Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:3065

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
3 juni 2026
Zaaknummer
ak_25_369
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 7:15 AwbArt. 8:57 AwbArt. 8:66 AwbArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

De rechtbank bevestigt afwijzing handhavingsverzoek maar corrigeert proceskostenvergoeding

Het college van burgemeester en wethouders van Deventer wees een verzoek om handhavend optreden af dat was ingediend door eisers vanwege vermeende overtredingen rondom een adres. De rechtbank Overijssel bevestigt dat het college terecht het handhavingsverzoek heeft afgewezen, mede omdat eerdere controles geen overtredingen hadden vastgesteld en er geen nieuwe feiten waren aangevoerd.

Eisers voerden meerdere beroepsgronden aan, waaronder het ontbreken van controles, onvoldoende onderbouwing van het advies van de Algemene bezwaarschriftencommissie, en een te lage proceskostenvergoeding. De rechtbank verwierp de meeste gronden, maar stelde vast dat het college ten onrechte een wegingsfactor van 0,25 toepaste bij de proceskostenvergoeding in bezwaar, terwijl de standaardfactor 1 had moeten gelden.

Daarnaast wees de rechtbank het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af, omdat de redelijke termijn nog niet was overschreden. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit voor zover het de proceskostenvergoeding betrof en bepaalde zelf een vergoeding van €597,- in bezwaar en €934,- voor de beroepsfase, plus vergoeding van het griffierecht.

De uitspraak bevestigt het belang van correcte toepassing van proceskostenregels en benadrukt dat het college het handhavingsverzoek terecht heeft afgewezen op basis van eerdere controles en motiveringen.

Uitkomst: Het beroep is gegrond voor de proceskostenvergoeding, die wordt verhoogd naar €597,-, terwijl het handhavingsverzoek terecht is afgewezen en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/369

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eisers], wonende te [woonplaats],
hierna gezamenlijk te noemen: [eisers]
(gemachtigde: mr. V.W.J.H. Kobossen),
en

het college van burgemeester en wethouders van Deventer,

hierna: het college
(gemachtigde: ing. [gemachtigde]).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het college van het verzoek om handhaving van [eisers] vanwege gestelde overtredingen rondom de [adres 1]. [eisers] zijn het niet eens met de afwijzing. Zij menen dat het college ten onrechte geen controles heeft uitgevoerd, het advies van de Algemene bezwaarschriftencommissie tekortschiet, het college niet heeft besloten op hun klacht over het gebruik van de openbare weg en het college een te lage proceskostenvergoeding in bezwaar heeft toegekend.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het handhavingsverzoek terecht heeft afgewezen, maar dat het college een te lage proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase heeft toegekend. [eisers] krijgen dus deels gelijk en het beroep is daarmee gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. [eisers] hebben op 21 juni 2024 het college verzocht handhavend op te treden tegen de volgende overtredingen: (1) het gooien van speren tijdens gymlessen op de openbare weg en openbaar groen, (2) plaatsing van rijwielen op de grasstroken in de [adres 1], (3) het gebruik van de gymzalen van [adres 2] voor niet-maatschappelijke doeleinden, (4) plaatsing van een zitje in openbaar gebied, (5) het aanbrengen van lichtbakken aan de school en (6) strijdig gebruik en strijdige bebouwing op de openbare weg met bestemming ‘Verkeer’.
4. Bij besluit van 12 juli 2024 heeft het college het verzoek om handhaving afgewezen.
5. Op 26 september 2024 heeft het college een nieuw besluit genomen dat het besluit van 12 juli 2024 vervangt. In dit nieuwe besluit wijst het college het verzoek om handhaving opnieuw af, met een uitgebreidere motivering.
6. Bij besluit van 24 december 2024 (het bestreden besluit) heeft het college het door [eisers] ingediende bezwaar tegen het besluit van 12 juli 2024 (dat van rechtswege mede was gericht tegen het besluit van 26 september 2024) ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek om handhaving in stand gelaten.
7. [eisers] hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
8. Partijen hebben de rechtbank laten weten dat zij een zitting niet nodig vinden en hebben de rechtbank verzocht om uitspraak te doen zonder een zitting. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

