Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:2778

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
23 mei 2026
Zaaknummer
12033380 \ EJ VERZ 25-375
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:640a BWArt. 7:641 BWArt. 7:669 lid 1 BWArt. 7:669 lid 3 BWArt. 7:681 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen herplaatsingsverplichting bij langdurige arbeidsongeschiktheid; opzegging arbeidsovereenkomst blijft in stand

Verzoekster is sinds 2006 in dienst bij Isala en werd sinds 2015 gedetacheerd. Zij werd in februari 2022 arbeidsongeschikt en hervatte haar werkzaamheden deels in januari 2023, maar staakte deze in juli 2023 vanwege verergerde klachten. In augustus 2023 werd een ernstige ziekte vastgesteld. Het UWV kende haar in januari 2024 een WGA-uitkering toe wegens 80-100% arbeidsongeschiktheid.

Isala vroeg in juli 2024 en opnieuw in juli 2025 toestemming aan het UWV om de arbeidsovereenkomst op te zeggen. Het UWV verleende deze toestemming, waarna Isala de arbeidsovereenkomst opzegde. Verzoekster stelde de opzegging aan de kantonrechter ter vernietiging wegens vermeende onjuiste toestemming en onvoldoende herplaatsingsonderzoek.

De kantonrechter oordeelt dat het UWV op juiste gronden toestemming heeft verleend, mede op basis van arbeidsdeskundig onderzoek en medische verklaringen. Er is geen sprake van een schending van de herplaatsingsverplichting. Verzoekster heeft onvoldoende onderbouwd dat Isala ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, zodat een billijke vergoeding wordt afgewezen.

Verzoek tot betaling van niet-genoten vakantiedagen wordt toegewezen, waarbij Isala wordt opgedragen een volledige en controleerbare berekening te overleggen. Het verzoek tot uitbetaling van het AMS-budget wordt eveneens toegewezen. Verzoek tot schadevergoeding wegens een datalek wordt afgewezen omdat de schade niet aan Isala kan worden toegerekend.

De kantonrechter wijst verder verzoeken af die niet tijdig zijn ingediend of onvoldoende zijn gemotiveerd en houdt verdere beslissingen aan.

Uitkomst: De opzegging van de arbeidsovereenkomst na toestemming van het UWV blijft in stand; verzoeken tot betaling van niet-genoten vakantiedagen en AMS-budget worden deels toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer / rekestnummer: 12033380 \ EJ VERZ 25-375
Beschikking van 12 mei 2026
in de zaak van
[verzoekster],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoekster] ,
gemachtigde: mr. M.U. Smis,
tegen
STICHTING ISALA KLINIEKEN,
gevestigd te Zwolle,
verwerende partij,
hierna te noemen: Isala,
gemachtigde: mr. M.A.W. Holdtgrefe en mr. E.H. de Joode,

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met producties 1 tot en met 17,
- het verweerschrift met producties 1 tot en met 49,
- de akte met aanvullende producties 18 tot en met 37 van [verzoekster] van 4 april 2026;
- de akte met aanvullende producties 38 en 39 van [verzoekster] van 13 april 2026;
- de pleitnota van de gemachtigde van [verzoekster] , mr. Smis,
- de spreekaantekeningen met als titel “speech” van [verzoekster] ,
- de pleitnota van de waarnemende gemachtigde van Isala, mr. E.H. de Joode,
- de mondelinge behandeling van 15 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1
[verzoekster] is op 1 mei 2006 in dienst getreden bij Isala. [verzoekster] werd sinds 2015 door Isala doorlopend gedetacheerd aan de [bedrijf] (hierna te noemen: [bedrijf] ), laatstelijk in de functie [functie] met een loon van € 11.375,20 bruto per maand exclusief vakantiegeld en emolumenten. Op de arbeidsovereenkomst is de Arbeidsvoorwaardenregeling Medisch Specialisten van toepassing.
2.2
Op 7 februari 2022 is [verzoekster] arbeidsongeschikt geworden.
2.3
Rond 15 januari 2023 heeft [verzoekster] conform het advies van de bedrijfsarts in het kader van re-integratie haar werkzaamheden deels hervat. Vanwege een toename van haar klachten heeft zij haar werkzaamheden in juli 2023 weer gestaakt en is, conform het advies van de bedrijfsarts de re-integratie ‘on-hold’ gezet.
2.4
In augustus 2023 is bij [verzoekster] , naast de bestaande klachten, een ernstige ziekte vastgesteld.
2.5
Bij beschikking van 15 januari 2024 heeft het UWV [verzoekster] 80-100% arbeidsongeschikt bevonden en aan haar met ingang van 5 februari 2024 een WGA-uitkering toegekend. Partijen hebben daarna gesproken over de mogelijkheden tot hervatting van [verzoekster] in haar eigen werkzaamheden, maar dat is uiteindelijk niet tot stand gekomen.
2.6
Op 14 mei 2024 heeft een arbeidsdeskundig onderzoek plaatsgevonden. In het arbeidsdeskundig rapport van 6 juli 2024 is het volgende opgenomen:
“(…).
De fysieke belasting in de functie overschrijdt in grote mate de belastbaarheid van betrokkene zoals omschreven onder punt 3.5 van dit rapport. Hieruit concludeer ik dat het eigen werk niet passend is. Uitgaande van de beperkingen, voortkomende uit de aandoening waarmee betrokkene oorspronkelijk is uitgevallen, acht ik de kans klein dat betrokkene in de toekomst haar eigen werk weer volledig zal kunnen doen. (…).
2.7
In het actuele oordeel (de ’26 weken-verklaring’) van de bedrijfsarts van 15 juli 2024 is het volgende opgenomen:

