ECLI:NL:RBOVE:2026:314

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
26 januari 2026
Publicatiedatum
26 januari 2026
Zaaknummer
71.033074.23 (P)
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling van een verdachte voor deelname aan een criminele organisatie en witwassen van grote geldbedragen

Op 26 januari 2026 heeft de Rechtbank Overijssel een 25-jarige man veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaren. De verdachte was betrokken bij een criminele organisatie die zich bezighield met grootschalige drugshandel en witwassen. De rechtbank oordeelde dat de verdachte niet wettig en overtuigend bewezen kon worden dat hij leiding gaf aan de organisatie, maar dat hij wel deelnemer was. De zaak kwam voor de rechtbank na meerdere openbare zittingen, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten naar voren brachten. De tenlastelegging omvatte onder andere het witwassen van grote geldbedragen en het vervoeren van aanzienlijke hoeveelheden cocaïne. De rechtbank achtte de verdachte schuldig aan de feiten, met uitzondering van het leidinggeven aan de criminele organisatie. De rechtbank hield rekening met de ernst van de feiten, de rol van de verdachte en de gemaakte procesafspraken, en legde een gevangenisstraf op die in overeenstemming was met de afspraken tussen de partijen. De verdachte had een relatief beperkte rol in de organisatie, maar zijn betrokkenheid bij de drugshandel en het witwassen was aanzienlijk. De rechtbank benadrukte de impact van de drugshandel op de samenleving en de noodzaak om dergelijke misdrijven streng te bestraffen.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingslocatie Justitieel Complex Schiphol in Badhoevedorp
Parketnummer: 71.033074.23 (P)
Datum vonnis: 26 januari 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2000 in [geboorteplaats] ,
nu verblijvende in de [locatie] .

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 1 november 2024, 21 januari 2025, 15 april 2025, 3 juli 2025, 22 augustus 2025,
22 oktober 2025 en van 12 januari 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officieren van justitie en van wat door verdachte en zijn raadslieden, mr. R. van der Horst en mr. A.N. Slijters, beiden advocaat in Amsterdam, naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

De verdachte is na wijziging van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van 15 april 2025, ten laste gelegd dat:
1
hij in of omstreeks de periode van 16 december 2019 tot en met 27 juli
2023 in Nederland en/of te Dubai, Verenigde Arabische Emiraten, en/of
Marokko,
leiding heeft gegeven, althans heeft deelgenomen, aan een criminele
organisatie bestaande uit hem, verdachte, en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2]
en/of [medeverdachte 3] en/of andere (onbekende) personen,
welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten
in elk geval
- witwassen (als bedoeld in artikel 420bis Wetboek van Strafrecht),
en/of
- het binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen
en/of het verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of
aanwezig hebben van (verdovende) middelen als bedoeld in lijst I
van de Opiumwet, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a lid 5
van de Opiumwet (als bedoeld in artikel 2 jo 10 lid 3, 4 en 5 van de
Opiumwet) en/of
- het binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen
en/of het verkopen, alleveren, verstrekken, vervoeren en/of
aanwezig hebben van (verdovende) middelen als bedoeld in lijst
II van de Opiumwet, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a lid
5 van de Opiumwet (als bedoeld in artikel 3 jo 11 lid 2, 4 en 5 van
de Opiumwet) en/of
- het opzettelijk iemand die op openbaar gezag of krachtens
rechterlijke uitspraak of beschikking van de vrijheid is beroofd, te
weten [medeverdachte 1] , (met gebruik van geweld) bevrijden of bij zijn
zelfbevrijding behulpzaam zijn (als bedoeld in artikel 191
Wetboek van Strafrecht) en/of
- ( (in het kader van een bevrijding) voorbereiden van afpersing (als
bedoeld in artikel 317 Wetboek van Strafrecht) en/of opzettelijke
vrijheidsberoving (als bedoeld in artikel 282Sr) en/of gijzeling (als
bedoeld in artikel 282a Wetboek van Strafrecht) en/of opzettelijke
brandstichting en/of het opzettelijk teweeg brengen van een
ontploffing (als bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht), in
elk geval een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een
gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld (als bedoeld in
artikel 46 Wetboek van Strafrecht);
2
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 april 2020
tot en met 3 april 2020 te Paranagua, althans in Brazilië, en/of te Dubai,
Verenigde Arabische Emiraten,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk heeft afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval
opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 88,5 kilo cocaïne, in elk geval
een hoeveelheid/ van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne
een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel
aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling
mocht of zou kunnen leiden:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 april 2020
tot en met 3 april 2020 te Paranagua, althans in Brazilië en/of te Dubai,
Verenigde Arabische Emiraten,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de
Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen te weten het opzettelijk
binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen, het
opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren
van ongeveer 88,5 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van
