het geval.
Bij de beoordeling van de vraag of er voldoende wettig en overtuigend bewijs is voor de beschuldiging, geldt het volgende. Volgens de wet kan een beschuldiging niet alleen op grond van de verklaring van één getuige (in dit geval de verklaring van alleen de aangeefster) worden bewezen. Ook niet als de rechtbank deze verklaring betrouwbaar vindt. Deze bepaling staat in de wet om ervoor te zorgen dat een deugdelijke bewijsbeslissing wordt genomen. Er moet altijd ander bewijs (steunbewijs) in het dossier zitten om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Uit de rechtspraak kan worden afgeleid dat in zedenzaken niet is vereist dat het misbruik als zodanig bevestiging vindt in ander bewijsmateriaal, maar dat het afdoende is wanneer de verklaring van de aangeefster op onderdelen steun vindt in andere bewijsmiddelen, afkomstig van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. Tussen de verklaring en het overige gebezigde bewijsmateriaal mag geen sprake zijn van een te ver verwijderd verband. Of sprake is van voldoende steunbewijs is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
In onderhavige zaak wordt verdachte verweten ontucht, seksuele handelingen, te hebben gepleegd met een minderjarig meisje. De rechtbank stelt voorop dat de strekking van artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) (oud) ziet op bescherming van de lichamelijke en de seksuele integriteit van minderjarigen, waarbij de minderjarigheid een geobjectiveerd bestanddeel vormt. Dit bestanddeel is bewezen als komt vast te staan dat de minderjarige tussen de 12 en 16 jaar oud was. Of verdachte van de minderjarigheid op de hoogte was of niet, is voor de bewezenverklaring niet van belang.
De betrouwbaarheid van het bewijs
De rechtbank kijkt bij het beoordelen van de betrouwbaarheid van de verklaringen onder meer naar hoe concreet, gedetailleerd, authentiek en consistent de verklaring is. De rechtbank wil daar allereerst over opmerken dat het enkele feit dat in verklaringen op onderdelen tegenstrijdigheden voorkomen niet maakt dat deze verklaringen op zichzelf onbetrouwbaar zijn. Er kunnen allerlei omstandigheden een rol spelen waardoor een verklaring op bepaalde punten niet altijd overeenkomt. De beoordeling vindt plaats in zijn geheel en kijkend naar alle omstandigheden van de specifieke zaak.
In dit kader stelt de rechtbank vast dat de verklaringen van de twee aangeefsters en de twee verdachten op diverse onderdelen uiteenlopen, maar dat zij wel allen verklaren dat zij alle vier op 15 juni 2024 in de woning aan de [adres] aanwezig waren en dat er seksuele handelingen hebben plaatsgevonden tussen verdachte en [slachtoffer 1] . Nu de verklaringen op andere onderdelen uiteenlopen, zal de rechtbank daarbij enige terughoudendheid betrachten en (onderdelen van) de verklaringen alleen voor het bewijs gebruiken, waar deze worden bevestigd en/of ondersteund door andere bewijsmiddelen, dan wel er geen reden is om te twijfelen aan de juistheid van die verklaringen.
De aangifte
Op 21 juni 2024 heeft de moeder van [slachtoffer 1] aangifte gedaan tegen verdachte. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij en [slachtoffer 2] door verdachte en medeverdachte onvrijwillig naar een woning werden meegenomen en daar van elkaar werden gescheiden. Verdachte zou met haar onder dwang seksuele handelingen hebben verricht, waaronder tongzoenen, het betasten van haar lichaam, het met kleding aan op hem laten zitten en haar laten ‘rijden’ over zijn penis, pijpen en seks.
De rechtbank komt gelet op het voorgaande tot de conclusie dat er sprake is van een aangifte waarbij verschillende kanttekeningen kunnen worden geplaatst. Dat wil niet zeggen dat de rechtbank vindt dat de verklaring van [slachtoffer 1] onbetrouwbaar is, maar wel dat zij daar zoals hiervoor geschreven behoedzaam mee omgaat.
Het steunbewijs
Wat betreft het primair ten laste gelegde feit, de verkrachting, overweegt de rechtbank als volgt.
De rechtbank stelt vast dat er in het dossier op het punt van het toepassen van dwang geen steunbewijs voorhanden is. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het primair tenlastegelegde feit.
Wat betreft het subsidiair ten laste gelegde feit, ontucht met seksueel binnendringen, overweegt de rechtbank als volgt.
Verdachte heeft bekend dat hij samen met [slachtoffer 1] in de woning op de bank zat en dat hij met haar heeft getongzoend, haar heeft gevingerd en dat zijn penis door haar is afgetrokken. Hij ontkent het aanraken van haar borsten en billen, dat zij hem heeft gepijpt en dat zij seks hebben gehad.
Medeverdachte [medeverdachte] heeft bij de politie verklaard dat hij zag dat [slachtoffer 1] verdachte pijpte en dat verdachte [slachtoffer 1] vingerde. Deze verklaring heeft [medeverdachte] ter terechtzitting echter ingetrokken, omdat hij dit niet zelf gezien zou hebben, maar zou hebben gehoord van [slachtoffer 2] . [slachtoffer 2] verklaart hierover zelf niets. Op basis hiervan en het feit dat de rechtbank terughoudend met de verklaringen omgaat, leidt dit ertoe dat de rechtbank de verklaring van [medeverdachte] niet als steunbewijs gebruikt voor wat betreft het tenlastegelegde “pijpen”.
In het dossier zijn verder geen objectieve bewijsmiddelen en/of verklaringen die het betasten van de borsten en billen, het pijpen en het hebben van seks, ondersteunen. De rechtbank komt ten aanzien van die seksuele handelingen dan ook tot een partiële vrijspraak. De overige handelingen zijn naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend bewezen.
Conclusie
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen. [1]
  • de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 8 januari 2026;
  • de aangifte van [aangever] van 21 juni 2024, pagina 82 tot en met 88;
  • het studioverhoor van [slachtoffer 1] van 9 juli 2024, pagina 100 tot en met 137.
3.5
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiaire ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 15 juni 2024 te Zwolle, met [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2008, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt,ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , te weten- het brengen van zijn vinger(s) in de vagina en tussen de schaamlippen van die [slachtoffer 1] en- het zich laten aftrekken door die [slachtoffer 1] en- het (tong)zoenen van die [slachtoffer 1] ;
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 245 Sr (oud). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
subsidiair
het misdrijf: met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