(…). Voor beide medische aandoeningen met aanwezige langdurige klachten is er geen
herstelverwachting voor de bedongen arbeid in de komende 26 weken.(…). Binnen 26 weken zal de bedongen arbeid niet in aangepaste vorm kunnen worden verricht. Uitgaande van de eerste medische aandoening overschrijdt de fysieke belasting in de functie structureel in grote mate de belastbaarheid van betrokkene. (…). Bij deze verminderde fysieke belastbaarheid zal het eigen werk met aanpassingen niet veilig en adequaat uitgevoerd kunnen worden waar het noodzakelijke medische handelingen betreft, wat een risico kan vormen voor de patiëntveiligheid. Daarnaast zijn er ten gevolge van de tweede medische aandoening geen of slechts marginale mogelijkheden. Dat is ook de verwachting voor de komende 26 weken, daarvoor is een WGA 80-100 tot februari 2025 toegekend. (…).
2.8
Op 29 juli 2024 heeft Isala toestemming aan het UWV gevraagd om de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] op te zeggen. Het UWV heeft Isala bij beschikking van 3 oktober 2024 toestemming gegeven om de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] uiterlijk 31 oktober 2024 op te zeggen. Isala heeft de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] op 8 oktober 2024 opgezegd per 9 februari 2025 en haar op 23 januari 2025 een transitievergoeding van € 97.266,18 bruto betaald.
2.9
[verzoekster] heeft de kantonrechter bij verzoekschrift van 23 december 2024 kort gezegd verzocht om de opzegging te vernietigen, (onder andere) omdat de opzeggingsbrief haar niet tijdig had bereikt en de opzegging niet binnen de door het UWV gegeven termijn had plaatsgevonden.
2.1
Bij beschikking van 25 april 2025 heeft de kantonrechter – kort gezegd – geoordeeld dat niet vast kan worden gesteld dat de opzegging [verzoekster] binnen de door het UWV gestelde termijn heeft bereikt en de opzegging door Isala dus niet rechtsgeldig is en daarom wordt vernietigd. De vordering van [verzoekster] tot wedertewerkstelling is door de kantonrechter afgewezen, omdat [verzoekster] volledig arbeidsongeschikt is.
2.11
[verzoekster] is hierna opnieuw beoordeeld door de bedrijfsarts van Isala. In het hernieuwde actuele oordeel (’26 weken-verklaring’) van de bedrijfsarts van 21 juli 2025 is het volgende opgenomen:

Per 05-02-2024 is een 80-100 WGA toegekend omdat er geen of slechts marginale mogelijkheden waren bij voldoende re-integratie-inspanningen. Ze is nu nog steeds niet belastbaar met eigen of aangepaste werkzaamheden vanwege deze medische aandoeningen. (…). Er is geen herstelverwachting voor de bedongen arbeid in de komende 26 weken op basis van de uitkomsten van verrichte onderzoeken, gestelde diagnoses, resultaten van behandelingen, nog aanwezige klachten en beperkingen en in lijn met de resultaten van de WIA-beoordeling waarbij geen of slechts marginale mogelijkheden zijn vastgesteld en een 80-100% mate van arbeidsongeschiktheid per 80-100% is toegekend.
2.12
Isala heeft op 31 juli 2025 een nieuw verzoek gedaan bij het UWV om toestemming te verkrijgen om de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] op te zeggen. Het UWV heeft deze toestemming bij beslissing van 16 oktober 2025 verleend.
2.13
Bij brief van 16 oktober 2025 heeft Isala de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] opgezegd met ingang van 1 januari 2026 en aan haar nog een bedrag van € 9.213,82 bruto voldaan als eindafrekening.
2.14
Bij brief van 5 november 2025 heeft het UWV Isala bericht dat de brief met de beschikking op de ontslagaanvraag abusievelijk naar het adres van de buren van [verzoekster] is gestuurd. Uitgelegd wordt dat bij de registratie van de ontslagaanvraag in de systemen van het UWV gebruik is gemaakt van de (juiste) adresgegevens van de Basisregistratie Personen, dat Isala bij de ontslagaanvraag een onjuist huisnummer heeft gebruikt en dat het UWV naar aanleiding van een melding van [verzoekster] dat in de ontslagaanvraag van Isala een onjuist huisnummer is vermeld, (vermoedelijk) abusievelijk het (aanvankelijk juiste geregistreerde) huisnummer heeft gewijzigd in het onjuiste huisnummer.
2.15
[verzoekster] heeft Isala bij brief van 5 november 2025 aansprakelijk gesteld voor de schade die zij heeft geleden door dit datalek. De gemachtigde van Isala heeft bij brief van 10 december 2025 aansprakelijkheid van de hand gewezen.

