Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:3126

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
5 juni 2026
Zaaknummer
ak_25_3765
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 AKWArt. 19 AKWArt. 6:15 AwbBeleidsregel SB1014Beleidsregel SB1093
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling kinderbijslag geschorst wegens niet verstrekken informatie over onderhoud kind

Eiseres ontving kinderbijslag voor haar vijf kinderen, waaronder [naam 1]. De SVB ontdekte dat [naam 1] per 28 mei 2024 op een ander adres was ingeschreven en verzocht eiseres meerdere malen om informatie over het onderhoud van het kind. Ondanks herhaalde brieven en telefoontjes verstrekte eiseres geen inhoudelijke reactie. De SVB besloot daarom op 15 augustus 2025 de betaling van de kinderbijslag vanaf het tweede kwartaal van 2025 te schorsen.

Eiseres voerde aan dat zij de Nederlandse taal onvoldoende beheerst, dat er sprake was van een problematische situatie van het kind en dat de SVB onvoldoende zorgvuldigheid betrachtte, onder meer door geen tolk aan te bieden en onvoldoende rekening te houden met haar persoonlijke omstandigheden. De SVB handhaafde haar besluit en stelde dat de schorsing terecht was vanwege het ontbreken van de gevraagde informatie.

De rechtbank oordeelde dat het feit dat [naam 1] niet langer tot het huishouden van eiseres behoort vaststaat en dat de SVB gerechtigd was om de betaling te schorsen vanwege het ontbreken van informatie over het onderhoud. De zorgplicht van de SVB strekt niet zover dat zij eiseres moet ondersteunen bij taalproblemen. Het beroep werd ongegrond verklaard, het bestreden besluit bleef in stand en het beroepschrift werd doorgezonden als bezwaarschrift tegen een eerder herzieningsbesluit.

Uitkomst: Het beroep tegen de schorsing van de kinderbijslag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/3765

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres,

en

de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (SVB),

gemachtigde: mr. S. Venema en mr. C.A. van der Vlist.

Procesverloop

1.1
Bij besluit van 15 augustus 2025 heeft de SVB eiseres meegedeeld dat de betaling van de kinderbijslag voor [naam 1] vanaf het tweede kwartaal van 2025 tijdelijk stopt.
1.2
Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van
3 december 2025 op het bezwaar van eiseres is de SVB bij dit besluit gebleven.
1.3
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De SVB heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4
De rechtbank heeft het beroep op 17 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, bijgestaan door haar partner [naam 2], en de gemachtigden van de SVB.

Totstandkoming van het bestreden besluit

2. Eiseres heeft kinderbijslag ontvangen voor haar vijf kinderen. De SVB is gebleken dat [naam 1] per 28 mei 2024 is ingeschreven op een ander adres dan het adres van eiseres. Bij brief van 17 juli 2024 heeft de SVB eiseres verzocht informatie te verstrekken over het onderhoud van [naam 1]. Op 30 mei 2025 heeft de SVB een herinneringsbrief gestuurd aan eiseres. De SVB heeft van eiseres geen informatie ontvangen. Omdat de SVB naar aanleiding van de eerste brief eerder had moeten rappelleren, heeft de SVB aanleiding gezien op 20 juni 2025 nogmaals te verzoeken de informatie op te sturen. De SVB heeft hierop geen antwoord ontvangen. De SVB is gebleken dat [naam 1] op 24 juni 2025 opnieuw is verhuisd naar een andere locatie. Bij brief van 18 juli 2025 heeft de SVB nogmaals gerappelleerd. Ook hierop heeft de SVB geen antwoord ontvangen. Vervolgens heeft besluitvorming plaatsgevonden, zoals vermeld onder 'Procesverloop'.