5.De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

6.De op te leggen straf of maatregel

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat aan verdachte een gevangenisstraf opgelegd dient te worden van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en een proeftijd van drie jaren. Aan de voorwaardelijke straf dient een contactverbod gekoppeld te worden met [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en medeverdachte.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman verzoekt een voorwaardelijke taakstraf aan verdachte op te leggen.
6.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Aard en ernst van het strafbare feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ontucht, door seksuele handelingen te verrichten met een vijftienjarig meisje. Verdachte heeft het meisje die middag voor het eerst ontmoet op een foodfestival. Later die middag hebben er in het huis van medeverdachte seksuele handelingen plaatsgevonden tussen verdachte en het meisje. Verdachte was daarbij onder invloed van alcohol en drugs.
Van minderjarigen wordt uitgegaan dat ze in het algemeen niet of onvoldoende in staat zijn hun seksuele integriteit te bewaken. Het slachtoffer betreft niet alleen minderjarig meisje, maar een meisje dat daarnaast ook kwetsbaar is. Dat verdachte seksuele handelingen met haar heeft verricht zonder de leeftijd van het meisje na te gaan aan de hand van haar identiteitsbewijs, neemt de rechtbank verdachte kwalijk. Er was immers sprake van een leeftijdsverschil van dertien jaar.
Beide verdachten en de andere aangeefster verklaren dat [slachtoffer 1] initiatief nam in het zoenen en het (seksuele) contact met verdachte en dat zij ook seksuele opmerkingen naar hem maakte. Dit maakt niet dat er géén sprake is geweest van ontucht. De rechtbank weegt het echter wel mee bij het bepalen van de straf.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van de verdachte van 24 december 2025. Verdachte is eerder voor strafbare feiten veroordeeld, maar niet voor seksuele misdrijven. Dit betekent dat het strafblad in die zin niet strafverzwarend werkt. De rechtbank houdt rekening met eerder opgelegde straffen die opgelegd zijn na het begaan van dit strafbare feit volgens artikel 63 Sr.
De reclassering heeft op 7 oktober 2025 een rapport over verdachte opgemaakt. Uit dit rapport volgt dat de kans op herhaling van een soort gelijk strafbaar feit laag is. Verdachte heeft een stabiele leefsituatie waardoor de reclassering afziet van het inzetten van interventies of het adviseren van bijzondere voorwaarden.
Strafoplegging
De rechtbank is van oordeel dat dit soort feiten in beginsel het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigen, maar vanwege het hiervoor overwogene zal de rechtbank de gevangenisstraf voorwaardelijk aan verdachte opleggen.
De rechtbank acht een taakstraf voor de duur van 200 uren en een gevangenisstraf voor de duur van 180 dagen, waarvan 179 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en een proeftijd van drie jaren passend en geboden. De rechtbank ziet geen noodzaak om een contactverbod op te leggen, omdat er sinds het strafbare feit geen contact meer is geweest tussen verdachte en aangeefsters en ook niet tussen verdachte en de medeverdachte.