3.Het verzoek en het verweer

3.1
[verzoekster] verzoekt de kantonrechter na wijziging van eis om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:
primair
de opzegging van de arbeidsovereenkomst door Isala, gebaseerd op de UWV-toestemming van 16 oktober 2025, te vernietigen ex art. 7:681 BW Pro;
te bepalen dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen in ieder geval zal voortduren gedurende een termijn van zes maanden, zijnde een termijn gelijk aan de periode van 25 april 2025 tot en met 30 oktober 2025, welke termijn door partijen dient te worden benut om in onderling overleg een vaststellingsovereenkomst op te stellen en te ondertekenen, en verweerder te veroordelen om aan dit overleg en de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst zijn volledige medewerking te verlenen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 per dag dat verweerder daarmee in gebreke blijft;
Isala te veroordelen tot betaling van achterstallig loon (incl. vakantiegeld en emolumenten), met wettelijke verhoging en wettelijke rente;
Isala te veroordelen tot het opstellen en verstrekken van een volledige, deugdelijke en gespecificeerde eindafrekening, waarin – naast het reguliere (vakantie)verlof – in ieder geval worden opgenomen:
alle opgebouwde maar niet-genoten compensatiedagen, waaronder begrepen – doch niet daartoe beperkt – tijd-voor-tijduren en compensatie voor diensten verricht in avonden, nachten, weekenden en op nationale feestdagen;
uren en dagen die verband hielden met quarantaine- en isolatiemaatregelen welke op aanwijzing van Isala, dan wel krachtens het binnen Isala geldende ziekenhuisbeleid, zijn doorgebracht zonder dat arbeid kon worden verricht, voor zover deze niet reeds als werktijd zijn verantwoord;
alle doorlopende of opgespaarde compensatietegoeden uit roosters (waaronder dienst- en bereikbaarheidscompensatie) die nog niet in vrije tijd zijn opgenomen;
openstaande studie- en nascholingsdagen waarop verzoekster aanspraak heeft op grond van de arbeidsovereenkomst, de AMS-regeling, de toepasselijke cao en/of het binnen Isala geldende (opleiding)beleid;
en te bepalen dat Isala gehouden is alle hiervoor bedoelde opgebouwde maar niet-genoten uren en dagen – voor zover opname in tijd niet (meer) mogelijk is – om te zetten in een geldelijke vergoeding op basis van het laatstgenoten bruto-uurloon, te vermeerderen met de wettelijke rente ex art. 6:119 BW Pro vanaf de datum waarop uitbetaling uiterlijk had behoren plaats te vinden;
Isala te veroordelen tot correcte afrekening en volledige uitbetaling van alle opgebouwde maar niet-genoten vakantiedagen, conform nationaal recht (art. 7:640a en 7:641 BW) én Europees recht (art. 7 Richtlijn Pro 2003/88/EG en de jurisprudentie van het HvJ EU), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment dat uitbetaling verschuldigd werd;
Isala te veroordelen tot uitbetaling van alle nog verschuldigde bedragen uit het AMS-budget / budget variabele kosten over de jaren 2024 en 2025, inclusief wettelijke rente vanaf de datum waarop uitbetaling uiterlijk had behoren plaats te vinden;
Isala te veroordelen alsnog volledige en correcte uitvoering te geven aan de beschikking van de Rechtbank Overijssel d.d. 25 april 2025, waaronder begrepen de betaling van de daarin opgelegde proceskosten en het uitvoeren van de door de rechtbank opgedragen werkzaamheden;
subsidiair, voor het geval de arbeidsovereenkomst niet wordt hersteld:
Isala te veroordelen tot betaling aan verzoekster van een schadevergoeding ex art. 7:681 lid 1 sub b BW Pro, hoger dan de eerder door deze rechtbank toegekende vergoeding, althans een door de kantonrechter in goede justitie vast te stellen vergoeding, in elk geval te vermeerderen met de wettelijke rente ex art. 6:119 BW Pro vanaf de ontslagdatum;
zowel primair als subsidiair:
Isala te veroordelen tot betaling van een aparte schadevergoeding wegens schending van privacy en datalek, naar redelijkheid door de kantonrechter vast te stellen op
€ 250.000,00;
Isala op grond van artikel 22 Rv Pro te bevelen om volledige en controleerbare berekeningen te overleggen van de transitievergoeding (waarin inzichtelijk wordt gemaakt welk maandloon is gehanteerd, welke looncomponenten als vat zijn aangemerkt en hoe structurele ORT en structureel overwerk zijn meegenomen) en van het vakantiedagensaldo, inclusief opbouw, opname, doorschuiving en uitbetalingsgrondslag, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per dag met een maximum van € 50.000,00;
Voor het geval dat Isala ook na bovengenoemd bevel geen of onvoldoende informatie verstrekt, de transitievergoeding en het vakantiedagensaldo in goede justitie vast te stellen ex artikel 7:97 BW Pro, uitgaande van het door Isala gehanteerde jaarsalaris van € 175.804,08 bruto als bepalend referentie-inkomen;
Isala te veroordelen in de (na)kosten van de procedure, inclusief rente.
3.2
Isala voert verweer en stelt dat het verzoek moet worden afgewezen.