een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als
bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen
krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet
- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat feit te
plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om
daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid,
middelen en/of inlichtingen te verschaffen,
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen
tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere
betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte
en/of zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om
te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,
immers heeft hij, verdachte, samen met zijn mededader(s)via Sky ECC
chatgesprekken gevoerd en foto’s (van kiepcontainers, chassisnummers
en verpakte blokken cocaïne) gedeeld met betrekking tot
- het laden en/of de locatie en/of het verdere transport van een
(kiep)container met daarin voornoemde partij cocaïne en/of
  • de inbeslagname van voornoemde partij cocaïne en/of
  • de betaling van voornoemde partij cocaïne;
3
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari
2020 tot en met 4 mei 2020 te Valencia, althans in Spanje en/of te Dubai,
Verenigde Arabische Emiraten,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk heeft afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval
opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 224 kilo cocaïne, in elk geval
een hoeveelheid/ van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne
een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel
aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling
mocht of zou kunnen leiden:
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari
2020 tot en met 4 mei 2020 te Valencia, althans in Spanje en/of te Dubai,
Verenigde Arabische Emiraten,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de
Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen te weten het opzettelijk
binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen, het
opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van
ongeveer 224 kilogram cocaïne, in elk geval een aanzienlijke hoeveelheid
van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als
bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen
krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet
- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat feit te
plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om
daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid,
middelen en/of inlichtingen te verschaffen,
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen
tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,
voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere
betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte
en/of zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om
te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,
immers heeft hij, verdachte, samen met zijn mededader(s) via Sky ECC
chatgesprekken gevoerd over het vervoer/transport en de gebruikte
deklading (helikopter(onderdelen)) en de inbeslagname van
voornoemde partij cocaïne;
4
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari
2020 tot en met 9 april 2020 te Paranagua, althans in Brazilië en/of te
Valencia, althans in Spanje en/of te Le Havre, althans in Frankrijk en/of
op de Atlantische Oceaan tussen Brazilië en Europa en/of in België en/of
in Nederland en/of te Dubai, Verenigde Arabische Emiraten,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht
(daaronder mede begrepen invoer als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de
Opiumwet) en/of heeft afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk
geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,
- ongeveer 350 blokken/kilo cocaïne (vervoerd vanuit Brazilië naar
Le Havre, Franrijk) en/of
- ongeveer 400 blokken/kilo cocaïne (vervoerd vanuit Brazilië naar
Valencia, Spanje),
in elk geval een hoeveelheid/ van een materiaal bevattende cocaïne,
zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende
lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die
wet;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling
mocht of zou kunnen leiden:
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari
2020 tot en met 9 april 2020 te Paranagua, althans in Brazilië en/of te
Valencia, althans in Spanje en/of te Le Havre, althans in Frankrijk en/of
in België en/of in Nederland en/of te Dubai, Verenigde Arabische
Emiraten,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de
Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van
Nederland brengen en/of verkopen, afleveren, verstrekken, (verder)
vervoeren van twee, althans een of meer, partijen cocaïne (van ongeveer
350 kilo en/of ongeveer 400 kilo), in elk geval een hoeveelheid van een
materiaal bevattende cocaïne, in elk geval een middel als bedoeld in de
bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel
3a, vijfde lid van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen,
- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat feit te
plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om
daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid,
middelen en/of inlichtingen te verschaffen,
immers heeft hij, verdachte, samen met zijn mededader(s) via Sky ECC
chatgesprekken gevoerd over het vervoer/transport en de gebruikte
deklading (helikopter(onderdelen)) en de inbeslagname van
voornoemde partij cocaïne;
5
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juni 2020
tot en met 30 augustus 2020 via de Westerschelde, althans in de