Standpunten van partijen

3.1
De SVB stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat de schorsing van het recht op kinderbijslag voor [naam 1] terecht is. In de periode van 17 juli 2024 tot en met
15 augustus 2025 is eiseres verzocht informatie te verstrekken, maar hierop is geen inhoudelijke reactie ontvangen. Ten tijde van het besluit van 15 augustus 2025 had de SVB geen informatie van eiseres ontvangen. De argumenten in het bezwaarschrift kunnen niet leiden tot een andere beslissing. Eiseres is in bezwaar in de gelegenheid gesteld alsnog inhoudelijk te reageren. Telefonisch contact en aan eiseres toegezonden brieven, hebben er niet toe geleid dat de gevraagde informatie alsnog is verstrekt.
3.2
Eiseres stelt dat de SVB de werkelijke situatie van [naam 1] niet correct heeft beoordeeld. Zij heeft niet vrijwillig het ouderlijk huis verlaten en bevindt zich al langere tijd in een problematische en onduidelijke situatie, waarin zij niet uit eigen vrije wil elders verblijft. De SVB heeft ten onrechte aangenomen dat zij 'uitwonend' is zonder de omstandigheden die tot haar afwezigheid hebben geleid te onderzoeken.
De communicatie van de SVB was onduidelijk en niet toegankelijk. Eiseres beheerst de Nederlandse taal niet voldoende om officiële brieven goed te begrijpen. Tijdens het telefoongesprek op 17 juli 2025 werd duidelijk dat er een taalbarrière bestond. De SVB heeft geen tolk aangeboden, ook niet nadat bleek dat communicatie moeilijk verliep. Een deel van de brieven heeft eiseres niet of pas heel laat ontvangen. Eiseres is van mening dat de SVB volgens de wettelijke zorgplicht rekening had moeten houden met haar beperkte taalvaardigheid en aanvullende ondersteuning had moeten bieden.
De SVB heeft de belangen van het kind niet centraal gesteld. De stopzetting van de kinderbijslag heeft geleid tot ernstige financiële problemen, afsluiting van gas en elektriciteit van de woning, stress en schade voor de kinderen van eiseres. Volgens eiseres is dit in strijd met het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK).
Het onderzoek van de SVB was onvolledig en eenzijdig. De SVB heeft haar besluit uitsluitend gebaseerd op het feit dat er onvoldoende informatie zou zijn aangeleverd. De SVB heeft niet onderzocht waarom [naam 1] niet thuis verblijft, waarom eiseres moeite had met het aanleveren van formulieren, welke omstandigheden buiten de schuld van eiseres hierbij een rol spelen en welke invloed eerdere problemen met de gemeente Ommen hebben gehad. Daarmee voldoet de SVB niet aan de eis van een zorgvuldige besluitvorming.
De SVB is verplicht om persoonlijke omstandigheden van de verzekerde mee te wegen, te zorgen voor begrijpelijke communicatie en te helpen wanneer er duidelijk een taal- of communicatieproblemen bestaat. Dit is niet gebeurd, waardoor het besluit gebrekkig en onzorgvuldig is.
3.3
De SVB ziet in het aangevoerde geen aanleiding haar standpunt te wijzigen. De SVB heeft erop gewezen dat de SVB in haar besluit van 4 december 2025 het recht op kinderbijslag inmiddels heeft herzien vanaf het derde kwartaal van 2024. Hiermee is het schorsingsbesluit van 15 augustus 2025 achterhaald en zou het beroepschrift, dat zich richt tegen de beslissing op bezwaar van 3 december 2025, niet ontvankelijk moeten worden geacht. Eiseres heeft geen bezwaar gemaakt tegen het herzieningsbesluit van 4 december 2025.
De SVB is van mening dat de kinderbijslag terecht is geschorst vanaf het tweede kwartaal van 2025, omdat onzeker was of er voor eiseres nog aanspraak bestond op de kinderbijslag voor [naam 1]. De SVB heeft op meerdere momenten onderzoek formulieren toegezonden om eiseres in de gelegenheid te stellen om de onderhoudskosten voor [naam 1] in te vullen.

Wettelijk kader

4.1
Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de AKW heeft de verzekerde overeenkomstig de bepalingen van deze wet recht op kinderbijslag voor een kind dat jonger is dan 18 jaar en dat:
a. tot zijn huishouden behoort, of
b. door hem wordt onderhouden.
4.2
Beleidsregel SB1014, voor zover van belang:
"(...)
Een kind wordt ook geacht tot een huishouden te behoren wanneer het daar normaal deel van uitmaakt maar tijdelijk - bijvoorbeeld vanwege vakantie of opname in een inrichting of ziekenhuis - elders verblijft. De SVB beschouwt een verblijf van het kind in een inrichting of ziekenhuis als tijdelijk indien dit verblijf naar verwachting niet langer dan zes maanden zal duren. Als de opname onvoorzien langer duurt dan zes maanden, dan wordt het kind na afloop van die periode niet meer geacht tot het huishouden te behoren. Is al bij aanvang van de opname bekend dat het verblijf langer dan zes maanden zal duren dan wordt het kind vanaf de eerste dag geacht niet meer tot het huishouden te behoren.
Een verblijf van het kind in een instelling vanwege detentie of een verplichte of vrijwillige uithuisplaatsing beschouwt de SVB niet als tijdelijk, ongeacht of dit verblijf korter of langer dan zes maanden duurt. Het kind wordt dan niet geacht tot het huishouden te behoren. Een uitzondering geldt als sprake is van een crisisplaatsing van maximaal een maand. In dat geval wordt het kind wel geacht tot het huishouden te blijven behoren.
(...)"
4.3
Artikel 19 van Pro de AKW bepaalt dat de SVB de betaling van de kinderbijslag opschort of schorst, indien zij op grond van duidelijke aanwijzingen van oordeel is of het gegronde vermoeden heeft, dat:
het recht op kinderbijslag niet of niet meer bestaat;
recht op een lagere kinderbijslag bestaat, of
de verzekerde, alsmede de persoon aan wie of de instelling aan welke op grond van artikel 21 kinderbijslag Pro wordt betaald, een verplichting hem of haar op grond van de artikelen 15, 15a, eerste lid, en 16 opgelegd, niet is nagekomen.
4.4
Beleidsregels SB1093:
De SVB gaat over tot opschorting of schorsing als de betrokkene na te zijn gerappelleerd niet aan een verzoek van de SVB heeft voldaan. Als betrokkene niet reageert op de schorsing of opschorting, dan herziet de SVB de uitkering of trekt deze in. Indien geen onzekerheid bestaat over het recht op al uitbetaalde kinderbijslag, gaat de SVB niet eerst over tot opschorting of schorsing. In dat geval past de SVB art. 14a, lid 1, onderdeel c toe en beëindigt of herziet de SVB de kinderbijslag zonder terugwerkende kracht.

