Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:2833

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
28 mei 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
C/08/346967 / KG ZA 26-101
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 556 RvArt. 557 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming gezamenlijke woning na echtscheiding wegens niet meewerken verkoop

Eiser en gedaagde zijn in 2024 gescheiden en hebben een gezamenlijke woning die tot de huwelijksgoederengemeenschap behoorde. De rechtbank had eerder bepaald dat gedaagde de woning zes maanden mocht gebruiken en dat de woning verkocht moest worden via een makelaar. De termijn van zes maanden verstreek in april 2025.

In een eerdere kortgedingprocedure werd gedaagde veroordeeld om medewerking te verlenen aan de verkoop, waaronder het toelaten van de makelaar. Gedaagde werkt echter niet mee, reageert niet op berichten en weigert toegang tot de woning, waardoor verkoop niet mogelijk is.

Eiser vordert ontruiming van de woning binnen veertien dagen, afgifte van sleutels, en betaling van proceskosten. Gedaagde is niet verschenen en heeft geen verweer gevoerd. De rechtbank wijst de ontruiming toe, maar wijst de gevorderde dwangsom en machtiging tot inzet van sterke arm af wegens overbodigheid en onvoldoende onderbouwing.

De vordering om de woning in goede staat achter te laten en kosten van herstel wordt afgewezen wegens onvoldoende nauwkeurigheid. Gedaagde wordt veroordeeld in de proceskosten en wettelijke rente. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot ontruiming van de woning binnen veertien dagen en betaling van proceskosten, met afwijzing van dwangsom en machtiging sterke arm.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: C/08/346967 / KG ZA 26-101
Vonnis in kort geding van 28 mei 2026
in de zaak van
[eiser],
te [woonplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. H. Versluis,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
niet verschenen.

1.De zaak in het kort

Het huwelijk van [eiser] en [gedaagde] is ontbonden. Zij hebben nog een gezamenlijke woning waar [gedaagde] in woont. In een eerdere kortgedingprocedure heeft de voorzieningenrechter [gedaagde] veroordeeld om medewerking te verlenen aan verkoop van de woning. In deze procedure vordert [eiser] ontruiming van de woning, omdat [gedaagde] niet meewerkt aan het verkoopproces. Zij reageert niet op berichten van [eiser], zijn advocaat en/of de makelaar en wil de makelaar niet toelaten tot de woning.
De door [eiser] ingestelde vorderingen en de daaraan ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden zijn door [gedaagde] – die in deze procedure niet is verschenen – niet weersproken en worden grotendeels toegewezen.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 24 april 2026 met producties 1 - 12;
- het bericht van [eiser] aan deze rechtbank van 21 mei 2026, waarmee hij productie 13 in het geding brengt;
- de mondelinge behandeling van 27 mei 2026, waarbij [eiser] is verschenen en is bijgestaan door zijn advocaat. [gedaagde] is, hoewel goed opgeroepen, niet verschenen. Tegen haar is verstek verleend.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
[eiser] en [gedaagde] zijn in 2024 gescheiden. De woning gelegen aan de [adres] behoorde tot de huwelijksgoederengemeenschap.
3.2.
De rechtbank heeft bij beschikking van 22 oktober 2024 over (onder meer) de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap beslist. Bij beschikking is er – kort gezegd – met betrekking tot de woning beslist dat [gedaagde] gedurende zes maanden na datum beschikking jegens [eiser] bevoegd is het gebruik van de woning voort te zetten, dat de woning dient te worden verkocht en dat partijen gezamenlijk aan makelaardij [makelaar] in [vestigingsplaats] (verder: de makelaar) opdracht geven tot verkoop van de woning. In de beschikking is ook een aantal voorwaarden/bepalingen opgenomen in geval verkoop van de woning aan (een) derde(n) aan de orde is. Tegen deze beschikking hebben partijen geen hoger beroep ingesteld.
3.3.
De termijn van zes maanden is op 22 april 2025 verstreken.
3.4.
Bij vonnis in kort geding van deze rechtbank van 10 september 2025 (bij verstek gewezen) heeft de voorzieningenrechter bepaald dat [gedaagde] aan de makelaar ongestoord toegang moet verlenen tot de woning en alle medewerking aan de makelaar moet geven om de woning te koop te kunnen zetten, waaronder het openstellen van de woning voor bezichtigingen van potentiële kopers en het opvolgen van alle adviezen en aanwijzingen van de makelaar in het kader van het verkoopproces. Daarnaast is [gedaagde] veroordeeld tot het betalen van een dwangsom als zij niet aan deze veroordelingen voldoet.
3.5.
De woning is nog niet verkocht.