4.De beoordeling

Toelaatbaarheid van de producties
4.1
[verzoekster] heeft op 4 april 2026, 11 dagen voor de mondeling behandeling, een akte ingediend met producties 18 tot en met 36 en op 13 april 2026 een akte met producties 38 en 39. Isala heeft bezwaar gemaakt tegen de toelaatbaarheid van deze producties en zich op het standpunt gesteld dat deze in strijd zijn met de goede procesorde. De kantonrechter zal daarom allereerst een oordeel geven over de toelaatbaarheid van deze aktes met aanvullende producties.
4.2
Op grond van het procesreglement en vaste jurisprudentie zijn stukken die binnen tien dagen voorafgaand aan de mondelinge behandeling worden ingediend toelaatbaar, behoudens bijzondere omstandigheden [1] . Bewijsstukken die daarna worden ingediend worden geacht in strijd met de goede procesorde te zijn. De akte met producties 38 en 39 is buiten deze termijn ingediend en zal niet worden toegelaten. De akte van 4 april 2026 is - in tegenstelling tot de akte van 13 april 2026 - binnen deze termijn ingediend. Desondanks is de kantonrechter van oordeel dat ook deze akte met producties niet toelaatbaar is. Het betreft in totaal een set van 303 pagina’s aan nagekomen producties die daags voor sluiting van de termijn zijn binnengekomen en ten aanzien waarvan [verzoekster] heeft nagelaten om een toelichting te geven waaruit op voldoende concrete wijze kan worden afgeleid op welke daaruit blijkende feiten en omstandigheden in die stukken een beroep wordt gedaan ter ondersteuning van door haar ingenomen standpunten. Daarbij komt dat het gaat om producties waarover [verzoekster] , blijkens hun datering al langer beschikte en die zij al bij haar verzoekschrift in het geding had kunnen brengen. Verder is van belang dat bij enkele producties weliswaar een toelichting is gevoegd, maar deze toelichtingen een uitgebreid betoog bevatten en daarom kwalificeren als verkapte processtukken, terwijl in die toelichtingen een concrete verwijzing naar stellingen in het verzoekschrift ter onderbouwing waarvan de desbetreffende producties dienen, ontbreekt. Gelet op de aard en omvang, het moment van indiening en de wijze waarop de producties (niet) van een toelichting zijn voorzien, is aannemelijk dat Isala niet in staat was om hiertegen adequaat en tijdig verweer te voeren en kon dat ook niet van haar worden gevergd. De indiening daarvan moet dan ook in strijd worden geacht met de beginselen van een behoorlijke procesorde. De kantonrechter zal de aktes met nader ingediende producties van 4 en 13 april 2026 daarom niet toelaten.
Toelaatbaarheid van vermeerdering met verzoeken j. en k.
4.3
Het verzoek onder j. houdt kort gezegd in dat Isala wordt veroordeeld tot het in het geding brengen van een berekening van (i) het uitbetaalde vakantiedagensaldo en (ii) de transitievergoeding. Volgens Isala is dit verzoek in strijd is met de goede procesorde. De kantonrechter volgt Isala daarin niet. Artikel 22 Rv Pro geeft de rechter de bevoegdheid om in elke stand van de procedure aan partijen op te dragen stellingen toe te lichten of bescheiden over te leggen. Partijen kunnen de rechter verzoeken van deze bevoegdheid gebruik te maken. Aangezien het om een verzoek aan de rechter gaat om van een discretionaire bevoegdheid gebruik te maken, zal een dergelijk verzoek niet snel in strijd zijn met de beginselen van een behoorlijke procesorde. Deugdelijke gronden om welke reden [verzoekster] dit verzoek niet ter zitting zou mogen doen, zijn door Isala niet naar voren gebracht.
Ten aanzien van de vermeerdering met verzoek k., dat betrekking op vaststelling van de hoogte van de transitievergoeding, heeft Isala niet betoogd dat dit in strijd is met de beginselen van een behoorlijke procesorde. Daarvan is de kantonrechter ook ambtshalve niet gebleken. De verzoeken j. en k. zijn dus toelaatbaar.
Verzoeken a. en b. (Vernietiging van de opzegging)
4.4
[verzoekster] heeft zich op het standpunt gesteld dat – samengevat – het UWV geen toestemming had mogen verlenen voor opzegging.
Zij verbindt daaraan de conclusie dat de opzegging moet worden vernietigd. Zij verwijst daarbij naar artikel 7:681 BW Pro.
4.5
De kantonrechter volgt [verzoekster] hierin niet. Zoals Isala terecht naar voren heeft gebracht, kan een opzegging op grond van 7:681 BW worden vernietigd indien – samengevat – de werkgever zonder toestemming van het UWV heeft opgezegd. In dit geval staat echter vast dat het UWV die toestemming heeft verleend, zodat om die reden een beroep op artikel 7:681 BW Pro haar niet kan baten.
Voor zover [verzoekster] bedoelt dat de arbeidsovereenkomst moet worden hersteld op grond van artikel 7:682 BW Pro – de motivering van haar verzoeken onder a., b. en haar subsidiaire verzoek wijzen in die richting en het verweer van Isala is ook op deze grondslag toegesneden – overweegt de kantonrechter als volgt.
4.6