Beoordeling door de rechtbank

Procesbelang
5. De rechtbank ziet geen aanleiding te concluderen dat sprake is van een ontbrekend procesbelang. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
5.1
Bij besluit van 4 december 2025 heeft de SVB eiseres meegedeeld dat de zij vanaf het derde kwartaal van 2024 geen recht meer heeft op kinderbijslag voor [naam 1]. De te veel betaalde kinderbijslag over het derde kwartaal van 2024 tot en met het tweede kwartaal van 2025 tot een bedrag van € 1.623,24 heeft de SVB van eiseres teruggevorderd. Eiseres heeft bij de SVB geen bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
5.2
Gelet op wat er is aangevoerd in het beroepschrift dat eiseres op 20 december 2025 heeft ingediend tegen het bestreden besluit, dat ziet op het schorsingsbesluit, is de rechtbank van oordeel dat het beroepschrift mede moet worden aangemerkt als een bezwaarschrift tegen het besluit van 4 december 2025. De rechtbank zal het beroepschrift dan ook op grond van artikel 6:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht als bezwaarschrift ter behandeling doorsturen aan de SVB.
5.3
Aangezien moet worden vastgesteld dat het besluit van 4 december 2025 met het vorenstaande nog niet rechtens onaantastbaar is geworden, is de rechtbank van oordeel dat eiseres een procesbelang heeft ten aanzien van het beroep tegen het bestreden besluit dat ziet op het schorsingsbesluit.
Ten aanzien van de schorsing van de kinderbijslag.
6. De rechtbank beoordeelt of de SVB heeft kunnen besluiten de betaling van de kinderbijslag voor [naam 1] vanaf het tweede kwartaal van 2025 tijdelijk stop te zetten (te schorsen). Zij doet dat aan de hand van wat eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
7. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
7.1
De SVB heeft informatie ontvangen, waaruit is gebleken dat [naam 1] per 28 mei 2024 is ingeschreven op een ander adres dan het adres van eiseres. Dit betekent dat zij niet langer tot het huishouden van eiseres behoort. Het betreft een uithuisplaatsing. Het gaat hierbij om een feitelijke vaststelling. De feiten en omstandigheden die hiertoe hebben geleid zijn voor deze vaststelling niet van belang.
7.2
Nu [naam 1] niet langer tot het huishouden van eiseres behoort, heeft eiseres, gelet op het bepaalde in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b., van de AKW alleen recht op kinderbijslag voor [naam 1], indien zij door eiseres wordt onderhouden. Om te kunnen vaststellen of dit het geval is, dient de SVB te beschikken over informatie over het onderhoud van [naam 1]. De SVB heeft op 17 juli 2024, 30 mei 2025, 20 juni 2025 en
18 juli 2025 brieven gestuurd aan eiseres met het verzoek hierover informatie te verstrekken. Daarbij heeft de SVB eiseres erop gewezen dat de betaling van de kinderbijslag kan worden gestopt, indien zij de gevraagde informatie niet verstrekt. De SVB heeft de gevraagde informatie niet van eiseres ontvangen. Gelet hierop heeft de SVB kunnen besluiten tot schorsing van de betaling van de kinderbijslag vanaf het tweede kwartaal van 2025.
7.3
Hetgeen eiseres heeft aangevoerd leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Dat eiseres de Nederlandse taal niet goed spreekt en daardoor officiële brieven niet begrijpt, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De zorgplicht van de SVB voert niet zover dat zij eiseres hierbij ondersteuning dient te bieden. Het is aan eiseres om hier zelf hulp bij te zoeken van derden.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
9. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt eiseres het griffierecht niet terug. Ook is er geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • zendt het beroepschrift van 20 december 2025 door aan het SVB zoals is bepaald in overweging 5.2. van deze uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.T. de Kwaasteniet, rechter, in aanwezigheid van
W. Veldman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.