Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:2900

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
29 mei 2026
Zaaknummer
08/241143-24
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287 SrArt. 36f SrArt. 51f SvArt. 6:108 BWArt. 77a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling minderjarige voor doodslag na mishandeling ernstig ziek slachtoffer

In juni 2024 heeft een 15-jarige jongen een ernstig zieke 54-jarige man mishandeld door hem te schoppen en te slaan, waarna het slachtoffer enkele dagen later overleed. De rechtbank oordeelde dat het geweld de dood met aanzienlijke waarschijnlijkheid heeft veroorzaakt en dat de dood aan de verdachte kan worden toegerekend, ondanks de vooraf bestaande ernstige ziekte van het slachtoffer.

De verdachte werd primair ten laste gelegd van doodslag, subsidiair zware mishandeling met de dood tot gevolg. De rechtbank achtte het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen en veroordeelde de verdachte tot een onvoorwaardelijke jeugddetentie van 8 maanden, met aftrek van voorarrest. De schorsing van de voorlopige hechtenis werd opgeheven.

De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit, de persoon van de verdachte en de adviezen van deskundigen die een licht verminderde toerekenbaarheid constateerden. Daarnaast werden schadevergoedingen toegewezen aan de nabestaanden voor kosten van lijkbezorging. De rechtbank benadrukte dat het leven van het slachtoffer niet minder waard was ondanks zijn ziekte.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 8 maanden onvoorwaardelijke jeugddetentie voor doodslag met opheffing schorsing voorlopige hechtenis en toewijzing schadevergoeding aan nabestaanden.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Familie en Jeugd
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 08/241143-24 (P)
Datum vonnis: 22 mei 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 2008 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres 1] .

1.De toelichting op dit vonnis

De officier van justitie heeft verdachte (hierna: [verdachte] ) opgeroepen om voor de rechter te verschijnen. Deze oproep wordt een dagvaarding genoemd. De tenlastelegging is een onderdeel van de dagvaarding en hierin staat aan welke strafbare feiten [verdachte] zich schuldig zou hebben gemaakt.
Op 11 mei 2026 hebben de officier van justitie, [verdachte] en zijn raadsman,
mr. R.W. van Faassen, advocaat in Zwolle, tijdens een zitting achter gesloten deuren gezegd wat zij van de beschuldiging vinden. De rechtbank heeft daar naar geluisterd. Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van de namens nabestaanden [zus van slachtoffer] en [broer van slachtoffer] voorgedragen slachtofferverklaringen en van de namens hen gevraagde schadevergoedingen.
De rechtbank schrijft in dit vonnis wat zij van de beschuldiging vindt. Dit doet zij aan de hand van verschillende stappen in een bepaalde volgorde, zoals de wet die voorschrijft.
De rechtbank komt in dit vonnis tot de conclusie dat het primaire feit dat de officier van justitie [verdachte] verwijt, kan worden bewezen.
[verdachte] heeft [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) opzettelijk van het leven beroofd. Hij krijgt daarom een straf opgelegd: een onvoorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van acht maanden met aftrek van voorarrest. De schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis wordt daarom opgeheven. Ook moet [verdachte] schadevergoedingen betalen aan de nabestaanden, de zus en de broer van [slachtoffer] .

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat [verdachte] [slachtoffer] onderuit heeft geschopt, waardoor hij ten val kwam, en vervolgens tegen zijn hoofd en zijn lichaam heeft geschopt en geslagen als gevolg waarvan [slachtoffer] is komen te overlijden. Primair is dit ten laste gelegd als doodslag, subsidiair als zware mishandeling met de dood tot gevolg en meer subsidiair als een poging tot zware mishandeling met de dood tot gevolg.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
hij op of omstreeks 29 juni 2024, in elk geval in of omstreeks de periode van 29 juni 2024 tot en met 4 juli 2024, te Zwolle, in ieder geval in Nederland, [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door
  • die [slachtoffer] te tackelen en/of onderuit te schoppen en/of onderuit te halen, waardoor die [slachtoffer] ten val is gekomen en/of met zijn hoofd de grond heeft geraakt en/of
  • (vervolgens) (meermalen) (met kracht) met geschoeide voet op/tegen het gezicht en/of hoofd van die [slachtoffer] te schoppen/trappen/stampen en/of met zijn hand en/of gebalde vuist op/tegen het gezicht en/of hoofd van die [slachtoffer] te slaan en/of stompen en/of
  • (vervolgens) (meermalen) (met kracht) met geschoeide voet op/tegen het lichaam van die [slachtoffer] te schoppen/trappen/stampen en/of met zijn hand en/of gebalde vuist op/tegen het (boven)lichaam van die [slachtoffer] te slaan en/of stompen, althans door (meermalen) (met kracht) stomp botsend geweld toe te passen op/tegen het gezicht en/of hoofd en/of (boven)lichaam van die [slachtoffer] ;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 29 juni 2024 te Zwolle, in ieder geval in Nederland, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een breuk van het borstbeen en/of meerdere ribbreuken en/of meerdere letsels aan het hoofd en/of het gezicht en/of aan het lichaam, heeft toegebracht door
  • die [slachtoffer] te tackelen en/of onderuit te schoppen en/of onderuit te halen, waardoor die [slachtoffer] ten val is gekomen en/of met zijn hoofd de grond heeft geraakt en/of
  • (vervolgens) (meermalen) (met kracht) met geschoeide voet op/tegen het gezicht en/of hoofd van die [slachtoffer] te schoppen/trappen/stampen en/of met zijn hand en/of gebalde vuist op/tegen het gezicht en/of hoofd van die [slachtoffer] te slaan en/of stompen en/of
  • (vervolgens) (meermalen) (met kracht) met geschoeide voet op/tegen het lichaam van die [slachtoffer] te schoppen/trappen/stampen en/of met zijn hand en/of gebalde vuist op/tegen het (boven)lichaam van die [slachtoffer] te slaan en/of stompen,
althans door (meermalen) (met kracht) stomp botsend geweld toe te passen op/tegen het gezicht en/of hoofd en/of (boven)lichaam van die [slachtoffer] ,
terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 29 juni 2024 te Zwolle, in ieder geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
  • die [slachtoffer] heeft getackeld en/of onderuit geschopt en/of onderuit gehaald, waardoor die [slachtoffer] ten val is gekomen en/of met zijn hoofd de grond heeft geraakt en/of
  • (vervolgens) (meermalen) (met kracht) met geschoeide voet op/tegen het gezicht en/of hoofd van die [slachtoffer] heeft geschopt/getrapt/gestampt en/of met zijn hand en/of gebalde vuist op/tegen het gezicht en/of hoofd van die [slachtoffer] heeft geslagen en/of gestompt en/of
  • (vervolgens) (meermalen) (met kracht) met geschoeide voet op/tegen het lichaam van die [slachtoffer] heeft geschopt/getrapt/gestampt en/of met zijn hand en/of gebalde vuist op/tegen het (boven)lichaam van die [slachtoffer] heeft geslagen/gestompt,
althans (meermalen) (met kracht) stomp botsend geweld heeft toegepast op/tegen het gezicht en/of hoofd en/of (boven)lichaam van die [slachtoffer] ,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, en terwijl het feit de dood ten gevolge heeft gehad.