De rechter kan herstel van de arbeidsovereenkomst gebieden indien de toestemming tot opzegging ten onrechte is verleend. De vraag ligt dus ter boordeling voor of het UWV op deugdelijke gronden toestemming aan Isala heeft gegeven om de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] op te zeggen en de arbeidsovereenkomst vervolgens terecht door Isala is opgezegd.
4.7
[verzoekster] stelt dat dit niet het geval is, omdat volgens haar onvoldoende is onderzocht of zij binnen 26 kan terugkeren in haar functie en of herplaatsing in een andere functie mogelijk is. Volgens haar is het herplaatsingsonderzoek ondeugdelijk, omdat geen systematisch onderzoek naar passende functies aanpassingsmogelijkheden of scholing heeft plaatsgevonden. Daarnaast hebben sinds november 2024 volgens haar geen inhoudelijke gesprekken meer plaatsgevonden over re-integratie of herplaatsing. Volgens haar had opnieuw volledig onderzoek moeten plaatsvinden en kon niet mede op grond van verwijzing naar de eerder gegeven toestemming opnieuw toestemming worden gegeven.
4.8
De kantonrechter overweegt als volgt. Een arbeidsovereenkomst kan rechtsgeldig worden opgezegd nadat voorafgaand aan die opzegging toestemming is verkregen van het UWV. Ingevolge artikel 7:669 lid 1 en Pro lid 3 aanhef en onder b BW (de zogenaamde b-grond) is vereist dat:
de werknemer langer dan 104 weken door ziekte of gebreken zijn werk niet meer heeft kunnen verrichten;
de werknemer binnen 26 weken niet kan herstellen voor het verrichten van zijn werk;
de werknemer binnen 26 weken zijn werk niet in aangepaste vorm kan verrichten;
de werknemer binnen een redelijke termijn niet kan worden herplaatst in een andere passende functie, ook niet met behulp van scholing;
De kantonrechter zal zich bij de beoordeling daarvan aan dezelfde criteria dient te houden als het UWV (
Kamerstukken II2013/14, 33818, nr. 7, p. 62).
4.9
Isala heeft in haar ontslagverzoek uitgebreid uiteengezet dat [verzoekster] niet binnen 26 weken in staat zal zijn om de bedongen arbeid of passende arbeid te verrichten. Isala heeft daarbij verwezen naar het arbeidsdeskundig onderzoek en het oordeel van de bedrijfsarts van 21 juli 2025. Daarin schrijft de bedrijfsarts dat
  • i) aan [verzoekster] 5 februari 2024 een 80%-100% WGA is toegekend omdat er geen of slechts marginale mogelijkheden waren bij voldoende re-integratie-inspanningen,
  • ii) zij op dat moment (5 juli 2025) nog steeds niet belastbaar is met eigen of aangepaste werkzaamheden,
  • iii) geen herstelverwachting bestaat voor de bedongen arbeid in de komende 26 weken op grond van verrichte onderzoeken, gestelde diagnoses, resultaten van behandelingen, nog aanwezige klachten en beperkingen en in lijn met de resultaten van de Wia-beoordeling.
Mede onder verwijzing naar deze verklaring komt het UWV tot het oordeel dat herstel binnen 26 weken voor eigen werk al dan niet in aangepaste vorm niet aannemelijk is geworden. [verzoekster] heeft niet aan de hand van concrete toelichtingen of van nieuwe (medische) stukken dit oordeel bestreden. De kantonrechter ziet dan ook geen aanleiding te oordelen dat het UWV een onjuiste afweging heeft gemaakt. Anders dan [verzoekster] ingang wil doen vinden, mocht het UWV bij haar beoordeling ook acht slaan op de onderbouwing die aan het eerste ontslagverzoek is gegeven. Op goede gronden verwijst het UWV in dit verband naar haar beleid zoals dat is neergelegd in Uitvoeringsregels ontslagprocedure 1.4.2.1. Daarin is uitgelegd dat de werkgever bij een nieuwe aanvraag na een eerder gegeven toestemming waarvan geen gebruik is gemaakt, geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden hoeft aan te voeren, maar in de nieuwe aanvraag wel moet motiveren waarom de reden voor de eerdere ontslagaanvraag nog aanwezig is en wat er sindsdien is gebeurd. Deze regel valt binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling. [verzoekster] heeft niet toegelicht om welke reden deze regel in dit geval niet zou mogen worden toegepast.
4.1
Ten aanzien van de vraag of aannemelijk is gemaakt dat [verzoekster] niet binnen een redelijke termijn van 26 weken kan worden herplaatst, heeft het UWV, wederom onder verwijzing naar de verklaring van de bedrijfsarts van 21 juli 2025 en de WIA-beoordeling vastgesteld dat er geen of slechts marginale mogelijkheden voor benutbaarheid zijn. Aangezien aanwijzingen voor een toename van de benutbare mogelijkheden na 21 juli 2025 ontbreken, had een herplaatsingsgesprek volgens het UWV weinig nut en kon dus achterwege worden gelaten. [verzoekster] heeft niet toegelicht om welke reden een herplaatsingsgesprek tot een andere conclusie zou hebben kunnen leiden.
