ECLI:NL:RBOVE:2026:273

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
22 januari 2026
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
C/08/343396 KG RK 26-4
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot wraking rechter afgewezen wegens ontbreken van vooringenomenheid

De verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen de rechter die belast was met de behandeling van zijn faillissementsverzoek. Hij stelde dat de rechter onwil toonde om kennis te nemen van zijn verweer en bewijs, met name door het niet lezen van e-mails die hij kort voor de zitting had ingediend. Volgens verzoeker was het proces-verbaal gemanipuleerd om de schijn van partijdigheid te maskeren.

De rechter gaf aan dat de beslissing om de e-mails niet te lezen een procedurele beslissing was, omdat de stukken te laat en niet aan de wederpartij waren gestuurd. De wrakingskamer overwoog dat een procedurele beslissing geen grond voor wraking kan zijn, tenzij deze onomstotelijk wijst op vooringenomenheid, wat hier niet het geval was.

De wrakingskamer concludeerde dat er geen objectieve aanwijzingen waren voor vooringenomenheid of de schijn daarvan. Het verzoek tot wraking werd daarom ongegrond verklaard. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek tot wraking van de rechter is ongegrond verklaard wegens ontbreken van objectieve aanwijzingen voor vooringenomenheid.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Wrakingskamer
Locatie Almelo
Zaaknummer: C/08/343396 KG RK 26-4
Beslissing van 22 januari 2026
op het verzoek van
[verzoeker] ,handelend onder de naam
[bedrijf] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker tot wraking,
hierna te noemen: [verzoeker] ,

1.De procedure

1.1.
Op 6 januari 2026 heeft [verzoeker] het verzoek tot wraking gedaan van
mr. S.J.S. Groeneveld-Koekkoek (hierna: de rechter), rechter in deze rechtbank en in die hoedanigheid belast met de behandeling van het verzoek tot faillietverklaring van [verzoeker] , geregistreerd onder zaaknummer 341894 FT RK 25/507.
1.2.
Het verloop van de wrakingsprocedure blijkt uit:
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 6 januari 2026, waar [verzoeker] een wrakingsverzoek heeft gedaan,
- de schriftelijke reactie van de rechter, waarin zij aankondigt niet aanwezig te zullen zijn bij een mondelinge behandeling,
- de e-mail van [verzoeker] met aanvulling van de wrakingsgronden,
- de e-mail van [verzoeker] met een tweede aanvulling van de wrakingsgronden,
- de e-mail met reactie van mr. G.D. te Biesebeek, advocaat van [naam], die het verzoekschrift tot faillietverklaring van [verzoeker] heeft ingediend.
1.3.
Voor het plannen van een mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft [verzoeker] doorgegeven de hele maand januari verhinderd te zijn wegens een buitenlandse zakenreis. Door de wrakingskamer is voorgesteld om de mondelinge behandeling via Teams te houden, maar dat is volgens [verzoeker] wegens technische beperkingen in het buitenland niet mogelijk. Hij heeft daarop bij e-mail van 13 januari 2026 laten weten een mondelinge toelichting niet noodzakelijk te vinden, omdat alle standpunten en bewijzen reeds per e-mail kenbaar zijn gemaakt. Daarop is door de wrakingskamer besloten om op het wrakingsverzoek te beslissen zonder mondelinge behandeling.

2.Het wrakingsverzoek van [verzoeker]

2.1.
[verzoeker] legt aan het wrakingsverzoek het volgende ten grondslag. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft hij op zaterdag 3 januari 2026 een verweerschrift ingediend met bijlagen (30 e-mails) in ZIP-formaat. De rechtbank heeft hem laten weten dat de bijlagen niet geopend konden worden, waarna [verzoeker] deze op maandagavond 5 en dinsdagochtend 6 januari 2026 opnieuw heeft gestuurd. De bestanden heeft hij op 6 januari 2026 ook op twee USB-sticks meegenomen naar de mondelinge behandeling. De stukken zijn volgens hem daarom niet te laat ingediend.
In zijn verweerschrift heeft [verzoeker] toegelicht dat hij drie tegenvorderingen heeft. [verzoeker] heeft geen titel voor die tegenvorderingen, maar hij wijst op een afspraak die via e-mail zou zijn gemaakt. Hij heeft de rechter gevraagd om de bijlagen over de tegenvorderingen te bekijken, maar dat verzoek werd genegeerd. De rechter heeft volgens hem gezegd:
‘U heeft veel e-mails gestuurd. Die ga ik echt niet allemaal lezen.’Na de wraking is de zitting geschorst om het proces-verbaal op te maken. In het proces-verbaal is ervan gemaakt dat de rechter heeft gezegd: ‘
Ik heb deze niet kunnen bestuderen’.Dat is volgens [verzoeker] wezenlijk anders, want uit wat de rechter daadwerkelijk heeft gezegd blijkt onwil om kennis te nemen van het verweer en het bewijs. [verzoeker] stelt dat uit het feit dat de rechter bewijsmateriaal negeert en het niet wil onderzoeken, blijkt dat de rechter partijdig is. Het bewijsmateriaal zou tijdens een vervolgzitting kunnen worden besproken, maar ook dat wilde de rechter niet. [verzoeker] vreest dat de feitelijke bewoordingen in het proces-verbaal zijn ‘gladgestreken’ om de schijn van partijdigheid daarin te maskeren. Hij verzoekt de wrakingskamer om hierover de betrokken griffier, de rechter en mr. Te Biesebeek te horen.