3.De bewijsmotivering

3.1
Inleiding
Op de avond van 29 juni 2024 rond 22:30 uur begaven politieagenten zich, naar aanleiding van een 112-melding, naar de tunnel van het [adres 2] . Daar troffen zij een man aan met verwondingen aan zijn hoofd. Het ging om [slachtoffer] , bewoner van het nabij gelegen [locatie] (onderdeel van het [organisatie] ). [slachtoffer] is vervolgens per ambulance naar het Isala ziekenhuis vervoerd en werd daar enkele dagen verzorgd. Op 2 juli 2024 werd hij uit het ziekenhuis ontslagen en werd hij overgebracht naar zijn kamer bij [locatie] , waar hij op
4 juli 2024 overleed.
De politie is een strafrechtelijk onderzoek gestart en na berichtgeving over de gebeurtenis in verschillende media meldden de vaders van [naam 1] (hierna: [naam 1] ) en [naam 2] (hierna: [naam 2] ) zich bij de politie met de mededeling dat hun zoons informatie hadden over het incident waarbij [slachtoffer] gewond raakte. Ook de moeder van [naam 3] (hierna: [naam 3] ) meldde dat haar dochter bij het incident aanwezig was. Via hen stelde de politie vast dat ook [verdachte] betrokken was bij de gebeurtenis.
3.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich, overeenkomstig zijn op schrift gestelde requisitoir, op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.
3.3
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verweer gevoerd overeenkomstig zijn pleitnota.
Ten aanzien van het primair ten laste gelegde
De raadsman heeft verzocht [verdachte] vrij te spreken van het primair ten laste gelegde. Hij heeft zich primair op het standpunt gesteld dat geen sprake is van causaal verband tussen de geweldshandelingen door [verdachte] en het overlijden van [slachtoffer] .
Subsidiair, indien de rechtbank tot het oordeel zou komen dat wel sprake is van een causaal verband, heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat het overlijden van [slachtoffer] [verdachte] niet toegerekend mag worden, omdat het niet onwaarschijnlijk is dat andere factoren, die buiten de invloedssfeer van [verdachte] lagen, aan het overlijden van [slachtoffer] hebben bijgedragen.
Meer subsidiair, in het geval de rechtbank van oordeel zou zijn dat het overlijden van [slachtoffer] [verdachte] is toe te rekenen, heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat geen sprake was van (voorwaardelijk) opzet op de dood van [slachtoffer] .
Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde
De raadsman heeft verzocht [verdachte] vrij te spreken van het onderdeel ‘met de dood tot gevolg’ en heeft daarbij verwezen naar de argumentatie zoals aangevoerd ten aanzien van het primair ten laste gelegde.
De raadsman heeft zich verder op het standpunt gesteld dat niet kan worden bewezen dat [verdachte] verantwoordelijk is voor de breuk in het borstbeen van [slachtoffer] . De ribbreuken kunnen niet gekwalificeerd worden als zwaar lichamelijk letsel.
Wat betreft het letsel aan het hoofd van [slachtoffer] heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.4
Het oordeel van de rechtbank
3.4.1
Feitelijke toedracht
Op grond van het procesdossier, waarin onder meer een aantal getuigenverklaringen zitten, en hetgeen ter terechtzitting naar voren is gebracht, stelt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op de avond van 29 juni 2024 bevond [verdachte] zich samen met andere jongeren in de tunnel bij het [adres 2] . Zij gingen die avond met de bus naar een optreden in Zaal Dijk en waren in de tunnel aan het ‘indrinken’.
Op enig moment waren alleen [verdachte] , zijn vrienden [naam 1] en [naam 2] en een vriendin, [naam 3] , in de tunnel. [naam 3] moest huilen, vermoedelijk omdat zij van haar fiets gevallen was. Op dat moment kwam [slachtoffer] de tunnel in lopen. Hij bleef in de tunnel stilstaan en zei meerdere malen dat [naam 3] maar met hem mee naar huis moest gaan. De jongens stelden dit niet op prijs en zeiden meer dan eens tegen [slachtoffer] dat hij moest ophouden en weg moest gaan. [slachtoffer] luisterde niet en bleef zeggen dat [naam 3] met hem mee naar huis moest gaan.
[verdachte] zei vervolgens op boze toon tegen [slachtoffer] dat hij moest gaan rennen. [slachtoffer] begon weg te rennen en [verdachte] rende achter hem aan. Toen hij [slachtoffer] had ingehaald, trapte hij hem tegen zijn benen, waardoor [slachtoffer] viel en met zijn hoofd op de grond terecht kwam. Daarna heeft [verdachte] [slachtoffer] , terwijl [slachtoffer] op de grond lag, meerdere malen geschopt tegen het hoofd en het lichaam, in ieder geval tegen zijn rug, en heeft hij hem meermalen met gebalde vuist tegen het hoofd en lichaam, in ieder geval tegen zijn schouder, gestompt, waarna [naam 2] [verdachte] van [slachtoffer] af heeft getrokken. De rechtbank stelt vast dat [verdachte] [slachtoffer] met veel kracht moet hebben geschopt, gelet op de verklaring van getuige [getuige 1] (hierna: [getuige 1] ), die alles heeft zien gebeuren. [getuige 1] verklaarde dat hij zag dat [slachtoffer] als een marionet door de lucht vloog toen [verdachte] hem schopte.
[verdachte] , [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] zijn uiteindelijk naar de opstapplaats van de bus gegaan en in de bus gestapt naar Zaal Dijk. Een voorbijgangster, getuige [getuige 2] , heeft 112 gebeld. Zij is, samen met getuige [getuige 1] , bij [slachtoffer] gebleven om op de politie en de ambulance te wachten.
3.4.2
Causaliteit
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de geweldshandelingen van [verdachte] – in strafrechtelijke zin – de dood van [slachtoffer] tot gevolg hebben gehad. Voordat de rechtbank een oordeel zal geven over het causaal verband tussen de mishandeling van [slachtoffer] en zijn overlijden, zal zij eerst ingaan op de verschillende medische bevindingen in het dossier.
Medische bevindingen
Uit het dossier komt naar voren dat bij [slachtoffer] in april 2024 ongeneeslijke longkanker werd vastgesteld, met uitzaaiingen in de hersenen. Vanwege het feit dat hij geen behandeling wenste, was niet duidelijk in welk stadium de ziekte zich nadien precies bevond. [slachtoffer] was enkele weken voor het ten laste gelegde feit naar [locatie] verhuisd om daar te worden begeleid tot hij zou komen te overlijden. Hoe lang hij nog te leven had, was niet bekend.
Na het overlijden van [slachtoffer] heeft de lijkschouw, toxicologisch onderzoek en radiologisch onderzoek plaatsgevonden. De bevindingen uit die onderzoeken heeft arts en deskundige forensische pathologie P.M.I. van Driessche (hierna: Van Driessche) betrokken bij het pathologisch onderzoek, samen met de bevindingen van het ziekenhuis gedurende de ziekenhuisopname van [slachtoffer] . Van Driessche heeft de medische informatie vervolgens geïnterpreteerd in het licht van de ‘krachtsinwerkingen’ van 29 juni 2024.
Van Driessche heeft over het beloop van de ziekenhuisopname, samengevat, het volgende gerapporteerd. Bij de ziekenhuisopname van [slachtoffer] op 29 juni 2024 werden in de linkervoorhoofdskwab van de grote hersenen een tumor, met daar omheen een groot gebied van vochtstapeling, een zogenaamd ‘oedeem’, en enige ziekelijke longveranderingen waargenomen. Ook was sprake van uitval van gezichtszenuwen aan de rechterzijde van het gezicht met spraakstoornissen en uitval van de rechterarm en het rechterbeen, zogeheten ‘hemiparese’. Deze symptomen van uitval waren, blijkens verklaringen, voorafgaand aan het