Nederlandse territoriale wateren, althans in Nederland en/of België
en/of vanuit Dubai, de Verenigde Arabische Emiraten,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen
opzettelijk binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland heeft
gebracht (daaronder mede begrepen invoer als bedoeld in artikel 1 lid 4
en/of 5 van de Opiumwet), ongeveer 391 kilogram cocaïne, in elk geval
een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,
zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende
lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die
wet;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling
mocht of zou kunnen leiden:
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juni 2020
tot en met 30 augustus 2020 in Nederland en/of België en/of te Dubai,
Verenigde Arabische Emiraten, en/of te Duitsland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de
Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen te weten het opzettelijk
binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen, het
opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van
ongeveer 391 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een
materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in
de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens
artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet
- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat feit te
plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om
daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid,
middelen en/of inlichtingen te verschaffen,
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen
tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere
betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte
en/of zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om
te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,
immers heeft hij, verdachte, samen met zijn mededader(s) via Sky ECC
chatgesprekken gevoerd en foto’s gedeeld met betrekking tot het
transport en/of de locatie en/of het leeghalen van de containers met
daarin voornoemde hoeveelheid cocaïne en/of de verkoop van de
cocaïne en/of de bergplaats/verstopplaats van de cocaïne en/of
betalingen met betrekking tot voornoemde hoeveelheid cocaïne;
6
hij op of omstreeks 28 maart 2020 te Rotterdam, althans in Nederland
en/of te Dubai, Verenigde Arabische Emiraten,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht
(daaronder mede begrepen invoer als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de
Opiumwet), ongeveer 30 kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid
van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel
vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen
krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling
mocht of zou kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode van 14 februari 2020 tot en met 1 april
2020 te Paranagua, althans in Brazilië, en/of te Rotterdam, althans in
Nederland en/of te Dubai, Verenigde Arabische Emiraten,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de
Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen te weten het opzettelijk
binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen, het
opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van
ongeveer 30 kilogram cocaïne, in elk geval een (aanzienlijke)
hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een
middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel
aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet
- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat feit te
plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om
daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid,
middelen en/of inlichtingen te verschaffen,
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen
tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere
betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte
en/of zijn mededader(s), wist(en) of ernstige reden had(den) om
te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,
immers heeft hij, verdachte, samen met zijn mededader(s) via Sky ECC
chatgesprekken gevoerd en foto’s gedeeld met betrekking tot
- het transport en/of de bergplaats/verstopplaats van voornoemde
hoeveelheid cocaïne (in een bus op een containerschip) en/of
- het verdere vervoer en/of het uitladen en/of verdelen van
voornoemde partij cocaïne;
7
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 16
december 2019 tot en met 27 juli 2023, in Nederland en/of Dubai,
Verenigde Arabische Emiraten en/of Marokko en/of elders in de wereld
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
(telkens)
(van)(grote contante) geldbedragen en/of onroerende zaken en/of
vermogensbestanddelen, althans een of meer voorwerp (en), te weten
- een totaalbedrag van 1,4 miljoen euro (op of omstreeks 28 en 30
mei 2020 te Eindhoven, althans in Nederland) en/of
- een totaalbedrag van ongeveer 5 miljoen euro (periode van 11
februari 2021 tot en met 8 maart 2021 te Amsterdam en/of
Rotterdam en/of Amstelveen en/of Almere, althans in Nederland)
en/of
- een totaalbedrag van 200 miljoen dirham (Marokkaanse) (periode
29 augustus 2020 tot en met 1 september 2020 te Tanger,
Marokko)
- een kappers/barberszaak (periode van 21 november 2020 tot en
met 5 oktober 2021 te Dubai, Verenigde Arabische Emiraten)
en/of
- ( (verbouw- en inrichtingskosten van) een woning (periode 25
februari 2020 tot en met 27 juli 2023 te Marokko) en/of
- een Bentley Bentayga (periode van 25 februari 2021 tot en met 27
juli 2023 te Dubai, Verenigde Arabische Emiraten) en/of
- een of meer andere grote geldbedragen (ZD witwassen, par.
5.1.1.)
