Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:3097

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
346783
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWArt. 1:265c lid 2 BWArt. 2 Besluit gezagsregisters
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige wegens ongewijzigde onveilige thuissituatie

De rechtbank Overijssel heeft op 4 juni 2026 besloten tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige tot 17 juni 2027. Dit besluit volgt op eerdere maatregelen die in juni 2025 zijn genomen vanwege ernstige zorgen over de veiligheid en het welzijn van de minderjarige in de thuissituatie bij de moeder.

De gecertificeerde instelling (GI) heeft aangevoerd dat de situatie bij de moeder niet is verbeterd; er is sprake van emotionele, fysieke en pedagogische onveiligheid. De moeder weigert hulpverlening en regelt belangrijke zaken voor de minderjarige onvoldoende, wat de ontwikkeling van het kind bedreigt. De minderjarige zelf wil niet terug naar huis en wenst geen contact met de moeder.

De rechtbank oordeelt dat verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de minderjarige. Er wordt niet meer ingezet op terugplaatsing bij de moeder, mede omdat contact met de moeder stress en trauma’s bij de minderjarige veroorzaakt. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en er is een brief aan de minderjarige gestuurd om haar de beslissing en het belang ervan uit te leggen.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige tot 17 juni 2027 vanwege blijvende onveiligheid en gebrek aan samenwerking van de moeder.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Zwolle
Zaaknummer: C/08/346783 / JE RK 26-550
Datum uitspraak: 4 juni 2026
Beschikking van de meervoudige kamer
in de zaak van
Jeugdbescherming Overijssel,
gevestigd te Zwolle,
hierna te noemen de gecertificeerde instelling (GI),
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. G.J. Zwolle uit Steenwijk,
en
[minderjarige].

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 7 april 2026;
  • een brief van 30 april 2026 van de GI aan de moeder, ontvangen op 4 mei 2026;
  • een bericht met bijlage van de GI, ontvangen op 21 mei 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 21 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door mr. Zwolle;
- [naam 1] en [naam 2] namens de GI.
1.3.
De rechtbank heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover op 18 mei 2026 een gesprek gevoerd met de rechtbank. Tijdens de zitting heeft de rechtbank samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het gezag over [minderjarige] .
2.2.
Bij beschikking van 17 juni 2025 is [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 17 juni 2026 en is een machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg verleend voor de duur van de ondertoezichtstelling.
2.3.
Op 23 maart 2026 heeft de GI een aankondiging beslissing over contact tijdens uithuisplaatsing aan de moeder afgegeven, waarin het volgende is opgenomen:
- eventueel contact tussen u en [minderjarige] vindt plaats onder regie van de GI;
- op dit moment vindt er geen contact plaats tussen u en [minderjarige] en
- mocht het in de toekomst in het belang van [minderjarige] zijn dat er contact
plaatsvindt, zal [minderjarige] dit aangeven bij de GI, waarna de GI zal kijken naar
mogelijkheden voor begeleid contact.
2.4.
Bij beschikking van 25 maart 2026 heeft de kinderrechter de GI toestemming verleend tot wijziging van het verblijf van [minderjarige] en een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, dan wel een gezinsgerichte accommodatie verleend tot 17 juni 2026.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van een jaar.
3.2.
Ter onderbouwing van het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling stelt de GI dat het de moeder niet lukt om de ontwikkelingsbedreiging voor [minderjarige] weg te nemen. Zo geeft de moeder geen toestemming voor behandeling van [minderjarige] , regelt zij belangrijke zaken niet en neemt zij gezagsbeslissingen niet. Omdat [minderjarige] niet wil dat de moeder bepaalde zaken over haar weet, is de moeder ook niet op de hoogte van de situatie van [minderjarige] . De GI denkt dat het goed is dat de moeder ondersteuning krijgt in de huidige situatie omdat er veel weerstand bij de moeder is tegen hulpverlening en tegen adviezen van de GI. Daarnaast moet de hulpverlening een vertaalslag voor de moeder maken omdat de GI merkt dat de moeder rapporten niet begrijpt en erkent. De GI hoopt dat er meer zicht komt op het psychisch welbevinden van de moeder zodat duidelijk wordt hoe de moeder en [minderjarige] hierin geholpen kunnen worden. Naar de mening van de GI is de aanvaardbare termijn voor [minderjarige] inmiddels verstreken en heeft [minderjarige] behoefte aan duidelijkheid over de rol van de moeder in haar opvoeding en verzorging.
3.3.
De GI stelt ter onderbouwing van de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing dat plaatsing van [minderjarige] buiten het gezin blijvend noodzakelijk is en dat niet meer hoeft te worden gewerkt aan een thuisplaatsing bij de moeder. De GI heeft in de brief van 30 april 2026 aan de moeder te kennen gegeven dat [minderjarige] niet meer naar huis kan omdat er niets is veranderd in de situatie bij de moeder: patronen die in de weg staan aan terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder zijn niet veranderd en niet is gebleken dat de moeder voor zichzelf hulp heeft gezocht. Volgens de GI is bij de moeder thuis nog steeds sprake van emotionele, fysieke en pedagogische onveiligheid. [minderjarige] wil zelf ook niet meer naar huis en wil geen contact met haar moeder. Het plan is dat [minderjarige] in fases gaat toewerken naar zelfstandigheid. Vooralsnog ziet de GI geen aanleiding om te laten onderzoeken of een gezagsbeëindigende maatregel nodig is, maar zij houdt dit wel in het achterhoofd, gelet op de wens van [minderjarige] en de ontbrekende samenwerking met de moeder.