incident niet aanwezig. Verder werd letsel geconstateerd aan het hoofd van [slachtoffer] , in de vorm van meerdere schaafwonden (onder meer aan het achterhoofd) en onderhuidse bloeduitstortingen, met zwelling rechts aan het hoofd, een dik rechter oog, een bloedneus en een gezwollen dan wel beschadigde lip. Bij evaluatie van het ziektebeloop op 30 juni 2024 werd in de medische gegevens door een neuroloog aangeduid dat sprake was van een toenemende hemiparese, als gevolg van toenemend oedeem rondom de hersentumor, waardoor de zelfredzaamheid fors afgenomen was. Op 1 juli 2024 werd in de medische gegevens vermeld dat [slachtoffer] zich, op basis van de voornoemde kanker en uitzaaiingen, in een stervensfase bevond en dat er noodzaak was tot palliatieve zorg. [slachtoffer] werd op
2 juli 2024 ontslagen, en verbleef nadien bij [locatie] met binnen een palliatief beleid als medicatie, onder meer, morfine (pijnstiller) en midazolam (benzodiazepine, kalmeermiddel).
Uit de lijkschouw en de toxicologische, radiologische en pathologische onderzoeken komt, onder meer, het volgende naar voren. Er was sprake van meerdere huidletsels, in de vorm van bloeduitstortingen en huiddoorbrekingen met korstvorming op het hoofd en het lichaam van [slachtoffer] en een ernstige ontsteking van het longweefsel en de luchtpijptakken van beide longen. Die ontsteking was mogelijk in lichte mate al enige tijd aanwezig, waarbij geen aanduiding gegeven kon worden over de precieze ouderdom van de ontsteking. Hoewel niet geheel uitgesloten kon worden dat er enige mate van long- en luchtwegontsteking was ten tijde van de opname in het ziekenhuis, is de informatie in het medisch dossier niet in overeenstemming met de mate en uitgebreidheid van de long- en luchtwegontsteking die werd aangetroffen bij de sectie. Oftewel: de bevindingen van het forensisch pathologisch onderzoek zijn passend bij het ontstaan dan wel fors verergeren van de long- en luchtwegontsteking tijdens dan wel na de ziekenhuisopname. In het kader van de palliatieve behandeling van [slachtoffer] werd medicatie toegediend, waaronder morfine en midazolam. Verder was sprake van meerdere ribbreuken in verschillende stadia van botgenezing. De breuken in van de vierde tot en met de achtste rib aan de rechterzijde vertoonden geen tekenen van genezing.
Van Driessche heeft deze bevindingen en de letsels van [slachtoffer] geïnterpreteerd in het licht van het geweldsincident van 29 juni 2024. Daarover heeft hij, samengevat, het volgende gerapporteerd. Het zichtbare letsel links aan het hoofd, centraal aan het gezicht en rechts aan het gezicht is ontstaan door bij leven opgelopen stomp botsende en deels schavende krachtsinwerking, zoals door meermaals (tenminste tweemaal) geslagen worden, getrapt worden en/of vallen. De aangetroffen ribbreuken zijn, gezien het feit dat de recente breuken werden aangetroffen aan de rechterzijde, veel beter passend bij toegebrachte krachtsinwerking, zoals door geslagen of getrapt worden, dan door reanimatiehandelingen. Van reanimatie is ook niet gebleken. De ribbreuken kunnen door pijn de ademhaling belemmerd hebben. Gelet op de bevindingen van het forensisch pathologisch onderzoek (inclusief het postmortaal radiologisch onderzoek) in combinatie met de aangeleverde informatie en medische gegevens, is het waarschijnlijker dat de hemiparese, door toenemend oedeem in de hersenen, is ontstaan zowel als gevolg van de hersentumor in het hoofd van [slachtoffer] als het gewelddadig handelen van 29 juni 2024, dan dat de hemiparese is ontstaan uitsluitend als gevolg van de hersentumor. Er waren geen aanwijzingen dat de longkanker direct oorzakelijk was voor het overlijden. Van Driessche heeft geconcludeerd dat [slachtoffer] zonder meer is overleden als gevolg van de ernstige longontsteking, in combinatie met het gevoerde palliatieve beleid, waarbij de reeds langer bestaande ziekelijke afwijkingen aan, onder meer, de longen aan (de snelheid van) het overlijden bijgedragen zullen hebben. Aan de hand van alle bevindingen en verkregen informatie lijkt het volgens Van Driessche verder aannemelijk dat de op 29 juni 2024 doorgemaakte krachtsinwerking een versnellend effect gehad heeft op het ontwikkelen van de waargenomen ‘hemiparese’ en het verlies van zelfredzaamheid alsook op de ziekenhuisopname (met hierbij ontstaan van voornoemde longontsteking) en de medicamenteuze verhoging van het palliatief beleid.
Ter terechtzitting van 11 mei 2026 is Van Driessche als deskundige gehoord. Hij heeft verklaard dat hij het, gelet op de symptomen van [slachtoffer] voor de geweldshandelingen en daarna, zeer aannemelijk acht dat het geweldsincident met de daaropvolgende ziekenhuisopname de hemiparese en de long- en ademhalingsklachten heeft verergerd en dat het aannemelijk is dat het incident tot de dood van [slachtoffer] heeft geleid of daaraan heeft bijgedragen. [slachtoffer] was weliswaar al ernstig ziek en de al aanwezige hersentumor had sowieso op enig moment tot hemiparese geleid, maar door het incident is die hemiparese sneller ontstaan, gelet op de knik in de ontwikkeling voor en na het incident.
Voor de longontsteking waaraan [slachtoffer] uiteindelijk is overleden, waren volgens
Van Driessche meerdere risicofactoren, te weten: de toegenomen bedlegerigheid, de ziekenhuisopname, de hemiparese, de ribbreuken en de medicatie die in het kader van het palliatieve beleid werd toegediend. Een hoofdoorzaak is niet aan te wijzen, maar aangezien de klachten pas echt gingen spelen na de ziekhuisopname, acht Van Driessche het aannemelijk dat bedlegerigheid en de ziekenhuisopname van alle genoemde factoren een grotere rol hebben gespeeld bij het ontstaan dan wel verergeren van de longontsteking en het uiteindelijke overlijden. Over de vraag of het weigeren van medische behandeling invloed had op het verloop, heeft Van Driessche verklaard dat die vraag lastig te beantwoorden is, omdat er wel deels behandeling heeft plaatsgevonden. Ten aanzien van het palliatieve beleid heeft Van Driessche ter terechtzitting verklaard dat dit vóór het incident puur gericht was op comfort, terwijl het beleid na het incident, mede als gevolg van de verminderde zelfredzaamheid van [slachtoffer] , gericht was op comfort wetende dat dit het risico op overlijden met zich meebracht. Na de krachtsinwerking werd het palliatieve beleid aangepast en werd de medicatie verhoogd ten opzichte van vóór de krachtsinwerking.
Juridisch kader
De rechtbank moet beoordelen of er een oorzakelijk verband is tussen de geweldshandelingen die [verdachte] heeft gepleegd en de dood van [slachtoffer] , en of het overlijden in redelijkheid kan worden toegerekend aan [verdachte] . Hiervoor dient ten minste te worden vastgesteld dat de handeling van de dader een onmisbare schakel heeft gevormd in de gebeurtenissen die tot de dood hebben geleid. Verder moet het aannemelijk zijn dat de dood met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door de handeling is veroorzaakt. Of en wanneer sprake is van een dergelijke aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid, zal afhangen van de concrete omstandigheden van het geval. Bij de beoordeling daarvan kan als hulpmiddel dienen of in de gegeven omstandigheden de handelingen naar hun aard geschikt zijn om de dood teweeg te brengen en bovendien naar ervaringsregels van dien aard zijn dat zij het vermoeden rechtvaardigen dat deze hebben geleid tot het intreden van de dood. Daarbij kan ook worden betrokken in hoeverre aannemelijk is geworden dat gestelde andere, niet aan de bewezen verklaarde gedraging gerelateerde, oorzaken hoogstwaarschijnlijk niet tot dat gevolg hebben geleid. [1]