sub a
- de werkelijke aard, herkomst, vindplaats, de vervreemding en/of
de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, dan wel
- heeft verborgen en/of verbergt en/of heeft verhuld wie de
rechthebbende(n) op die/dat voorwerp(en) was/waren, en/of
- heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerp(en)
voorhanden had(den) en/of
sub b
- heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen,
heeft omgezet en/of
- gebruik heeft gemaakt
terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en), althans
redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat die/ geldbedragen en/of
voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk -
afkomstig was/waren uit enig misdrijf
en hij, verdachte, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft
gemaakt;
EN/OF
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 16
december 2019 tot en met 27 juli 2023, in Nederland en/of Dubai,
Verenigde Arabische Emiraten en/of Marokko en/of elders in de wereld
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
(telkens)
(van)(grote contante) geldbedragen en/of onroerende zaken en/of
vermogensbestanddelen, althans een of meer voorwerp(en), te weten
- een totaalbedrag van 1,4 miljoen euro (op of omstreeks 28 en 30
mei 2020 te Eindhoven, althans in Nederland) en/of
- een totaalbedrag van ongeveer 5 miljoen euro (periode van 11
februari 2021 tot en met 8 maart 2021 te Amsterdam en/of
Rotterdam en/of Amstelveen en/of Almere, althans in Nederland)
en/of
- een totaalbedrag van 200 miljoen dirham (Marokkaanse) (periode
29 augustus 2020 tot en met 1 september 2020 te Tanger,
Marokko)
- een kappers/barberszaak (periode van 21 november 2020 tot en
met 5 oktober 2021 te Dubai, Verenigde Arabische Emiraten)
en/of
- ( (verbouw- en inrichtingskosten van) een woning (periode 25
februari 2020 tot en met 27 juli 2023 te Marokko) en/of
- een Bentley Bentayga (periode van 25 februari 2021 tot en met 27
juli 2023 te Dubai, Verenigde Arabische Emiraten) en/of
- een of meer andere grote geldbedragen (ZD witwassen, par.
5.1.1.)
heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad
terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en), althans
redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat die/ geldbedragen en/of
voorwerpen geheel of gedeeltelijk onmiddellijk afkomstig was/waren uit
enig eigen misdrijf.

3.Het afdoeningsvoorstel

Door de officieren van justitie, verdachte en zijn raadslieden zijn afspraken gemaakt over de afdoening van de strafzaak. Het afdoeningsvoorstel is op schrift gesteld en op 27 en 29 augustus 2025 en op 12 en 16 september 2025 door de officieren van justitie, verdachte en de raadslieden ondertekend en aan de rechtbank ter afdoening van de strafzaak voorgelegd. De rechtbank is niet betrokken geweest bij de totstandkoming van die afspraken.
Het afdoeningsvoorstel houdt in een bewezenverklaring en een strafoplegging, zoals hierna omschreven:
  • bewezenverklaard kan worden de onder feiten 1 tot en met 7 ten laste gelegde feiten, met uitzondering van het leidinggeven aan een criminele organisatie zoals onder feit 1 is ten laste gelegd;
  • de officieren van justitie eisen een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren met aftrek van de in voorarrest doorgebrachte tijd.
Verder is overeengekomen dat:
  • door de verdediging geen bewijs-, ontvankelijkheids- of strafmaatverweren worden gevoerd;
  • de verdediging geen nieuwe onderzoekswensen indient en al ingediende onderzoekswensen intrekt;
  • zowel door de verdediging als het Openbaar Ministerie wordt afgezien van hoger beroep in deze zaak indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring en een straf oplegt conform de tussen de verdediging en het Openbaar Ministerie gemaakte afspraken;
  • verdachte zich niet aan de tenuitvoerlegging van de straf zal onttrekken.
Ter terechtzitting van 12 januari 2026 is het afdoeningsvoorstel en de totstandkoming daarvan door de rechtbank met de officieren van justitie, de raadslieden en verdachte besproken. De rechtbank stelt vast dat verdachte bij het hele proces om tot afspraken te komen steeds voorzien is geweest van rechtskundige bijstand en dat het afdoeningsvoorstel op basis van vrijwillige wederkerigheid tot stand is gekomen. De verdachte heeft ter terechtzitting in aanwezigheid van zijn raadslieden ondubbelzinnig verklaard dat hij weloverwogen, voldoende geïnformeerd en vrijwillig heeft gekozen in te stemmen met het afdoeningsvoorstel en zich bewust is geweest van de inhoud, de procedure en de (mogelijke) gevolgen daarvan.
Centraal bij het onderzoek op de zitting stond de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Ook in dit vonnis staan de overwegingen over de artikelen 348 en 350 Sv voorop.

4.Overwegingen met betrekking tot het bewijs

4.1
Het standpunt van de officieren van justitie
De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten bewezen verklaard kunnen worden, behoudens – samengevat – het onder feit 1 ten laste gelegde leiding geven aan een criminele organisatie, de onder feit 4 ten laste gelegde (verlengde) invoer in Nederland en het alternatief ten laste gelegde onder feit 7.