9. [eisers] voeren in hun beroepschrift en de aanvullingen daarop meerdere beroepsgronden aan. De rechtbank zal de gronden hierna puntsgewijs bespreken.
Controles
10. [eisers] stellen zich op het standpunt dat het college ten onrechte niet heeft gecontroleerd naar aanleiding van het handhavingsverzoek van 21 juni 2024. Dit is een gebrek omdat het college daardoor geen overtredingen kan vaststellen.
11. De rechtbank overweegt dat het handhavingsverzoek van [eisers] van 21 juni 2024 bijna identiek is aan een handhavingsverzoek dat vier van de verzoekers om handhaving hebben ingediend op 21 maart 2024. Alleen ten aanzien van het speerwerpen door leerlingen op de openbare weg en openbaar groen wijkt het verzoek om handhaving af. In het kader van dit eerdere verzoek om handhaving heeft het college controles uit laten voeren op 2 april, 8 april, 6 juni, 11 juni en 12 juni 2024. Bij die controles zijn geen overtredingen geconstateerd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college onder verwijzing naar de uitgevoerde controles in het kader van dit eerder gedane handhavingsverzoek kunnen volstaan met de conclusie dat er geen overtredingen hebben plaatsgevonden. De rechtbank acht het daarbij relevant dat het handhavingsverzoek vrijwel identiek is aan dat van 21 maart 2024 en [eisers] geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben aangevoerd. Ten aanzien van het speerwerpen heeft het college kunnen volstaan met de constatering dat deze activiteit op eigen grond van de school heeft plaatsgevonden, waar de bestemming ‘Sport’ geldt in het bestemmingsplan ‘Chw Marke Zuid’ en dat dit daarom geen strijdig gebruik oplevert.
12. De beroepsgrond slaagt niet.
Het advies van de Algemene bezwaarschriftencommissie
13. [eisers] voeren verder aan dat het advies van de Algemene bezwaarschriftencommissie onvoldoende is onderbouwd.
14. De rechtbank overweegt dat [eisers] deze stelling niet verder hebben onderbouwd. De rechtbank ziet geen aanleiding voor de conclusie dat het advies van de Algemene bezwaarschriften, en daarmee de motivering van het college van het bestreden besluit, tekortschiet.
15. De beroepsgrond slaagt niet.
Handhaving t.a.v. de openbare weg
16. [eisers] stellen zich daarnaast op het standpunt dat het college heeft miskend dat het verzoek om handhaving ook ziet op de strijdigheden die plaatsvinden ten aanzien van de openbare weg, de Hademanstraat,
17. De rechtbank overweegt dat het college in het besluit van 26 september 2024 is ingegaan op deze specifieke klacht in het handhavingsverzoek van [eisers] Er is in het bestreden besluit van 24 december 2024, onder verwijzing naar de adviezen van de Algemene bezwaarschriftencommissie in zowel het bezwaar gericht tegen onderhavig handhavingsverzoek als het bezwaar gericht tegen het handhavingsverzoek van 21 maart 2024, ook voldoende aandacht besteed aan het bezwaar van [eisers] gericht op deze klacht. De rechtbank kan [eisers] daarom niet volgen in het standpunt dat er niet zou zijn gereageerd op de klacht over de strijdigheden die plaatsvinden op de openbare weg, of dat de motivering daartoe tekortschiet.
18. De beroepsgrond slaagt niet.
De proceskosten in bezwaar
19. [eisers] voeren tot slot aan dat het college het bezwaar gegrond had moeten verklaren en ten onrechte een wegingsfactor van 0,25 heeft toegepast ten aanzien van de toekenning van de vergoeding van de gemaakte proceskosten. Bovendien hadden er twee punten moeten worden toegekend, omdat er een bezwaarschrift is ingediend en een nadere reactie.
20. De rechtbank overweegt ten aanzien van de proceskosten in bezwaar als volgt.
21. Volgens rechtspraak van de Afdeling beoordeelt de bestuursrechter zelfstandig in welke gewichtscategorie een zaak valt, met toepassing van de regels die op grond van de artikelen 7:15, vierde lid, en artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zijn gesteld in het Bpb en de bij dit besluit behorende bijlage. De bestuursrechter is daarbij niet gebonden aan het oordeel van het bestuursorgaan en kan de juistheid van het oordeel van het bestuursorgaan met betrekking tot deze factor volledig toetsen. De behandeling van een zaak behoort verder in beginsel tot de categorie gemiddeld (met wegingsfactor 1), tenzij er duidelijke redenen zijn hiervan af te wijken. [2]
22. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er in dit geval geen duidelijke redenen om af te wijken van de standaardwegingsfactor 1. Het college heeft een herstelbesluit genomen op 26 september 2024 dat het eerdere besluit van 12 juli 2024 vervangt, en daarom een proceskostenvergoeding in bezwaar toegekend, bestaande uit 1 punt (ter hoogte van € 597,-) voor het indienen van een bezwaarschrift, vermenigvuldigd met wegingsfactor 0,25 (zeer licht) op grond van onderdeel C1 van de bijlage behorende bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) en artikel 3 van Pro de Beleidsregels wegingsfactoren proceskosten bezwaarschriftenprocedures 2015 (de Beleidsregels). De toegekende proceskostenvergoeding is daarmee uitgekomen op € 149,25. Echter, volgens artikel 3 van Pro de Beleidsregels wordt de wegingsfactor 0,25 slechts toegepast in drie situaties, namelijk in (a) zaken waarin het bezwaarschrift kennelijk gegrond is, (b) zaken waarin een kenbare schrijffout in het bestreden besluit is gemaakt en (c) zaken waarin het bezwaarschrift marginaal is onderbouwd. Geen van de drie situaties doet zich hier voor. Het college heeft de wegingsfactor 0,25 toegepast omdat het bezwaarschrift kennelijk gegrond zou zijn. Dit is echter niet het geval, getuige dat er een hoorzitting plaats heeft gevonden (waarbij [eisers] overigens niet zijn verschenen) en in het bestreden besluit het bezwaar ongegrond is verklaard. Ook de situaties zoals onder (b) en (c) van artikel 3 van Pro de Beleidsregels doen zich niet voor. Het college heeft daarom ten onrechte een wegingsfactor 0,25 toegepast, in plaats van de gemiddelde wegingsfactor 1. Het standpunt van [eisers] dat zij twee punten in bezwaar toegekend moeten krijgen omdat hun gemachtigde een nadere reactie heeft ingediend, slaagt niet, nu voor dergelijke nadere reacties of stukken in de bijlage bij het Bpb geen aparte punten voor worden toegekend.
23. De beroepsgrond slaagt.
Overschrijding redelijke termijn
24. [eisers] hebben bij e-mail van 6 mei 2026, dus na sluiting van het onderzoek, de rechtbank verzocht om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
25. In beginsel is de rechtbank niet gehouden om te toetsen of de redelijke termijn bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden wanneer in beroep niet over de duur van de procedure wordt geklaagd. Dat is slechts anders indien ten tijde van het sluiten van het onderzoek geen sprake was van een overschrijding van de redelijke termijn en deze, uitgaande van de in artikel 8:66 van Pro de Awb neergelegde termijn voor het doen van een schriftelijke uitspraak, ook niet te voorzien was en de uitspraak in een dergelijk geval desondanks gedaan wordt met overschrijding van die termijn. [3] Dit laatste geval doet zich niet voor. Het college heeft het bezwaarschrift van [eisers] ontvangen op 24 juli 2024. Ten tijde van het doen van deze uitspraak is de redelijke termijn van twee jaren dan ook nog niet overschreden.
26. De rechtbank zal het verzoek om schadevergoeding afwijzen.