Daar komt bij dat in de tweede procedure bij het UWV Isala opnieuw een aan de hand van vacatureoverzichten uiteen heeft gezet dat ook los van de medische situatie geen passende herplaatsingsfuncties zijn die voldoende aansluiten bij haar opleiding, ervaring en capaciteiten en die ook niet door scholing passend kunnen worden gemaakt. [verzoekster] heeft de juistheid van deze bevindingen ook niet gemotiveerd bestreden, zodat als vaststaand kan worden aangenomen dat – nog los van de omstandigheid dat als gevolg van de medische situatie er geen of slechts marginale benutbare mogelijkheden zijn – er geen functies zijn waarin [verzoekster] kon worden herplaatst.
4.11
De conclusie is dat niet is gebleken dat het UWV de toestemming niet had mogen geven. De primaire verzoeken onder a. en b. worden daarom afgewezen.
Verzoek c. (betaling achterstallig loon)
4.12
Ook de vordering onder c. zal worden afgewezen. Tussen partijen is niet in geschil dat loon is doorbetaald tot 104 weken nadat [verzoekster] arbeidsongeschikt is geraakt. Dat op enig moment daarna voor Isala een loonbetalingsverplichting is ontstaan is gesteld noch gebleken.
Verzoek d. (Verstrekken van een gespecificeerde eindafrekening)
4.13
[verzoekster] verzoekt verder dat Isala wordt veroordeeld om afgifte en betaling van een gespecificeerde eindafrekening, bestaande uit de opgebouwde, niet-genoten vakantiedagen, de niet-genoten compensatiedagen, die uren die verband hielden met de quarantaine en de doorlopende compensatietegoeden uit roosters.
4.14
De kantonrechter overweegt als volgt. Het verzoek onder d., voor zover dat ziet op niet genoten vakantiedagen, is hetzelfde als onder e. en (deels) j. De kantonrechter zal het verzoek tot betaling van niet-genoten vakantiedagen hierna behandelen bij het verzoek onder e. en hier verder buiten beschouwing laten.
4.15
Tussen partijen staat verder vast dat de overige vergoedingen niet zijn uitbetaald in de eindafrekening. Isala heeft aangevoerd dat deze verzoeken van [verzoekster] moeten worden afgewezen, omdat partijen niet zijn overeengekomen dat [verzoekster] recht heeft op betaling van deze vergoedingen. Volgens Isala hebben alleen maten in de maatschap recht op compensatiedagen- of tegoeden en kwamen de dagen dat [verzoekster] in quarantaine na een bezoek aan het buitenland voor eigen rekening. De kantonrechter is van oordeel dat [verzoekster] , in het licht van dit betoog door Isala, onvoldoende gemotiveerd heeft gesteld dat zij met Isala is overeengekomen dat zij recht heeft op betaling van de niet-genoten compensatiedagen, de uren die verband hielden met de quarantaine en de doorlopende compensatietegoeden uit roosters. Het verzoek om betaling van deze tegoeden en een afschrift van een gespecifieerde eindafrekening zal daarom worden afgewezen.
Verzoek e. en (deels) j. (Niet genoten vakantiedagen)
4.16
[verzoekster] verzoekt onder e. correcte afrekening en volledige uitbetaling van alle opgebouwde maar niet-genoten vakantiedagen. Het verzoek onder j. heeft betrekking op het verkrijgen van een goed inzicht van de omvang van het resterende vakantiedagensaldo. Zoals onder 4.3 is overwogen, is het verzoek onder j. toelaatbaar.
Voor zover het verzoek onder j. betrekking heeft op inzicht in opgebouwde maar niet genoten vakantiedagen, is het ook toewijsbaar. Isala heeft weliswaar enige brieven met overwegingen over vakantiedagen overgelegd, maar een inzichtelijke en navolgbare relatie tussen die brieven en het kennelijk uitgekeerde bedrag van € 39.548,25 [2] ontbreekt. De brief van 12 december 2024 die bij productie 47 bij het verweerschrift is overgelegd, benoemt onder 4 enkel de uitgangspunten voor de berekening van de vakantiedagen en de bij die productie overgelegde brief van 30 januari 2025 beschrijft dat in januari 2024 een gesprek heeft plaatsgevonden waarin de stand van zaken over de verlofdagen is besproken en dat op basis daarvan een verlofoverzicht tot datum uitdiensttreding is opgemaakt. De kantonrechter zal daarom Isala opdragen om de volledige en controleerbare berekening te overleggen van het vakantiedagensaldo. Isala krijgt daarvoor een termijn van vier weken. [verzoekster] krijgt daarna vier weken de gelegenheid (alleen) daarop te reageren. De kantonrechter ziet geen aanleiding om aan de opdracht dwangsommen te verbinden.
Verzoek f. (Uitbetaling AMS-budget)
4.17
[verzoekster] verzoekt de kantonrechter verder om Isala te veroordelen tot uitbetaling van de verschuldigde bedragen zoals opgenomen in artikel 3.4.1. e.v. van de Arbeidsvoorwaardenregeling Medisch Specialisten (hierna te noemen: AMS-budget). Op grond van die regeling heeft een werknemer naar rato recht op vergoeding van functie gebonden kosten indien de medisch specialist gedurende een kalenderjaar in of uit dienst treedt. Isala voert aan dat zij het AMS-budget niet verschuldigd is, aangezien [verzoekster] vanaf 5 februari 2024 een slapend dienstverband had. De kantonrechter overweegt daarover als volgt.
4.18