7.De schade van benadeelde partij [slachtoffer 1]

7.1
De vordering van de benadeelde partij
[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. Zij vordert verdachte te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van € 15.000, - ter vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 juni 2024 en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering voldoende is toegelicht en hem niet onbillijk voorkomt. Tegelijkertijd kan de officier van justitie zich voorstellen dat vrijspraak van het primaire feit (waartoe door hem is gerekwireerd) ertoe leidt dat niet het gehele bedrag toewijsbaar is.
7.3
het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft primair betwist dat sprake is van geestelijk letsel en een causaal verband met het handelen van verdachte op 15 juni 2024. Voor het geval dit verweer niet slaagt, heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de schadevergoedingsplicht moet worden verminderd in verband met eigen schuld van de benadeelde als bedoeld in artikel 6:101 BW.
7.4
Het oordeel van de rechtbank
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. In deze zaak is de vordering van de benadeelde partij gebaseerd op de laatstgenoemde grond.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. Op de benadeelde rust ook dan in beginsel een (stevige) stelplicht. Zij zal in beginsel moeten stellen en met concrete gegevens moeten onderbouwen dat de ernstige normschending dermate ingrijpende gevolgen voor haar heeft gehad, dat zij in haar persoon is aangetast. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.
In deze zaak is, ter onderbouwing van het geestelijk letsel, namens [slachtoffer 1] verwezen naar een document dat zij heeft ontvangen van haar psycholoog. Hieruit volgt dat in maart 2025 een psychodiagnostisch onderzoek is verricht, op basis waarvan onder meer de diagnose is gesteld van een posttraumatische-stressstoornis.
Uit het desbetreffende document kan niet worden afgeleid dat aannemelijk is dat deze posttraumatische stressstoornis door de gebeurtenissen van 15 juni 2024 is veroorzaakt. De rechtbank is daarom van oordeel dat met dit document niet is komen vast te staan dat sprake is van causaal verband tussen de bij [slachtoffer 1] vastgestelde klachten en het handelen van verdachte. Dit geldt temeer nu het dossier aanwijzingen bevat dat [slachtoffer 1] eerder te maken heeft gehad met seksueel misbruik en nu uit het genoemde document van de psycholoog blijkt dat gelijktijdig aan de posttraumatische stress-stoornis ook ouder-kindrelatieproblemen zijn vastgesteld.
Hiervoor kwam reeds aan bod dat alle betrokkenen wisselend hebben verklaard over hoe het contact tussen hen allen op 15 juni 2024 precies is verlopen. Door zowel de beide verdachten als medeaangeefster is verklaard dat het seksueel contact tussen verdachte en [slachtoffer 1] op initiatief van [slachtoffer 1] heeft plaatsgevonden. In het verlengde daarvan, is de rechtbank van oordeel dat, ondanks dat sprake is geweest van seksueel binnendringen bij een minderjarige, niet kan worden aangenomen dat sprake is van de voornoemde uitzonderingssituatie waarin de nadelige gevolgen van de strafbare gedraging kunnen worden voorondersteld.
Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat zonder nadere onderbouwing niet kan worden aangenomen dat [slachtoffer 1] door het handelen van verdachte op andere wijze in haar persoon is aangetast als bedoeld in artikel 6:106 lid 1 sub b BW. De benadeelde partij krijgt geen gelegenheid om haar vordering alsnog nader te onderbouwen, omdat dit zou leiden tot een te grote belasting van deze strafprocedure.
De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in haar vordering en dat zij haar vordering slechts kan voorleggen aan de burgerlijke rechter.

8.De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op het hiervoor genoemde wetsartikel. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22b, 22c en 22d Sr.

9.De beslissing

De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
subsidiair:
het misdrijf: met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het subsidiair bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
180 (honderdtachtig) dagen;
- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van
179 dagen (honderdnegenenzeventig) niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de
proeftijd van drie jarende navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:
- stelt als
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
- veroordeelt verdachte tot een
taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van
200 (tweehonderd) uren;
- beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat
vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van
100 (honderd) dagen;
schadevergoeding [slachtoffer 1]
- bepaalt dat de benadeelde partij in het geheel niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Dit vonnis is gewezen door mr G.H. Meijer, voorzitter, mr. S.K. Huisman en mr. R.J. Postma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Y.W. van den Bosch en mr. E.A.N. Sjerps, griffiers, en is in het openbaar uitgesproken 22 januari 2026.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit de digitaal genummerde pagina’s uit het dossier van de politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2024275650. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.