In deze zaak heeft de Rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, op 14 januari 2026 uitspraak gedaan in een geschil over de vastgestelde WOZ-waarde van een onroerende zaak. De heffingsambtenaar had de waarde van de woning vastgesteld op € 580.000,- per waardepeildatum 1 januari 2023. De belanghebbende, eigenaar van de woning, heeft beroep ingesteld nadat zijn bezwaar tegen de waardevaststelling ongegrond was verklaard. Tijdens de zitting op 7 januari 2026 is de zaak behandeld, waarbij de gemachtigde van de heffingsambtenaar en twee taxateurs aanwezig waren. De belanghebbende en zijn gemachtigde zijn echter niet verschenen.
De rechtbank heeft beoordeeld of de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld. De rechtbank concludeert dat de heffingsambtenaar voldoende bewijs heeft geleverd, onder andere door middel van een taxatierapport, en dat de beroepsgronden van de belanghebbende niet slagen. De rechtbank heeft overwogen dat de WOZ-waarde jaarlijks opnieuw wordt vastgesteld en dat eerdere waarderingen geen betekenis hebben. Ook is er geen schending van de hoorplicht vastgesteld, omdat de belanghebbende niet om een hoorzitting heeft verzocht.
Uiteindelijk heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard, wat betekent dat de vastgestelde WOZ-waarde in stand blijft. De belanghebbende krijgt geen griffierecht terug en ook geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door mr. L.M. Rijksen, rechter, en is op 14 januari 2026 bekendgemaakt aan de partijen.