Artikel 3.4.1. van de AMS-regeling bepaalt dat een werknemer naar rato recht heeft op de geldelijke vergoeding uit het AMS-budget indien de werknemer tussentijds uit dienst treedt. [verzoekster] voldoet niet aan de voorwaarden van dit artikel, aangezien zij na 104 weken een lopend dienstverband had, maar dit dienstverband “slapend” was omdat de loondoorbetalingsverplichting van Isala was geëindigd. Zij was dus niet ‘uit dienst getreden’. Van een situatie zoals voorzien in artikel 3.4.1. van de AMS-regeling is daarom geen sprake en partijen zijn geen afwijkende regeling ten aanzien van het AMS-budget na langdurige arbeidsongeschiktheid overeengekomen. Dat betekent dat [verzoekster] gelet op haar lopende dienstverband ook recht heeft op arbeidsvoorwaarden zoals betaling van het AMS-budget. [verzoekster] heeft daar ook immers belang bij. Zij had na 104 weken arbeidsongeschiktheid weliswaar geen concreet uitzicht over de vraag of zij ooit nog als [functie] zou terugkeren, maar dat wil nog niet zeggen dat zij (enkel) om die reden het lidmaatschap van vakverenigingen voor haar eigen rekening dient te nemen. Bovendien heeft [verzoekster] onweersproken gesteld dat zij gebruik diende te maken van haar AMS-budget om haar medische bevoegdheden te behouden en wist zij niet of zij ooit nog terug zou keren in het medische werkveld. Isala heeft op haar beurt onvoldoende weersproken waarom [verzoekster] na 104 weken arbeidsongeschiktheid geen recht zou hebben op uitbetaling van het AMS-budget.
4.19
De kantonrechter is gelet op het bovenstaande van oordeel dat niet is komen vast te staan dat is overeengekomen dat het AMS-budget niet verschuldigd is bij een slapend dienstverband. Het verzoek van [verzoekster] tot uitbetaling van het AMS-budget zal daarom worden toegewezen, evenals de gevorderde wettelijke rente.
Verzoek onder g. (Uitvoering van de beschikking van 25 april 2025)
4.2
[verzoekster] heeft verzocht om correcte uitvoering van de beschikking van de kantonrechter van 25 april 2025. Ter zitting heeft de kantonrechter vastgesteld dat het griffierecht inclusief wettelijke rente inmiddels is betaald. Isala heeft daarom reeds aan het verzoek van [verzoekster] beantwoord. Voor zover [verzoekster] verzoekt om Isala te veroordelen tot wedertewerkstelling en/of mediation, is de kantonrechter van oordeel dat de kantonrechter Isala daartoe niet heeft veroordeeld in zijn vonnis van 25 april 2025. De vordering van [verzoekster] tot nakoming van het vonnis van de kantonrechter van 25 april 2025 zal daarom worden afgewezen.
Verzoek h. (billijke vergoeding)
4.21
Aangezien de voorwaarde waaronder het subsidiaire verzoek is ingediend, is vervuld, dient te worden beoordeeld of [verzoekster] aanspraak kan maken op een billijke vergoeding. Uit artikel 7:682 lid Pro 1, onderdeel c, BW volgt dat de kantonrechter op verzoek van een werknemer van wie de arbeidsovereenkomst is opgezegd met de toestemming van het UWV, aan die werknemer een billijke vergoeding kan toekennen, indien een opzegging wegens omstandigheden als bedoeld in artikel 7:669 lid Pro 3, onderdeel b, BW het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werkgever zich slechts zal voordoen in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld als een werkgever zijn re-integratieverplichtingen bij ziekte ernstig heeft veronachtzaamd of als vaststaat dat een werknemer arbeidsongeschikt is geworden (en uiteindelijk wordt ontslagen) als gevolg van verwijtbaar onvoldoende zorg van de werkgever voor de arbeidsomstandigheden (zie: Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 34). Het is daarbij aan [verzoekster] om feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen dat de langdurige arbeidsongeschiktheid is gelegen in dergelijk ernstig verwijtbaar handelen door Isala.
4.22
Volgens [verzoekster] is een billijke vergoeding verschuldigd omdat
  • i) Isala haar herplaatsingverplichting heeft geschonden,
  • ii) Isala de beschikking van 25 april 2025 niet heeft uitgevoerd,
  • iii) Isala misbruik van haar bevoegdheid heeft gemaakt door opnieuw een ontslagaanvraag bij het UWV te doen en
  • iv) zij als gevolg van het handelen van Isala PTSS-klachten heeft opgelopen en haar medische klachten (dus) zijn verergerd, zodat Isala heeft bijgedragen aan het ontstaan van arbeidsongeschiktheid en haar re-integratieverplichtingen (in ernstige mate) heeft geschonden.
4.23
Isala heeft gemotiveerd betwist dat van ernstig verwijtbaar handelen sprake is.
4.24
In het licht van de betwisting door Isala is de kantonrechter van oordeel dat [verzoekster] onvoldoende heeft onderbouwd dat Isala ernstig verwijtbaar heeft gehandeld.
4.24.1
Zoals hiervoor is vastgesteld, is van een schending van de herplaatsingsverplichting niet gebleken. Het argument onder (i) draagt om die reden niet bij aan de conclusie dat aanspraak bestaat op een billijke vergoeding.
4.24.2