4.2
Het standpunt van de raadslieden
De raadslieden hebben, gelet op de inhoud van de procesafspraken, geen bewijsverweer gevoerd.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
Feit 1
De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte leiding heeft gegeven aan een criminele organisatie. Weliswaar is hij op grond van de bewijsmiddelen zonder meer als deelnemer te beschouwen, maar voor het voor leidinggeven benodigde gezag bevinden zich onvoldoende aanwijzingen in het dossier. Verdachte is niet degene die de anderen aanstuurt of opdrachten geeft en daarmee dus de touwtjes in handen heeft. De beslissingen worden veeleer door andere deelnemers/leidinggevenden van de criminele organisatie genomen, waarbij verdachte als intermediair optreedt, (financieel) verslag legt of gegevens verzamelt en verspreidt ten behoeve van de organisatie. Slechts in een incidenteel geval laat hij zich uit over – bijvoorbeeld – prijzen, waarbij eerst zijn gesprekspartners een voorzet geven. Dat verdachte zich in zijn correspondentie met andere deelnemers enthousiast toont om een grotere rol in de organisatie te vervullen doet aan die constatering niet af, temeer nu op meerdere momenten duidelijk wordt uit de berichten die zich in het dossier bevinden dat verdachte zich in een ‘opleidingsfase’ in de organisatie bevindt.
Feit 4
De rechtbank acht evenmin wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk de genoemde partijen binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, nu zich daarvoor onvoldoende aanwijzingen in het dossier bevinden.
Feit 7
Aan verdachte is onder het tweede gedachtestreepje van feit 7 ten laste gelegd – kort gezegd – dat hij een totaalbedrag van ongeveer vijf miljoen euro aan ‘crimineel geld’ heeft witgewassen door middel van ondergronds bankieren. Uit chatberichten via SkyECC tussen verdachte en [naam] volgt dat verdachte aan [naam] vraagt of hij (verdachte) vijf miljoen euro in delen kan overdragen. Uit het opsporingsonderzoek volgt dat vier geldoverdrachten hebben plaatsgevonden van in totaal 4.432.180,00 euro. Voor een bedrag van 567.820,00 euro is door verdachte aan [naam] een token gevraagd voor de overdracht. Dat token is verstuurd, evenals een afleveradres in [plaats] . Door [naam] is vervolgens om uitstel van de geldoverdracht gevraagd. Op grond van het dossier kan niet worden vastgesteld dat die vijfde geldoverdracht alsnog daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, nu er geen berichten in het dossier zitten van data ná het door [naam] verzochte uitstel, zodat de rechtbank verdachte van de overdracht van dat geldbedrag zal vrijspreken. In de bewezenverklaring zal de rechtbank dat bedrag dus van het totaalbedrag aftrekken.
Tot slot acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het alternatief ten laste gelegde witwassen van geldbedragen en/of goederen afkomstig uit enig eigen misdrijf. Daarvoor is nodig dat bewezen wordt dat de specifiek ten laste gelegde geldbedragen dan wel goederen zijn verkregen met te individualiseren en voor (enkel) de verdachte te bewijzen strafbare feiten. Dat is op basis van de voorhanden bewijsmiddelen in het dossier niet mogelijk. Aan verdachte zijn tevens vijf feiten die met invoer en handel in verdovende middelen te maken hebben ten laste gelegd maar er kan niet worden vastgesteld dat de specifiek ten laste gelegde en bewezen geld- en goederenstromen met juist die vijf transporten zijn verkregen.
Ten aanzien van bovengenoemde onderdelen zal de rechtbank de verdachte vrijspreken. Voor het overige acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend heeft begaan.

6.De bewezenverklaring

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de bewijsmiddelen in het dossier. Het vonnis zal in de gevallen waarin de wet dit vereist, worden aangevuld met een bijlage met daarin de bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring.