4.De standpunten

4.1.
[minderjarige] is blij met de inzet van de GI en Trias en zij vindt het lastig dat haar moeder zaken waarover zij als gezaghebbende ouder moet beslissen, tegenhoudt. Verder vindt zij het lastig dat haar moeder veel over haar wil weten. [minderjarige] wil niet terug naar huis en zij wil geen contact met haar moeder. Zij merkt dat het haar rust geeft dat ze nu geen contact met haar moeder heeft. Zij zit goed op de groep en zij wil toewerken naar zelfstandigheid.
4.2.
De moeder vindt dat de rechtbank moet beslissen wat [minderjarige] nodig heeft, maar zij heeft zelf de wens dat [minderjarige] weer bij haar komt wonen. Zij vindt het jammer dat [minderjarige] niet terug naar huis wil en geen contact met haar wil. De moeder betwist dat zij belangrijke zaken voor [minderjarige] niet regelt en zij herkent het beeld dat de GI over haar schetst dus niet. Ook betwist zij de zorgen over haar psychisch welbevinden. Volgens de moeder bevat het verzoekschrift geen actuele zorgen en worden er aannames gedaan op basis van oude informatie. Zij staat niet open voor hulp voor zichzelf en voor [minderjarige] als zij niet precies weet wat het inhoudt en zij heeft weinig vertrouwen in de GI en in de hulpverlening door vervelende ervaringen in het verleden. De moeder heeft ook twijfels over het perspectiefbesluit omdat dit is genomen naar aanleiding van de uitgevoerde beoordelingsboog in de situatie waarin [minderjarige] bij haar tante verbleef.