Bewijsoverwegingen
Over de vraag of kan worden vastgesteld dat de mishandeling van [slachtoffer] door [verdachte] een onmisbare schakel heeft gevormd in de gebeurtenissen die tot de dood van [slachtoffer] op
4 juli 2024 hebben geleid, overweegt de rechtbank het volgende.
Hoewel [slachtoffer] al ernstig ziek was, is de toestand van [slachtoffer] van voor het geweldsincident niet te vergelijken met zijn toestand daarna. Gelet op de vastgestelde feitelijke toedracht en de medische bevindingen was voorafgaand aan het incident sprake van een grote(re) mate van zelfredzaamheid, die er daarna niet of in sterk verminderde mate was. De rechtbank stelt vast dat er een duidelijke ‘knik in de levenslijn’ van [slachtoffer] is. De zelfredzaamheid van [slachtoffer] verminderde in grote mate als gevolg van de na het incident ontstane hemiparese. Hoewel deze hemiparese, als gevolg van de tumor in het hoofd van [slachtoffer] , hoe dan ook op enig moment zou zijn ontstaan, stelt de rechtbank, gelet op de hiervoor benoemde knik in de levenslijn, vast dat het ontstaan van de hemiparese op juist dat moment, het gevolg moet zijn geweest van het geweldsincident. De rechtbank stelt voorts vast dat de ziekenhuisopname, als direct gevolg van de mishandeling, en de bedlegerigheid van [slachtoffer] , als gevolg van onder meer de ontstane hemiparese, een grote rol hebben gespeeld bij het ontstaan van de fatale longontsteking of hebben bijgedragen aan het in ernstige mate verergeren daarvan. Bovendien is het palliatieve beleid, hetgeen in combinatie met de longontsteking zonder meer tot het overlijden van [slachtoffer] heeft geleid, na de geweldshandelingen door [verdachte] , aangepast. Na de krachtsinwerking heeft men immers de toediening van medicatie in het kader van het palliatieve beleid verhoogd.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de mishandeling door [verdachte] een onmisbare schakel heeft gevormd in de gebeurtenissen die tot de dood van [slachtoffer] hebben geleid.
Wat betreft de vraag of het aannemelijk is geworden dat de dood van [slachtoffer] met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door de mishandeling is veroorzaakt, overweegt de rechtbank het volgende.
De rechtbank is van oordeel dat het geweldsincident en de andere factoren geen op zichzelf staande gebeurtenissen zijn, maar dat het geweldsincident de keten van gebeurtenissen, zoals die is verlopen, in gang heeft gezet. Daarbij is het de rechtbank niet gebleken dat het weigeren van medische behandeling of het stoppen met eten en drinken door [slachtoffer] in dit geval enig oorzakelijk verband heeft met het overlijden van [slachtoffer] . De rechtbank is daarnaast van oordeel dat de gedragingen van [verdachte] – het hard schoppen en slaan van een (ernstig ziek) persoon onder andere op het hoofd, terwijl hij op de grond ligt– naar hun aard geschikt zijn om het ingetreden gevolg (de dood) teweeg te brengen en naar ervaringsregels vermoed kunnen worden te hebben geleid tot dat gevolg. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de dood van [slachtoffer] met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door de mishandeling is veroorzaakt en dat zijn dood aan [verdachte] redelijkerwijs kan worden toegerekend. Het feit dat [slachtoffer] ernstig ziek was en ook zonder de mishandeling niet meer lang te leven had, maakt dat niet anders.
Tussenconclusie
Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat het overlijden van [slachtoffer] in causaal verband staat met de door [verdachte] gepleegde geweldshandelingen en dat de dood van [slachtoffer] aan [verdachte] kan worden toegerekend.
3.4.3
Voorwaardelijk opzet op de dood
De rechtbank moet voorts beoordelen of [verdachte] opzet had op de dood van [slachtoffer] .
Uit het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting kan de rechtbank niet afleiden dat [verdachte] vol opzet had op de dood van [slachtoffer] . De rechtbank moet vervolgens onderzoeken of [verdachte] voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] .
Juridisch kader
De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op de dood van een persoon aanwezig is indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat deze persoon als gevolg van zijn handelen zal overlijden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Daarbij kunnen bepaalde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het niet anders kan zijn dan dat een verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.
Overwegingen en conclusie
Uit de bewijsmiddelen volgt dat [verdachte] [slachtoffer] , terwijl hij weerloos op de grond lag, meerdere malen, met veel kracht en met een geschoeide voet tegen het hoofd en het lichaam heeft geschopt en dat hij hem heeft gestompt op zijn hoofd en zijn lichaam. Deze gedragingen van [verdachte] roepen, zeker in het licht van de omstandigheid dat [slachtoffer] weerloos op de grond lag, naar het oordeel van de rechtbank de naar algemene ervaringsregels als aanmerkelijk te achten kans in het leven, dat [slachtoffer] daardoor zou komen te overlijden. Die gedragingen zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm ook zozeer op de dood van [slachtoffer] gericht dat het niet anders kan zijn dan dat [verdachte] de aanmerkelijke kans daarop ook bewust heeft aanvaard.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] .
3.4.4
Conclusie
Gelet op het bovenstaande komt de rechtbank tot het oordeel van het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen is.
3.5
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
hij opof omstreeks29 juni 2024, in elk geval in of omstreeks de periode van 29 juni 2024 tot en met 4 juli 2024, te Zwolle,in ieder geval in Nederland,[slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door
  • die [slachtoffer]te tackelen en/ofonderuit te schoppenen/of onderuit te halen, waardoor die [slachtoffer] ten val is gekomen en/ofmet zijn hoofd de grond heeft geraakt en/of
  • (vervolgens) (meermalen) (met kracht)met geschoeide voet op/tegen het gezicht en/ofhoofd van die [slachtoffer] te schoppen/trappen/stampen en/ofmet zijnhand en/ofgebalde vuist op/tegen het gezicht en/of hoofd van die [slachtoffer] teslaan en/ofstompen en/of
  • (vervolgens) (meermalen) (met kracht)met geschoeide voetop/tegen het lichaam van die [slachtoffer] teschoppen/trappen/stampenen/of met zijn hand en/ofgebalde vuistop/tegen het(boven)lichaam van die [slachtoffer] te slaanen/of stompen, althans door (meermalen) (met kracht) stomp botsend geweld toe te passen op/tegen het gezicht en/of hoofd en/of (boven)lichaam van die [slachtoffer] .
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in artikel 287 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1 primair
het misdrijf:
doodslag