De rechtbank acht op grond van de bewijsmiddelen in het dossier bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten 1, 2 primair, 3 primair, 4 primair, 5 primair, 6 primair en 7 in de eerste plaats heeft begaan, met dien verstande dat:
1
hij in de periode van 16 december 2019 tot en met 27 juli 2023 in Nederland en te Dubai, Verenigde Arabische Emiraten, en Marokko,
heeft deelgenomen, aan een criminele organisatie bestaande uit hem, verdachte, en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en andere (onbekende) personen,
welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten
in elk geval
- witwassen (als bedoeld in artikel 420bis Wetboek van Strafrecht), en
  • het binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen en het verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en aanwezig hebben van (verdovende) middelen als bedoeld in lijst I van de Opiumwet, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a lid 5 van de Opiumwet (als bedoeld in artikel 2 jo 10 lid 3, 4 en 5 van de Opiumwet) en
  • het binnen en buiten het grondgebied van Nederland brengen en het verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en aanwezig hebben van (verdovende) middelen als bedoeld in lijst II van de Opiumwet, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a lid
5 van de Opiumwet (als bedoeld in artikel 3 jo 11 lid 2, 4 en 5 van de Opiumwet) en
- het opzettelijk iemand die op openbaar gezag of krachtens rechterlijke uitspraak of beschikking van de vrijheid is beroofd, te weten [medeverdachte 1] , (met gebruik van geweld) bevrijden of bij zijn zelfbevrijding behulpzaam zijn (als bedoeld in artikel 191
Wetboek van Strafrecht) en
- ( (in het kader van een bevrijding) voorbereiden van afpersing (als bedoeld in artikel 317 Wetboek van Strafrecht) en/of opzettelijke vrijheidsberoving (als bedoeld in artikel 282Sr) en/of gijzeling (als bedoeld in artikel 282a Wetboek van Strafrecht) en/of opzettelijke brandstichting en/of het opzettelijk teweeg brengen van een ontploffing (als bedoeld in artikel 157 Wetboek van Strafrecht), in elk geval een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld (als bedoeld in artikel 46 Wetboek van Strafrecht);
2
hij op één of meer tijdstippen in de periode van 1 april 2020 tot en met 3 april 2020 te Paranagua en te Dubai, Verenigde Arabische Emiraten,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen,
opzettelijk heeft afgeleverd en verstrekt en vervoerd, en opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 88,5 kilo cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
3
hij op één of meer tijdstippen in de periode van 1 januari 2020 tot en met 4 mei 2020 te Valencia en te Dubai, Verenigde Arabische Emiraten,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen,
opzettelijk heeft afgeleverd en verstrekt en vervoerd, en opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 224 kilo cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
4
hij op één of meer tijdstippen in de periode van 1 januari 2020 tot en met 9 april 2020 te Paranagua en te Valencia en te Le Havre en op de Atlantische Oceaan tussen Brazilië en Europa en in België en te Dubai, Verenigde Arabische Emiraten,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen,
heeft afgeleverd en verstrekt en vervoerd, en opzettelijk aanwezig heeft gehad,
- ongeveer 350 blokken/kilo cocaïne (vervoerd vanuit Brazilië naar
Le Havre, Franrijk) en
- ongeveer 400 blokken/kilo cocaïne (vervoerd vanuit Brazilië naar
Valencia, Spanje),
zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende
lijst I;
5
hij op één of meer tijdstippen in de periode van 1 juni 2020 tot en met 30 augustus 2020 via de Westerschelde en vanuit Dubai, de Verenigde Arabische Emiraten, tezamen en in vereniging met een of meer anderen,
opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht (daaronder mede begrepen invoer als bedoeld in artikel 1 lid 4 en/of 5 van de Opiumwet), ongeveer 391 kilogram cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;
6
hij op of omstreeks 28 maart 2020 te Rotterdam en te Dubai, Verenigde Arabische Emiraten,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen,
opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht (daaronder mede begrepen invoer als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet), ongeveer 30 kilogram cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;
7
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 16 december 2019 tot en met 27 juli 2023, in Nederland en Dubai, Verenigde Arabische Emiraten en Marokko en elders in de wereld
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, (telkens)
(van)(grote contante) geldbedragen en/of onroerende zaken en/of vermogensbestanddelen, te weten
  • een totaalbedrag van 1,4 miljoen euro (op of omstreeks 28 en 30 mei 2020 in Nederland) en/of
  • een totaalbedrag van 4.432.180,00 miljoen euro (periode van 11 februari 2021 tot en met 8 maart 2021 in Nederland) en
  • een totaalbedrag van 200 miljoen dirham (Marokkaanse) (periode 29 augustus 2020 tot en met 1 september 2020 te Tanger, Marokko) en
  • een kappers/barberszaak (periode van 21 november 2020 tot en met 5 oktober 2021 te Dubai, Verenigde Arabische Emiraten) en
  • (verbouw- en inrichtingskosten van) een woning (periode 25 februari 2020 tot en met 27 juli 2023 te Marokko) en
  • een Bentley Bentayga (periode van 25 februari 2021 tot en met 27 juli 2023 te Dubai, Verenigde Arabische Emiraten) en
  • een of meer andere grote geldbedragen (ZD witwassen, par. 5.1.1.)
sub a
  • de werkelijke aard, herkomst, vindplaats, de vervreemding en de verplaatsing heeft verborgen en verhuld,
  • heeft verborgen en heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op die/dat voorwerp(en) was/waren, en
  • heeft verborgen en heeft verhuld wie dat/die voorwerp(en) voorhanden had(den) en
sub b
  • heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet en
  • gebruik heeft gemaakt
terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en), dat die geldbedragen en/of voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf
en hij, verdachte, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

7.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 47, 140, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en in de artikelen 2, 10 en 11b van de Opiumwet. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1
het misdrijf:
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid en artikel 11, tweede, vierde en vijfde lid, van de Opiumwet
en
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;
feit 2 en feit 3
telkens het misdrijf:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod
en
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
feit 4
het misdrijf:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod
en
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;
feit 5 en feit 6
telkens het misdrijf:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod;
feit 7
het misdrijf:
medeplegen van gewoontewitwassen.