3.Het standpunt van de rechter

3.1.
De rechter heeft niet in de wraking berust en voert het volgende aan. Het gaat [verzoeker] volgens de tijdens de mondelinge behandeling genoemde wrakingsgronden vooral om het feit dat zijn verzoek om zijn (omvangrijke) aanvullende stukken alsnog in behandeling te nemen, al dan niet met uitstel van de mondelinge behandeling, is afgewezen. Dat is een rechterlijke beslissing. De rechter zegt bij het nemen daarvan hoor en wederhoor te hebben toegepast. De rechter heeft het vermoeden dat het wrakingsverzoek door [verzoeker] gebruikt wordt om alsnog het door hem gewenste uitstel te krijgen. Het middel van wraking is hier niet voor bedoeld. Wat betreft het onderzoeken van de tegenvorderingen is ter zitting uitgelegd hoe de beoordeling van een faillissementsverzoek werkt. De vordering van de aanvrager van het faillissement wordt summierlijk getoetst evenals het verweer. De aanvrager had in dit geval een titel op basis van een vonnis voor zijn vordering en [verzoeker] had dat voor zijn tegenvorderingen niet. Dat heeft de rechter [verzoeker] voorgehouden, maar dat betekent niet dat zij vooringenomen is.

4.Het standpunt van mr. Te Biesebeek

4.1.
Mr. Te Biesebeek meent dat van enige vorm van vooringenomenheid en/of partijdigheid van de rechter niet is gebleken.

5.De beoordeling

5.1.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem bekend zijn geworden.
5.2.
In deze wrakingsprocedure moet worden beoordeeld of het feit dat de rechter op de mondelinge behandeling heeft besloten de e-mails die op 5 en 6 januari 2026 (opnieuw) zijn toegestuurd niet toe te laten en ook geen nieuwe mondelinge behandeling te plannen om de e-mails alsnog te kunnen lezen, een concrete aanwijzing oplevert waaruit objectief de vrees voor partijdigheid van de rechter kan worden afgeleid, dan wel dat de bij [verzoeker] bestaande vrees voor partijdigheid van die rechter objectief gerechtvaardigd is, waarbij rekening moet worden gehouden met uiterlijke schijn.
5.3.
De wrakingskamer overweegt als volgt. De beslissing om de e-mails niet te lezen, is een procedurele beslissing. Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad (o.a. HR 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413) blijkt dat een procedurele beslissing als zodanig geen grond kan vormen voor wraking, omdat wraking geen verkapt rechtsmiddel is. De wrakingskamer mag geen oordeel geven over de juistheid van procedurele beslissingen van rechters. Dat kan alleen worden gedaan in hoger beroep. Dit geldt in het algemeen ook voor de motivering van die procedurele beslissing als grond voor wraking, ook als die motivering wordt gezien als onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier. Dit kan alleen anders zijn als die motivering in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten (bijvoorbeeld door de bewoordingen in de motivering) niet anders kan worden begrepen dan als een uiting van vooringenomenheid.
5.4.
In het onderhavige geval heeft de rechter op de zitting toegelicht dat de e-mails niet worden meegenomen omdat ze te laat zijn ingediend en niet aan de wederpartij gestuurd zijn. Indien [verzoeker] meent dat deze procedurele beslissing niet juist is, kan hij dat in een hoger beroep aan de orde stellen. Naar het oordeel van de wrakingskamer is er geen reden om uit deze gang van zaken te concluderen dat de gewraakte rechter vooringenomen is of dat objectief gezien de schijn van vooringenomenheid gerechtvaardigd is. Het bezwaar van [verzoeker] tegen de inhoud van het proces-verbaal maakt dat niet anders. Het proces-verbaal is een zakelijke weergave van wat is besproken tijdens de mondelinge behandeling. In de kern richt de wraking zich tegen de procedurele beslissing van de rechter om de stukken die [verzoeker] kort voor de mondelinge behandeling had toegezonden buiten beschouwing te laten. Er is dan ook geen reden om de griffier, de rechter en mr. Te Biesebeek te horen over wat de rechter precies tijdens de mondelinge behandeling gezegd heeft.
5.5.
De slotsom is dat het verzoek tot wraking ongegrond zal worden verklaard.

5.De beslissing

De wrakingskamer
5.6.
verklaart het verzoek ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door mrs. U. van Houten, A. Smedes en M.H. van der Lecq in tegenwoordigheid van de griffier mr. N.E. Raap en uitgesproken op 22 januari 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.