Evenmin heeft Isala in strijd gehandeld met de beschikking van 25 april 2025. In die beschikking is overwogen dat, gelet op de vernietiging van de opzegging, [verzoekster] gehouden is de al ontvangen transitievergoeding terug te betalen en dat terugbetaling met Isala moet worden ‘kortgesloten’ omdat het aan [verzoekster] betaalde bedrag ook een vergoeding voor niet genoten vakantiedagen omvatte, zodat onduidelijk was welk bedrag aan transitievergoeding moest worden terugbetaald. De noodzaak voor ‘kortsluiting’ is echter komen te vervallen, omdat Isala in aanloop naar de tweede opzegging ervoor heeft gekozen (vooralsnog) geen aanspraak te maken op terugbetaling van de transitievergoeding. Dat Isala in dit verband een verplichting heeft geschonden, is niet gebleken. Verder is in die beschikking het verzoek tot wedertewerkstelling afgewezen, omdat [verzoekster] volledig arbeidsongeschikt was. In het licht daarvan kan niet worden aangenomen dat Isala verplicht was haar weer toegang tot de systemen te geven. Argument (ii) gaat dus ook niet op.
4.24.3
[verzoekster] heeft niet toegelicht uit welke omstandigheden volgt dat Isala misbruik van recht maakt door na vernietiging van de opzegging opnieuw een ontslagaanvraag te doen. Van omstandigheden die duiden op misbruik van recht is de kantonrechter ook overigens niet gebleken. Ook argument (iii) gaat dus niet op.
4.24.4
Voor zover [verzoekster] wenst te stellen dat de arbeidsongeschiktheid direct in causaal verband staan met de wijze waarop zij door Isala is behandeld, kan dit bij gebreke van enige onderbouwing en bezien in het licht van het verweer van Isala geen standhouden. Evenmin is gebleken dat Isala haar re-integratieverplichtingen (ernstig) heeft veronachtzaamd. Uit de overgelegde stukken blijkt juist eerder het tegendeel, nu het UWV oordeelde dat Isala voldoende re-integratie-inspanningen had verricht geen loonsanctie heeft opgelegd.
4.25
De kantonrechter komt tot de conclusie dat ernstig verwijtbaar handelen of nalaten door Isala niet is komen vast te staan. Het verzoek van [verzoekster] om toekenning van een billijke vergoeding zal om die reden worden afgewezen.
Verzoek i. (Schadevergoeding wegens datalek)
4.26
[verzoekster] verzoekt verder om een schadevergoeding van € 250.000,00 wegens schending van haar privacy. Zij stelt dat Isala onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door een brief met haar (medische) gegevens aan haar buurvrouw te adresseren.
4.27
De kantonrechter overweegt als volgt. Uit de onder 2.15 beschreven gang van zaken, die door [verzoekster] niet is betwist, volgt dat het UWV in haar administratie een fout is gemaakt. Hoewel aannemelijk is dat de fout door het UWV niet zou zijn gemaakt indien Isala in de ontslagaanvraag het juiste adres zou hebben gebruikt, volgt daaruit nog niet dat eventuele schade die [verzoekster] heeft geleden door de verzending door het UWV naar een onjuist adres aan Isala kan worden toegerekend. Daarvoor staat de eventueel door [verzoekster] geleden schade in een te ver verwijderd verband tot de gedraging van Isala (het gebruik van een onjuist adres in de ontslagaanvraag). Het verzoek om schadevergoeding ten gevolge van een datalek zal daarom worden afgewezen.
Verzoek k. en (deels) j.
4.28
Het verzoek onder k. heeft betrekking op vaststelling van de hoogte van de transitievergoeding. Het verzoek onder k. is volgens Isala te laat ingediend. De kantonrechter volgt Isala daarin. Uit artikel 7:686a lid 4 aanhef en onder b BW volgt dat voor verzoeken met betrekking tot de vaststelling van een transitievergoeding een vervaltermijn geldt van drie maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd. In dit geval is de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 januari 2026 geëindigd. Het verzoek onder k. is meer dan drie maanden daarna ingediend, namelijk op 15 april 2026, en om die reden niet-ontvankelijk.
4.29
Voor zover verzoek j. ziet op gegevens met betrekking tot de aan haar betaalde transactievergoeding, zal het worden afgewezen. [verzoekster] heeft bij haar aanvankelijke verzoekschrift geen verzoek gericht dat ziet op de hoogte van de transitievergoeding en, zoals hiervoor overwogen, is haar verzoek onder k. te laat. [verzoekster] heeft niet toegelicht welk belang zij (nog) heeft bij de door haar gevraagde berekening, zodat in zoverre geen aanleiding bestaat aan Isala op te dragen de verzochte gegevens in het geding te brengen.
Overig
4.3
De kantonrechter zal iedere verdere beslissing aanhouden.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1
draagt Isala op 9 juni 2026 schriftelijk de toelichting als vermeld onder 4.16 te geven, waarna [verzoekster] uiterlijk 7 augustus 2026 schriftelijk kan reageren;
5.2
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. G.W.G. Wijnands en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026. (EA)

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld HR 3 oktober 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BO0197)
2.Productie 46a bij verweerschrift