8.De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

9.De op te leggen straf of maatregel

Het standpunt van de officieren van justitie
De officieren van justitie hebben conform de procesafspraken een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren met aftrek van de in voorarrest doorgebrachte tijd gevorderd.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht vonnis te wijzen conform de procesafspraken. Indien de rechtbank het afdoeningsvoorstel niet zou volgen, heeft de verdediging verzocht de zaak aan te houden tot een nadere terechtzitting.
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Ernst van de feiten
Verdachte maakte deel uit van een criminele organisatie die zich bezighield met grootscheepse soft- en harddrugshandel, grootschalig witwassen en, kort gezegd, het beramen van een gewelddadige ontsnapping van verdachtes vader uit de [locatie] . Uit het dossier volgt dat verdachte de rol van zijn vader in de criminele organisatie tijdens diens detentie zou waarnemen/voortzetten. Verdachte is in dat kader dan ook gaan samenwerken met de (voormalig) zakenpartners van zijn vader. Deze zakenpartners hebben hem min of meer onder hun vleugels genomen om hem op te leiden in ‘het vak’. In dat kader heeft verdachte zich in korte tijd schuldig gemaakt aan betrokkenheid bij meerdere grote internationale cocaïnetransporten waarbij meer dan 1480 kilo cocaïne is vervoerd, waarvan ruim 420 kilo in Nederland is ingevoerd. Verdachte was daarbij voor een deel – namens de organisatie van zijn vader – ook eigenaar van de getransporteerde cocaïne. Hoewel verdachte werd opgeleid en voorbereid op een leidende rol binnen de criminele organisatie, is niet gebleken dat verdachte al een gezaghebbende rol had verkregen in die zin dat hij de feitelijke leiding had en alles aanstuurde. Verdachte trad veelal op als intermediair en leek te handelen op basis van opdrachten van zijn vader die vanuit de [locatie] naar buiten werden gesmokkeld. Daarnaast hield hij de boekhouding bij van de eigen organisatie en hield hij zicht op de verdeling en voorraadadministratie. De logistieke organisatie en afhandeling van transporten was blijkens het dossier in handen van zakenpartners en medeleden van de eigen organisatie. Op het gebied van witwassen is de rol van verdachte – die een financiële opleiding volgde omdat hij zijn vader in de organisatie wilde bijstaan – zelfstandiger, maar ook op dat gebied lijkt hij vooral de hem verstrekte opdrachten nauwgezet te volgen. Regelmatig vroeg verdachte advies of instructies aan zijn vader bij de financiële afhandeling. Uit verdachtes eigen uitlatingen leidt de rechtbank af dat verdachte het zijn vader naar de zin wilde maken en hem wilde helpen om met zijn imperium onaantastbaar te worden.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de procesafspraken gevolgd moeten worden, hetgeen zou leiden tot de oplegging van een gevangenisstraf van zes jaren met aftrek van de tijd doorgebracht in voorlopige hechtenis of dat een andere afdoening beter op zijn plaats is.
Met zijn handelen heeft verdachte zonder meer een substantiële bijdrage geleverd aan grootscheepse internationale drugshandel en zich hiermee schuldig gemaakt aan ernstige strafbare feiten. Het behoeft geen betoog dat de internationale drugshandel wereldwijd zorgt voor ernstig geweld en ontwrichting van de samenleving en van mensenlevens.