5.De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezenverklaarde feit.

6.De op te leggen straf of maatregel

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een jeugddetentie van 9 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om, conform het strafadvies van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, naast een onvoorwaardelijk deel gelijk aan het voorarrest, en een onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een leerstraf, te weten een gedragsinterventie.
6.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Aard en ernst van het feit
[verdachte] heeft [slachtoffer] opzettelijk van het leven beroofd. Hij was boos op [slachtoffer] , omdat [slachtoffer] meerdere malen zei dat [naam 3] met hem mee naar huis zou gaan en zich (verbaal) bleef opdringen, terwijl hem meerdere malen te verstaan werd gegeven dat hij weg moest gaan. Toen [slachtoffer] uiteindelijk wegliep, is [verdachte] hem achterna gerend en heeft hij hem ten val gebracht, om hem vervolgens, terwijl hij op de grond lag, meerdere malen te schoppen en te slaan tegen zijn hoofd en lichaam. Er vond, ogenschijnlijk uit het niets, een explosie van geweld plaats. De rechtbank neemt [verdachte] zijn handelen kwalijk, te meer omdat die geweldsexplosie in geen enkele verhouding stond tot het handelen van [slachtoffer] daaraan voorafgaand. Sterker nog, [verdachte] ging [slachtoffer] achterna terwijl de overlast al gestopt was. [slachtoffer] liep immers weg. Voorts heeft de rechtbank, mede gelet op zijn bewoordingen tijdens het verhoor bij de politie en ter terechtzitting, de indruk bekomen dat [verdachte] een zekere mate van minachting voelde voor [slachtoffer] , vanwege zijn voorkomen, en dat deze minachting mede heeft bijgedragen aan het geweld dat hij tegen [slachtoffer] heeft gebruikt. De rechtbank acht dat kwalijk en hecht er waarde aan te benadrukken dat het leven van [slachtoffer] niet meer of minder waard was dan dat van ieder ander.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van [verdachte] van 30 maart 2026. Hieruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.
De rechtbank heeft ook acht geslagen op de over de persoon van [verdachte] opgemaakte rapporten, onder meer:
  • de rapportage van de Raad voor de Kinderbescherming van 28 april 2026, opgemaakt door [naam 4] en [naam 5] , raadsonderzoekers;
  • de pro Justitia rapportage van 24 januari 2025, opgemaakt door
A.M. de Jong, psychiater, en M. Korsten, orthopedagoog generalist.
De psychiater en de orthopedagoog hebben gerapporteerd dat bij [verdachte] geen sprake is van psychische stoornissen of een verstandelijk handicap. Wel worden enkele functionele tekorten gezien, in vorm van een gebrekkige inhibitie- en impulsbeheersing, een nog niet geïnternaliseerde gewetensontwikkeling en een onrijp mentaliserend vermogen, allen voortkomend uit een achterstand in zijn sociaal-emotionele ontwikkeling. [verdachte] lijkt nog niet consistent zicht te hebben op zijn eigen binnenwereld en op die van anderen. Wel kent hij een temperamentvol karakter met een sterke geldingsdrang, waarin hij vrij snel geraakt is of zich onheus bejegend voelt. Hij kan dan fel of verbaal agressief reageren. De nog niet geïnternaliseerde gewetensfunctie vormt - zeker in combinatie met zijn gevoeligheid voor enige ‘thrill’, groepsdruk en middelengebruik - nog onvoldoende rem om zijn gedragsimpulsen zelf (bij) te sturen. Zijn lagere verwerkingssnelheid kan hem hinderen situaties tijdig of juist te duiden. De beschermd gekleurde opvoedcontext die de ouders hem bieden, kan enerzijds erg stimulerend zijn geweest in het tot ontwikkeling komen. Anderzijds kan dit ertoe hebben geleid dat ouders wellicht (te) veel hindernissen voor [verdachte] hebben ondervangen waardoor hij eigen vaardigheden in het omgaan met moeilijkheden (nog) niet- of in mindere mate- heeft kunnen ontwikkelen. Dit maakt hem nog onverminderd afhankelijk van een extern kader. Het lijkt aannemelijk dat [verdachte] vanuit zijn sterke geldingsdrang de mensen die hem dierbaar zijn wil beschermen tegen onheuse bejegening, zelfs als dit niet echt aan hem is. Het besef over de impact van zijn handelen op de nabestaanden blijft bij [verdachte] deels afwezig mede door het nog onrijpe mentaliserend vermogen. Zijn focus blijft nog primair gericht op zichzelf. Zowel de psychiater als de orthopedagoog zijn van mening dat de bovengenoemde functietekorten aanwezig waren tijdens het bewezen verklaarde en daarop ook van invloed waren. Zij adviseren [verdachte] het bewezen verklaarde in (licht) verminderde mate toe te rekenen. Beide deskundigen adviseren een TACT-leerstraf om de bestaande functietekorten aan te pakken. Daarbij dient aandacht te zijn voor delictanalyse, copingvaardigheden, middelengebruik (alcohol), emotie- en stressregulatie en morele ontwikkeling. De orthopedagoog adviseert de leerstraf als bijzondere voorwaarde in het kader van een voorwaardelijk strafdeel op te leggen.
De rechtbank onderschrijft de overwegingen en conclusies van de deskundigen ten aanzien van de mate van toerekenbaarheid en neemt deze over.
De raadsonderzoekers herkennen het door de psychiater en orthopedagoog geschetste beeld van [verdachte] . Tijdens het onderzoek door de raadsonderzoekers valt op dat [verdachte] moeite heeft met zelfreflectie en inlevingsvermogen. Verder is weinig zicht op de impact van het bewezen verklaarde op [verdachte] en op zijn gevoelswereld en kan niet worden ingeschat in hoeverre [verdachte] in staat is zijn emoties op een passende manier te reguleren. De raadsonderzoekers zien weinig risicofactoren op enig leefgebied en de beschermende factoren scoren hoog. De voorlopige hechtenis van [verdachte] was de afgelopen twee jaren geschorst en [verdachte] heeft zich goed aan de voorwaarden gehouden en is niet in de problemen gekomen. Dat laatste is mede te verklaren door het feit dat in de schorsingsperiode strakke kaders werden gesteld. Het is de vraag hoe [verdachte] zal reageren als deze strakke kaders wegvallen. De raadsonderzoekers vertrouwen er echter op dat vanuit de ouders van [verdachte] voldoende bescherming en toezicht zal worden geboden. Zij achten een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan het voorarrest en een forse voorwaardelijke jeugddetentie passend. Daarnaast adviseren zij een TACT-leerstraf (regulier), zodat [verdachte] kan werken aan het vergroten van zijn vaardigheden ten aanzien van het uiten van emoties en het nemen van verantwoordelijkheid.
De straf
De rechtbank houdt rekening met de langere periode die is verstreken tussen het bewezen verklaarde en de behandeling van de strafzaak en met de licht verminderde mate van toerekenbaarheid. Gelet op de aard en ernst van het gepleegde feit, is naar het oordeel van de rechtbank het opleggen van een forse onvoorwaardelijke jeugddetentie onontkoombaar, en zal om die reden worden afgeweken van de adviezen van de deskundigen. Een lagere straf of volstaan met de door de deskundigen voorgestelde strafcombinatie zou miskennen dat er sprake is van een levensdelict. Ook is er geen stoornis vastgesteld die bijvoorbeeld een behandelmaatregel zou rechtvaardigen. De rechtbank acht een jeugddetentie van 8 maanden passend en geboden. Gezien deze straf zal ook de schorsing van de voorlopige hechtenis worden opgeheven.

