Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:3062

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
29 mei 2026
Publicatiedatum
3 juni 2026
Zaaknummer
C/08/345821 JE RK 26/381
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 37 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot wraking kinderrechter in zaak uithuisplaatsing en ondertoezichtstelling ongegrond verklaard

Verzoeker, de vader van een kind dat betrokken is bij een uithuisplaatsing en ondertoezichtstelling, heeft tijdens een zitting op 1 april 2026 een wrakingsverzoek ingediend tegen mr. H.Th. Pos, de kinderrechter die de zaak behandelt. Mr. Pos heeft het wrakingsverzoek schriftelijk bestreden en ontkende elke vorm van vooringenomenheid.

De wrakingskamer heeft het verzoek op 26 mei 2026 openbaar behandeld, waarbij verzoeker aanwezig was en mr. Pos afwezig bleef. De kamer heeft beoordeeld of er sprake is van partijdigheid of de schijn daarvan, waarbij het uitgangspunt is dat rechters onpartijdig worden vermoed tenzij uitzonderlijke omstandigheden dit tegenspreken.

De wrakingskamer concludeerde dat verzoeker geen concrete feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die wijzen op partijdigheid of de schijn daarvan. Het ongenoegen van verzoeker over eerdere beslissingen en de vermeende klakkeloze opvolging van adviezen door de kinderrechter zijn onvoldoende om wraking te rechtvaardigen. Ook het verzoek tot contra-expertise is niet behandeld en vormt geen grond voor wraking.

Verder zijn tijdens de mondelinge behandeling nieuwe gronden aangevoerd die niet tijdig zijn voorgedragen, waardoor deze buiten beschouwing zijn gelaten. De wrakingskamer verklaart het verzoek tot wraking in alle onderdelen ongegrond en benadrukt dat tegen deze beslissing geen rechtsmiddel openstaat.

Uitkomst: Het verzoek tot wraking van de kinderrechter is ongegrond verklaard wegens gebrek aan concrete feiten die partijdigheid aantonen.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK OVERIJSSEL

Wrakingskamer
Zittingsplaats Zwolle
zaaknummer: C/08/345821 JE RK 26/381
Beslissing van 29 mei 2026
in de zaak van
[verzoeker],
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker tot wraking.

1.De procedure

1.1.
Op 1 april 2026 heeft verzoeker tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren een verzoek tot wraking gedaan van mr. H.Th. Pos, rechter in deze rechtbank en in de hoedanigheid van kinderrechter belast met de behandeling van de zaak die is geregistreerd onder C/08/345821 JE RK 26/381. De zaak houdt verband met een uithuisplaatsing en een ondertoezichtstelling van een kind. Verzoeker is de vader van dit kind.
1.2.
Mr. Pos heeft niet berust in de wraking. Hij heeft schriftelijk op het wrakingsverzoek gereageerd. Mr. Pos heeft uitgelegd dat er in zijn visie geen sprake is van (een schijn van) vooringenomenheid, zodat het wrakingsverzoek ongegrond is.
1.3.
De wrakingskamer heeft het wrakingsverzoek van verzoeker op 26 mei 2026 in het openbaar behandeld. Bij de mondelinge behandeling is verzoeker verschenen. Mr. Pos is niet verschenen en heeft dit ook op voorhand laten weten.

2.De beoordeling

2.1.
De wrakingskamer moet beoordelen of de rechter partijdig is of dat de rechter die indruk heeft gewekt. Die indruk gaat niet alleen maar over het persoonlijke gevoel van verzoeker, maar moet “geobjectiveerd” zijn. Dat wil zeggen dat een willekeurige andere persoon in de plaats van verzoeker op grond van bepaalde feiten en omstandigheden óók moet hebben gedacht dat de rechter partijdig is of die schijn heeft gewekt. Het uitgangspunt is dat de rechter vanwege zijn/haar aanstelling als rechter moet worden vermoed onpartijdig te zijn. Dat kan anders zijn als zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat sprake is van (een schijn van) vooringenomenheid van de rechter tegenover verzoeker.
2.2.
De wrakingskamer is van oordeel dat verzoeker geen concrete feiten en omstandigheden heeft aangevoerd waaruit volgt dat mr. Pos partijdig is of die indruk heeft gewekt. De wrakingskamer overweegt daartoe het volgende.
2.3.
De wrakingskamer begrijpt uit hetgeen verzoeker naar voren heeft gebracht dat verzoeker het niet eens is met bepaalde beslissingen van de kinderrechter en vindt dat de GI en de RvdK te klakkeloos worden gevolgd.
De wrakingskamer kan uit het proces-verbaal van de zitting van 1 april 2026 niet afleiden dat er sprake is geweest van vooringenomenheid van mr. Pos dan wel dat de GI of de RvdK zonder meer bij de beoordeling door mr. Pos zouden worden gevolgd. De wrakingskamer geeft geen oordeel over de inhoud van beslissingen van de kinderrechter. Wanneer verzoeker het met de inhoud van beslissingen niet eens is, staat daar hoger beroep tegen open.
In dit geval is, anders dan verzoeker veronderstelt, nog geen beslissing op zijn verzoek tot contra-expertise genomen. Uit de stukken blijkt dat verzoeker voorafgaand aan de mondelinge behandeling een verzoek tot contra-expertise gedaan en dat de griffie van de rechtbank hem van een reactie heeft voorzien, namelijk dat het debat daarover op zitting zou worden gevoerd. Mr. Pos heeft de wrakingskamer in zijn reactie laten weten dat het niet tot een beslissing op dit verzoek is gekomen, omdat hij al daarvoor door verzoeker is gewraakt. Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling blijkt dat het verzoek tot contra-expertise bij de mondelinge behandeling niet aan bod is gekomen. Het is de wrakingskamer evenmin anderszins gebleken dat mr. Pos een beslissing heeft genomen op het verzoek tot contra-expertise. De wrakingskamer hecht er aan om op te merken dat in het geval mr. Pos wel een beslissing genomen zou hebben, een rechterlijke (proces)beslissing over een contra-expertise in beginsel geen grond voor wraking oplevert. Het voorgaande betekent dat het verzoek tot wraking wat deze wrakingsgronden betreft ongegrond is.
2.4.
Wat betreft de twee gronden die verzoeker tijdens de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek voor het eerst heeft genoemd, is artikel 37 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van belang. Dit artikel bepaalt dat bij een wrakingsverzoek alle feiten en omstandigheden tegelijk moeten worden voorgedragen. Nu dat niet het geval is wat betreft de door verzoeker tijdens de mondelinge behandeling van de wrakingskamer voor de eerst genoemde gronden, zal de wrakingskamer deze buiten beschouwing laten. Het wrakingverzoek is dus in al zijn onderdelen ongegrond.

3.De beslissing

De wrakingskamer:
3.1.
verklaart het verzoek tot wraking
ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door de rechters mr. A. van Holten, voorzitter, mr. F. Koster en mr. C.W. Couperus-van Kooten, in tegenwoordigheid van L. Bakker, griffier, en het in openbaar uitgesproken op 29 mei 2026.
de griffier de voorzitter
De griffier is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.