5.De beoordeling

5.1.
De rechtbank is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. [2] De rechtbank legt hieronder uit waarom.
verlenging ondertoezichtstelling
5.2.
[minderjarige] is in juni 2025 onder toezicht gesteld en met een machtiging tot uithuisplaatsing bij haar tante gaan wonen omdat er ernstige zorgen waren over [minderjarige] in verband met het ontbreken van de noodzakelijke emotionele, fysieke en pedagogische veiligheid in de thuissituatie bij de moeder. Er was sprake van geweld en verwaarlozing door de moeder. De situatie bij de moeder is sindsdien niet gewijzigd en er zijn nog steeds grote zorgen over het psychisch welbevinden van de moeder. Ondanks dringend advies van de Raad voor de Kinderbescherming, de GI en de huisarts, gaat de moeder geen hulpverlening voor zichzelf aan en laat zij geen hulpverleners toe in haar huis. Daar komt bij dat de moeder zaken voor [minderjarige] onvoldoende regelt doordat zij geen (of pas laat) toestemming geeft voor gezagsbeslissingen zoals bezoek aan en behandeling door de tandarts en de huisarts en een benodigde behandeling bij Accare voor [minderjarige] . De rechtbank is van oordeel dat [minderjarige] door dit alles nog steeds ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd en dat de noodzakelijke hulp niet door de moeder wordt geaccepteerd. Een ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De rechtbank zal deze dan ook verlengen met een jaar.
verlenging machtiging uithuisplaatsing
5.3.
In maart 2026 is [minderjarige] met spoed bij Triade Vitree geplaatst omdat de situatie bij de tante onhoudbaar was geworden en [minderjarige] niet terug naar de moeder kon vanwege de situatie bij de moeder thuis en vanwege het ontbreken van contact tussen [minderjarige] en de moeder. [minderjarige] wil zelf ook niet terug naar de moeder zolang de moeder niet met haar eigen problematiek aan de slag gaat en hulp accepteert. Herstel van het contact tussen [minderjarige] en de moeder is niet mogelijk gebleken omdat de moeder pogingen hiertoe heeft afgewezen. Uit de afgenomen beoordelingsboog en de brief van de GI aan de moeder van 30 april 2026 blijkt dat de GI heeft besloten dat [minderjarige] niet bij de moeder kan opgroeien en dat er niet meer wordt toegewerkt aan een thuisplaatsing. Ook blijkt uit de brief dat contact tussen de moeder en [minderjarige] niet in het belang van [minderjarige] is, omdat dat contact [minderjarige] stress en herbelevingen geeft. De GI acht terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder thuis zeer schadelijk voor [minderjarige] . [minderjarige] zal stagneren in haar ontwikkeling en er kan dan niet aangesloten worden bij haar (on)mogelijkheden. Bovendien zal thuisplaatsing haar opgelopen trauma’s triggeren, omdat zij daar nog geen behandeling voor heeft gehad. Hoewel de wens van de moeder tot contactherstel en een thuisplaatsing op zichzelf begrijpelijk is, vindt de rechtbank dat van de GI niet gevraagd kan worden in te zetten op herstel van contact tegen de wil van [minderjarige] in en op een thuisplaatsing van [minderjarige] .
5.4.
Al het voorgaande maakt dat een machtiging tot uithuisplaatsing nog steeds nodig is. De rechtbank verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing daarom voor de duur van een jaar. In het aankomende jaar zal duidelijk moeten worden of het de moeder lukt om de samenwerking met de GI aan te gaan in het belang van [minderjarige] en of het haar lukt om de gezagsbeslissingen adequaat over [minderjarige] te nemen. Verder zal in het aankomende jaar gewerkt worden richting zelfstandigheid van [minderjarige] .
5.5.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [3]
5.6.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5.7.
De rechtbank zal gelijktijdig met deze uitspraak een brief sturen naar [minderjarige] met de volgende inhoud:
Beste [minderjarige] ,
Op 18 mei heb je met de rechter gepraat. Jullie hebben toen gepraat over de ots en over dat jij niet meer thuis woont. Je hebt toen verteld dat je niet terug naar huis wil omdat er in de afgelopen jaren bij je moeder niets is veranderd. Als je 16 jaar bent, wil je begeleid gaan wonen.
Op 21 mei hebben drie rechters met je moeder en met twee jeugdbeschermers gesproken . Daarna hebben de rechters een beslissing genomen. De rechters hebben beslist dat de ots blijft en dat je niet terug naar huis gaat. Zij vinden dat dit het beste voor jou is, omdat jij veel hebt meegemaakt toen je nog bij jouw moeder thuis woonde en jouw moeder nu nog steeds niet goed voor jou kan zorgen. . Hopelijk heb je hiermee duidelijkheid over waar je woont.
Dank je wel dat je naar het gesprek was gekomen om met de rechter te praten.
Ik wens je het allerbeste.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 17 juni 2027;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 17 juni 2027;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. M. Vodegel, mr. K. van Leeuwen en mr. M. van der Hoeven, kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2026, in aanwezigheid van J.C. Bouman als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.
2.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.
3.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.