7.De schade van benadeelden

7.1
De vordering van de benadeelde partijen
Mr. W. van Egmond heeft zich namens benadeelde partijen [zus van slachtoffer] (de zus van [slachtoffer] ) en [broer van slachtoffer] (de broer van [slachtoffer] ) gevoegd in dit strafproces.
Namens [zus van slachtoffer] vordert zij verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 2.424,25 (vierentwintighonderd vierentwintig euro en vijfentwintig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit kosten van de uitvaart (voor zover niet vergoed door de verzekeraar).
Namens [broer van slachtoffer] vordert zij verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 390,00 (driehonderdnegentig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit de kosten van een gedenkteken.
7.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen geheel kunnen worden toegewezen.
7.3
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich, gelet op zijn verzoek om vrijspraak, primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk zijn in de vorderingen.
Subsidiair heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
7.4
Het oordeel van de rechtbank
Artikel 51f lid 1 Sv bepaalt dat degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit zich als benadeelde partij kan voegen in het strafproces om vergoeding van deze rechtstreekse schade te vorderen. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat indien het slachtoffer door het strafbare feit is overleden, onder meer, de personen genoemd in artikel 6:108 BW Pro ter zake van de daar bedoelde vorderingen zich kunnen voegen in het strafproces.
Op grond van het bepaalde in artikel 6:108, tweede lid, BW kan degene die kosten van lijkbezorging van het slachtoffer heeft gedragen, deze kosten vorderen. De term lijkbezorging is een verzamelterm en omvat meer dan enkel begrafeniskosten. De kosten moeten echter – gelet op de omstandigheden waaronder de overledene leefde – in redelijkheid zijn gemaakt.
[slachtoffer] is ten gevolge van het bewezen verklaarde strafbare feit overleden. De rechtbank stelt vast dat de voornoemde vorderingen zijn ingediend namens de nabestaanden van [slachtoffer] . De namens [zus van slachtoffer] en [broer van slachtoffer] opgevoerde schadeposten hebben betrekking op kosten van lijkbezorging in de zin van artikel 6:108, tweede lid, BW. De verdediging heeft de vorderingen niet betwist. De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde schade voldoende onderbouwd is en zal de vorderingen daarom toewijzen.
7.5
De schadevergoedingsmaatregel
Namens de benadeelde partijen is verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partijen naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht.
De rechtbank bepaalt op grond van artikel 36f lid 5 Sr dat de duur van de gijzeling, die met toepassing van artikel 6:4:20 Sv Pro kan worden toegepast, op nul dagen wordt gesteld.

8.De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 77a, 77g en 77i Sr.

9.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
feit 1 primair, het misdrijf:
doodslag;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een
jeugddetentievoor de duur van
8 (acht) maanden;
- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
schadevergoeding
- wijst de vordering van de benadeelde partij [zus van slachtoffer] toe tot een bedrag van
€ 2.424,25;
- veroordeelt de verdachte tot betaling aan [zus van slachtoffer] van een bedrag van € 2.424,25 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 2024;
- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de
maatregelop dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 2.424,25 (zegge: vierentwintighonderd vierentwintig euro en vijfentwintig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 2024 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van
0 dagenkan worden toegepast.
- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
- wijst de vordering van de benadeelde partij [broer van slachtoffer] toe tot een bedrag van € 390,00;
- veroordeelt de verdachte tot betaling aan [broer van slachtoffer] van een bedrag van € 390,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 februari 2025;
- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de
maatregelop dat de verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 390,00 (zegge: driehonderdnegentig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 februari 2025 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van
0 dagenkan worden toegepast;
- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
opheffing schorsing voorlopige hechtenis
- heft op de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Holten, voorzitter, mr. G.M.J. Vijftigschild en
mr. D.E. Schaap, rechters, allen tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van
mr. G.J. Leyendijk en F. Dussel MSc, griffiers, en is in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2026.
Bijlage bewijsmiddelen
Leeswijzer
Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met nummer ONRAB24006.000146 (TGO Colorado) van
11 december 2024. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
1.
De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 11 mei 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik droeg zwarte schoenen;
2.
het proces-verbaal van bevindingen van 9 juli 2024 )pagina’s 61 tot en met 63), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
(…)
Op zaterdag 29 juli 2024, omstreeks 22.25 uur, was ik, verbalisant agent [verbalisant 1] samen
met mijn collega brigadier [verbalisant 2] , belast met een noodhulpdienst in de gemeente
Zwolle. (…) Van het Operationeel Centrum kregen wij de opdracht om te
gaan naar het [adres 2] ter hoogte van de fietstunnel, te [plaats] . Hier had een
mishandeling plaatsgevonden.(…);

3.het proces-verbaal van verhoor van minderjarige verdachte [naam 2] van

1 augustus 2024 (pagina’s 149 tot en met 158), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
(…)
A: Ja op een normale manier, [verdachte] zei dat hij moest opdonderen en moest gaan lopen. De man heeft toen de gitaar gepakt en liep toen weg. Toen liep [verdachte] erachter aan en zei tegen de man “ga maar rennen, ga rennen”.
(…)
V: Op wat voor manier liep [verdachte] erachter aan?
A: met boze passen? Op een bredere manier. Boos, ademhaling was erger.
V: Toen zei hij ga lopen en ga rennen
A: Ja beetje opfokken, de meneer begon te rennen.
A: [verdachte] rent hem achterna en trapt hem neer. [verdachte] pakt hem met zijn arm aan de schouder en trapt hem neer. Dan valt hij met zijn hoofd op de grond. Met zijn voet stampt hij 4x op zijn hoofd en daarna slaat hij hem nog 3x. Dat gebeurde heel snel. Daarna trek ik hem eraf.
(…)
V: Dan valt die man en dan stampt hij 4x op zijn hoofd, met welk been?
A: Met zijn rechterbeen. Daarna begon hij te slaan en kwam ik bij hem en trok ik hem eraf.
(…)
V: Hoe ging dat met zijn voet
A: Het was stampend, ik weet niet hoe hard. Ik weet niet hoe de man lag op dat moment met zijn hoofd. Daarna stompte hij, ook op zijn hoofd, waar op zijn hoofd weet ik niet.(…);