Conclusie en gevolgen

27. Het beroep is gegrond voor wat betreft de hoogte van de proceskostenvergoeding in bezwaar. Het college heeft het handhavingsverzoek terecht afgewezen. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit, voor zover het college een proceskostenvergoeding heeft toegekend van € 149,25. De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht nu zelf een beslissing en bepaalt dat de proceskostenvergoeding in bezwaar wordt vastgesteld op € 597,- (1 punt, wegingsfactor 1). Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan [eisers] vergoeden en krijgen zij ook een vergoeding van hun proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Bpb als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen Venneman een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend. De vergoeding voor het beroep bedraagt dan in totaal € 934,-.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 24 december 2024 voor zover dat ziet op de toekenning van de proceskostenvergoeding;
- bepaalt dat het college een proceskostenvergoeding in bezwaar dient te vergoeden ter hoogte van het bedrag van € 597,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde deel van het bestreden besluit;
- veroordeelt het college tot betaling van € 597,- aan proceskosten voor de bezwaarfase aan [eisers]
- veroordeelt het college tot betaling van € 934,- aan proceskosten voor de beroepsfase aan [eisers].
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan [eisers] moet vergoeden;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af;
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Rozeboom, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.P. Fortuin, griffier, uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 november 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3022.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 21 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3350.