4.Het geschil

4.1.
[eiser] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] veroordeelt om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de woning aan de [adres] te verlaten en daar niet meer naar terug te keren, eventueel met bijstand van de sterke arm, en de sleutels van de woning af te geven aan [eiser], op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1000,00 per dag of dagdeel dat [gedaagde] in gebreke blijft op deze punten aan het vonnis te voldoen, met een maximum van € 50.000,00. [eiser] vordert daarnaast dat [gedaagde] wordt veroordeeld om de woning aan de [adres] in goede staat achter te laten en dat zij, voor zover de woning niet in goede staat wordt achtergelaten, wordt veroordeeld in de volledige kosten van herstel. Tot slot vordert [eiser] dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro als zij deze kosten niet binnen veertien dagen na dit vonnis heeft betaald.
4.2.
[eiser] onderbouwt het gevorderde met de stelling dat [gedaagde] niet meewerkt aan het verkoopproces van de woning door niet te reageren op berichten van hem, zijn advocaat en de makelaar, en de makelaar niet toe te laten tot de woning. Hierdoor kan de woning niet te koop worden aangeboden. Volgens [eiser] is het maximum van de dwangsommen inmiddels bereikt, maar leidt ook dat er niet toe dat [gedaagde] aan het verkoopproces meewerkt. [eiser] stelt dat hij op dit moment dubbele woonlasten heeft (die van zijn huurwoning en die van de gezamenlijke woning) en dat hij inmiddels een lager inkomen heeft dan voorheen. Daarbij komt dat [gedaagde] volgens [eiser] de woning en de tuin niet goed onderhoudt. [eiser] stelt dan ook een spoedeisend belang te hebben bij de ontruiming.
4.3.
[gedaagde] heeft geen verweer gevoerd tegen de vorderingen van [eiser].

5.De beoordeling

5.1.
Omdat [gedaagde] niet is verschenen, wordt het gevorderde, voor zover niet onrechtmatig of ongegrond, toegewezen, met uitzondering van het volgende.
De gevorderde sterke arm
5.2.
De gevorderde machtiging om de ontruiming zo nodig zelf te doen uitvoeren met behulp van de sterke arm van justitie zal worden afgewezen, omdat zij ingevolge artikel 556, lid 1, en artikel 557 Rv Pro overbodig is.
De gevorderde dwangsom
5.3.
Met de toewijzing van de veroordeling tot ontruiming heeft [eiser] reeds een titel om zelf, via de weg van reële executie, tot gedwongen ontruiming over te gaan. Hij heeft niet, althans onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd op grond waarvan een extra prikkel om tot ontruiming over te gaan in de vorm van een op te leggen dwangsom nodig is. De voorzieningenrechter zal dit deel van de vordering daarom als ongegrond afwijzen.
De woning in goede staat achterlaten
5.4.
Het gevorderde gebod de woning “in goede staat achter te laten” is, als onvoldoende nauwkeurig bepaald, niet toewijsbaar. Dit betekent dat (alleen daarom al) ook de vordering [gedaagde] te veroordelen in de “volledige kosten van herstel voor zover de woning niet in goede staat wordt achtergelaten” niet toewijsbaar is.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
5.5.
Hoewel de proceskosten tussen ex-echtelieden doorgaans worden gecompenseerd, wordt in dit geval aanleiding gezien [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten (inclusief nakosten).
De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
153,02
- griffierecht
341,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.860,02
5.6.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6.De beslissing

De voorzieningenrechter
6.1.
veroordeelt [gedaagde] de woning aan de [adres] binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis te verlaten en daar niet meer naar terug te keren, onder afgifte door [gedaagde] aan [eiser] van de sleutels van de woning;
6.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.860,02, te betalen binnen veertien dagen na de betekening van dit vonnis, te vermeerderen met de kosten van betekening,
6.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na dit vonnis zijn betaald;
6.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Horsthuis en in het openbaar uitgesproken op 28 mei 2026.