4.het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] van

5 december 2024 (pagina’s 76 en 77), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:(…)
V: Wat kan je nog meer vertellen over de mishandeling?
A: (…)Ik hoorde de jongen, waarvan ik het signalement gaf zeggen: “Jij hebt haar aangerand”. Ik zag dat [slachtoffer] geschopt werd, zoals ik al eerder vertelde, en dat hij op de grond viel.(…) Hij kwam hard met zijn hoofd op de grond. [slachtoffer] lag met zijn lichaam op zijn rechterkant in de foetushouding. (…) Ik zag dat de jongen meerdere keren met zijn rechtervuist op het linkerschouderblad van [slachtoffer] sloeg. Ook zag ik dat de jongen tegen de kont van [slachtoffer] trapte. Ook trapte de jongen 2 a 3 keer tegen de rug van [slachtoffer] en 2 a 3 keer tegen het hoofd van [slachtoffer] met zijn rechtervoet.(…);
5.
het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] van 15 juli 2024 (pagina’s 78 tot en met 86), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:(...)Ik zag 50 meter voor mij een jongen. Ik zag dat deze jongen naar [slachtoffer] toe rende. Ik zag dat de jongen tegen de rechteronderkant van [slachtoffer] trapte. Ik hoorde een harde bonk. (…) Ik zag dat terwijl [slachtoffer] op de grond lag de jongen op [slachtoffer] in trapte. (…) Ik zag dat [slachtoffer] bloed aan zijn hoofd had. (…) Ik zag dat [slachtoffer] in een foetus houding liggen.
(…)
V: Met welke been trapte die jongen?
A: met zijn rechterbeen. [slachtoffer] was net een marionet, hij vloog door de lucht.(…);
6.
het proces-verbaal van bevindingen contact [locatie] van 3 juli 2024 (pagina’s 322 en 323), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:Ik, verbalisant, heb op maandag 1 juli 2024 op meerdere momenten contact gehad met een medewerkster van [locatie] , [naam 6] , met betrekking tot [slachtoffer] . Zij vertelde mij dat [slachtoffer] bij [locatie] is omdat hij terminaal is door een hersentumor. Hij wilde zich verder niet laten onderzoeken hoever het allemaal is gevorderd, maar het zou om enkele maanden gaan.(…);
7.
het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 3] van 18 juli 2024 (pagina’s 355 tot en met 362), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:(…)Wij hebben toen een bed bij ons aangeboden om zijn laatste levensfase in te gaan. Hoelang die ook zou duren, dat wisten wij toen nog helemaal niet. Hij is een paar weken geleden bij ons aangekomen. (…);
8.
het proces-verbaal van forensisch overlijdensonderzoek [slachtoffer] ( [geboortedatum 2] 1970) van 9 juli 2024 (pagina’s 70 tot en met 72), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
(…)
Op donderdag 4 juli 2024 kwam er een melding binnen van het [organisatie] aan de [adres 3] . Aldaar was de Heer [slachtoffer] overleden aangetroffen op zijn kamer.(…);
9.
de NFI rapportage forensisch pathologisch onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet-natuurlijke aard van overlijden van 3 oktober 2024 (pagina’s 452 tot en met 467), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
(…) Hij was bekend geweest met onder meer een naar de hersenen uitgezaaide
Longkanker (‘gemetastaseerd longcarcinoom met hersenmetastasen’), met hierdoor
(een) doorgemaakt(e) epileptische aanval(len), alsook zorgmijdend gedrag.
(…) Wel werd in de linkervoorhoofdskwab van de grote hersenen (‘frontaal links’) de hierboven vernoemde ‘hersenmetastase’ met omgevend een groot gebied van vochtstapeling (‘oedeem’) met hierdoor massawerking (…) alsook (in de gebeelde/onderzochte longtoppen) enige ziekelijke longveranderingen (‘emfyseem’) waargenomen. Er was (uitwendig zichtbaar) sprake van meerdere schaafwonden (onder meer aan het achterhoofd) en onderhuidse bloeduitstortingen (‘hematomen’) door doorgemaakte krachts-inwerking(en), met zwelling rechts aan het hoofd (‘temporaal’), een dik (rechter-)oog (door bloeduitstorting), een bloedneus, een gezwollen dan wel beschadigde (‘open’) lip(…) Eveneens bleek sprake van uitval van gezichtszenuwen aan de rechterzijde van het gezicht van de rechterarm en het rechterbeen (‘hemiparese’). Bij contact met de nachtwaker van het [organisatie] , alwaar dhr. [slachtoffer] regulier verbleef, zou deze aangeduid hebben dat deze symptomen van uitval de nacht voorafgaand aan het incident niet aanwezig waren.
(…) Bij evaluatie van het beloop op 30 juni 2024 werd in de medische gegevens door een neuroloog aangeduid dat er sprake was van een toenemende ‘hemiparese’, ten gevolge van de (radiologisch waargenomen) bekende ‘hersenmetastase’ met enige toename van het begeleidende ‘oedeem’, waardoor de zelfredzaamheid fors afgenomen was. Op 30 juni 2024 was in de medische gegevens sprake van hoesten en dat hij slijm niet goed kon ophoesten, maar dat de ‘saturaties’ (hoeveelheid zuurstof in het bloed) goed waren en de lichaamstemperatuur (bij herhaalde metingen op 29 en 30 juni 2024) 35,9°C, 37°C en 37,1°C betrof (geen koorts).
(…)
Op 1 juli 2024 werd in de medische gegevens vermeld dat dhr. [slachtoffer] zich, op
basis van de voornoemde kanker en uitzaaiingen, in een stervensfase bevond en er
de vraag was tot palliatieve zorg. Hij werd op 2 juli 2024 ontslagen naar het [organisatie]
, met binnen een palliatief beleid als medicatie morfine (pijnstiller),
midazolam en lorazepam (benzodiazepines, kalmeermiddelen). Op 4 juli 2024 kwam
hij alhier te overlijden.
(…)
Postmortale radiologie
breuken van de 4de t/m 8ste rechterrib, genezende breuken van de 9de en
10de rechterrib en de 8ste en 9de linkerrib, genezen breuken van de 5de en 9de
rechterrib alsook knikjes in de 3de rechterrib en de 2de linkerrib;
(…)
Uit- en inwendige schouwing
Beide longen (doch het meest uitgesproken in de linkerlong) toonden ernstige ontsteking van het longweefsel en de luchtpijptakken (ernstige beiderzijdse
‘bronchopneumonie’), met lichtmicroscopisch een aspect suggestief voor een reeds enige tijd aanwezige ontsteking.
(…)
Postmortale toxicologie
Conclusie postmortaal toxicologisch onderzoek (bijlage 3):
In het lichaamsmateriaal van [slachtoffer] zijn de volgende stoffen aangetoond:
• Opioïden: morfine
• Benzodiazepinen: midazolam(…)
Het aangetoonde morfine en midazolam kunnen het overlijden van [slachtoffer]
verklaren, onder andere door het optreden van ademhalingsdepressie. De gemeten concentraties van deze stoffen zijn iets waarschijnlijker onder de hypothese van een fatale intoxicatie met deze stoffen, dan onder de hypothese van een niet-fatale intoxicatie met deze stoffen."
Interpretatie van resultaten
(…)
- Er waren links aan het hoofd, centraal aan het gelaat en rechts aan het gelaat
letsels door bij leven opgelopen stomp botsende en deels schavende krachts-
inwerking, zoals door meermaals (tenminste tweemaal) geslagen worden, getrapt
worden en/of vallen.
- Rechts aan het lichaam waren eveneens letsels door bij leven opgelopen stomp botsende en deels schavende dan wel samendrukkende krachtsinwerking, zoals door meermaals geslagen worden, getrapt worden en/of vallen. Aan de rechterarm was een mogelijk patroon, zoals door bijvoorbeeld vallen op een gepatroneerd voorwerp, geslagen worden met een dergelijk voorwerp dan wel getrapt worden met een gepatroneerde schoenzool.
(…)
De bij forensisch pathologisch onderzoek aangetroffen ribbreuken zijn gezien hun distributie (eenzijdig aan het lichaam), lokalisatie op de ribben zelf en hun aspect veel beter passend bij toegebrachte krachtsinwerking (zoals door geslagen of getrapt worden) dan bij oplopen door reanimatiehandelingen. (…)De ribbreuken kunnen door pijn de ademhaling belemmerd hebben.
Ten aanzien van de ziekenhuisopname(…)Vanuit de medische gegevens blijkt dat de verdere ziekenhuisopname met name gebeurd is omwille van de verminderde zelfredzaamheid van dhr. op basis van deze ‘hemiparese’, welke toegedicht werd aan massawerking door de bekende hersentumor en het begeleidende ‘oedeem’ hierbij. Er werd beschreven dat deze ‘hemiparese’ toenemend was. De inzet van een palliatief beleid is, blijkens de medische gegevens, dan ook gebeurd op basis van het tumorale beeld en de (toenemend) verminderde zelfredzaamheid.
(…)
- op basis van de bevindingen van forensisch pathologisch onderzoek (inclusief het postmortaal radiologisch onderzoek) in combinatie met de aangeleverde informatie en medische gegevens is het aantreffen van deze combinatie aan bevindingen waarschijnlijker gegeven ‘hemiparese’ op basis van zowel ziekte als door een gemaakte krachtsinwerking dan gegeven een ‘hemiparese’ op uitsluitend ziekelijke basis.
(…)
Er waren geen aanwijzingen dat de aangetroffen longkanker (zoals door bijvoorbeeld ingroei in essentiële organen of door het vormen van bloedstolsels met hierdoor weefselversterf en/of functiestoornissen van essentiële organen) direct oorzakelijk voor het overlijden was.
(…)
Er was verder in beide longen sprake van een ernstige ontsteking van het longweefsel en de luchtpijptakken (ernstige beiderzijdse ‘bronchopneumonie’) (sub A en B6), met in het beenmerg eveneens afwijkingen ten gevolge van deze ernstige longontsteking (sub B7). Bij een dergelijke ernstige beiderzijdse ontsteking van de long en de luchtwegen zijn ernstige, potentieel fataal verlopende, longfunctiestoornissen te verwachten.
(…)In de ontvangen medische gegevens wordt benoemd dat een dag na opname (30 juni 2024) er sprake was van hoesten zonder het slijm vanuit de longen en luchtwegen goed te kunnen ophoesten. Echter wordt ook beschreven dat de zuurstofverzadiging van het bloed (‘saturatie’) goed was en bij herhaalde metingen op de dag van opname en de dag na opname was geen sprake van koorts. Alhoewel aan de hand van deze gegevens en bevindingen niet geheel uitgesloten kan worden dat er enige mate van long- en luchtwegontsteking was ten tijde van de opname in het ziekenhuis, is de informatie vanuit het medisch dossier niet in overeenkomst met de bij sectie en lichtmicroscopie aangetroffen mate en uitgebreidheid van long- en luchtwegontsteking en de daarbij te verwachten longfunctiestoornissen. Oftewel: de bevindingen van het forensisch pathologisch onderzoek zijn passend bij ontstaan dan wel fors verergeren van de long- en luchtwegontsteking tijdens dan wel na de ziekenhuisopname.
(…)
ConclusieBij forensisch pathologisch onderzoek op het lichaam van dhr. [slachtoffer] , 53 jaar oud geworden, wordt het overlijden zonder meer verklaard wordt door ernstige ontsteking van het longweefsel en de luchtpijptakken van beide longen in
combinatie met het gevoerde palliatieve beleid, waarbij de reeds langer bestaande ziekelijke afwijkingen aan de longen en het hart aan (de snelheid van) het overlijden bijgedragen zullen hebben.(…);
10.
de NFI rapportage aanvullend bericht inzake NFI-zaaknummer 2024.07.05.013, sectienummer 2024-108, betreffende dhr. [slachtoffer] , geboren [geboortedatum 2] 1970 van 31 maart 2026 (losbladig), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:Aan de hand van alle bevindingen en verkregen informatie lijkt het aannemelijk dat de op 29 juni 2024 doorgemaakte krachtsinwerking een versnellend effect gehad heeft op het ontwikkelen van de waargenomen ‘hemiparese’ en het verlies van zelfredzaamheid alsook op de ziekenhuisopname
(met hierbij ontstaan van voornoemde longontsteking) en de medicamenteuze verhoging van het palliatief beleid.(…);
11.
de verklaring van drs. P.M.I. van Driessche, arts en deskundige forensische pathologie, ter terechtzitting van 11 mei 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik acht het zeer aannemelijk, gelet op de symptomen van [slachtoffer] voor de geweldshandelingen en daarna, dat het geweldsincident de hemiparese en de long- en ademhalingsklachten hebben verergerd. Wat mij betreft is het zeer aannemelijk dat het geweldsincident tot de dood heeft geleid of daaraan heeft bijgedragen, terwijl [slachtoffer] ook al ernstig ziek was. Uiteindelijk had de hersentumor sowieso tot hemiparese geleid, maar door het incident is die hemiparese sneller ontstaan, gelet op de knik in de ontwikkeling voor en na het incident. De longontsteking waaraan [slachtoffer] uiteindelijk is overleden, werd veroorzaakt door meerdere factoren, te weten: de toegenomen bedlegerigheid, de ziekenhuisopname, de hemiparese, de ribbreuken en de medicatie die in het kader van het palliatieve beleid werd toegediend. Een hoofdoorzaak is niet aan te wijzen, maar aangezien de klachten pas echt gingen spelen na de ziekhuisopname, denk ik dat bedlegerigheid en de ziekenhuisopname een grotere rol hebben gespeeld. Ik kan niet zeggen of een weigering van (verdere) medische behandeling invloed heeft gehad, omdat er nog wel deels behandeld werd. Het palliatieve beleid was voor het incident puur gericht op comfort, terwijl het na het incident, mede als gevolg van de verminderde zelfredzaamheid, gericht was op comfort wetende dat dit het risico op overlijden met zich meebracht. Na de krachtsinwerking is de medicatie in het kader van het palliatieve beleid verhoogd ten opzichte van het beleid van voor de krachtsinwerking.

Voetnoten

1.vgl. HR 27 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT6362.