Daarnaast gaan er enorme hoeveelheden crimineel geld in om, wat leidt tot corruptie en besmetting van het legale financiële verkeer. De met drugstransporten verdiende gelden werden door verdachte binnen de criminele organisatie, samen met anderen, witgewassen. Niet alleen werd het geld door middel van ondergronds bankieren op grote schaal witgewassen, maar er werd ook geïnvesteerd in vastgoed, zoals een luxueus pand in Marokko, als ook in luxe cadeaus voor familieleden, zoals een Bentley Bentayga voor een broertje van verdachte. Geld dat wordt verdiend door het plegen van strafbare feiten maakt onderdeel uit van het zwartgeldcircuit en heeft een ontwrichtende werking op de samenleving. Witwassen maakt dat ‘misdaad loont’. Door witwassen op deze schaal wordt niet alleen het girale betalingssysteem ondermijnd, maar het zorgt er ook voor dat andere vormen van ernstige ondermijnende criminaliteit zoals (georganiseerde) drugshandel kunnen worden gefinancierd en in stand gehouden.
Naast internationale handel in hard- en softdrugs en witwassen maakte verdachte deel uit van een criminele organisatie gericht op het beramen van een gewelddadige bevrijding van zijn vader uit de [locatie] . De rechtbank acht het zorgwekkend dat verdachte betrokken was bij de plannen voor deze bevrijdingsactie waarbij naast de optie van een gewelddadige uitbraak zelfs serieus werd overwogen om medewerkers van de [locatie] te ontvoeren of af te persen.
Dit alles rechtvaardigt op zichzelf zonder enige twijfel de oplegging van een gevangenisstraf van aanmerkelijk langere duur dan partijen in de door hen gemaakte afspraken zijn overeengekomen.
Persoon van de verdachte en andere factoren
In de afweging die de rechtbank heeft gemaakt, spelen echter ook andere factoren een rol, zoals de persoon van de verdachte en zijn strafblad van 30 september 2024. Daaruit komt naar voren dat verdachte niet eerder met justitie in aanraking is geweest.
Verdachte was nog een student toen zijn vader gedetineerd raakte en is onder de hoede van diens relaties genomen om zich in de internationale drugshandel (en haar uitwassen) te bekwamen. De rechtbank leidt uit de vele berichten die verdachte aan zijn vader heeft gestuurd af, dat het voor verdachte moeilijk moet zijn geweest om zich van hem te distantiëren. Verdachte voelde zich als oudste zoon verantwoordelijk en wilde zijn vader in zijn eigen woorden ‘trots’ op hem maken. Dat heeft hij gedaan door zich dienstbaar op te stellen. Verdachte heeft verklaard dat hij zich pas naderhand is gaan realiseren waar hij zich mee in heeft gelaten. En hoewel de rechtbank dat moeilijk voorstelbaar vindt, realiseert de rechtbank zich ook dat dit vanuit het perspectief van deze destijds maar net meerderjarige verdachte, die in een dergelijke omgeving is opgegroeid, een realistische beleving zou kunnen zijn. Dat maakt zijn handelingen niet minder strafbaar, maar plaatst ze wel in een ander perspectief.
Voorts heeft verdachte een jaar in uitleveringsdetentie in een groepsaccommodatie in Dubai doorgebracht en verblijft hij sinds zijn aankomst in Nederland min of meer geïsoleerd in een zeer streng regime in de [locatie] . Weliswaar sterk verschillend, maar in beide inrichtingen – en met name in de laatste – zijn de omstandigheden aanzienlijk zwaarder dan in een regulier Huis van Bewaring in Nederland.
Bovendien speelt ook de context van deze strafzaak een rol. Andere betrokkenen bij dezelfde criminele organisatie, die mogelijkerwijs veel langer betrokken waren en een substantieel grotere rol in de internationale drugshandel van deze organisatie hebben gespeeld dan verdachte, hebben hun strafzaken met procesafspraken (acht jaar gevangenisstraf plus een financiële sanctie) kunnen ‘afdoen’. In dat licht bevreemdt het de rechtbank overigens wel dat in het geval van verdachte niet ook is gekozen voor een financiële component in de procesafspraken, nu de omvang van de bewezenverklaarde witwasserij daar alleszins aanleiding toe gaf en het adagium dat misdaad niet mag lonen voor het Openbaar Ministerie een speerpunt is.
Tot slot stelt de rechtbank vast dat de redelijke termijn is geschonden en zal zij ook daarmee rekening houden bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf.
Procesafspraken
De rechtbank heeft gekeken naar de door de Hoge Raad geformuleerde aandachtspunten die de strafrechter bij de beoordeling van procesafspraken in acht moet nemen. [1] Deze houden onder meer het volgende in:
  • de rechtbank houdt een eigen verantwoordelijkheid ervoor te zorgen dat de behandeling en de beoordeling van de strafzaak plaatsvinden overeenkomstig de geldende wettelijke bepalingen, met name de artikelen 348 en 350 Sv;
  • verdachte is voorzien van rechtsbijstand;
  • de inhoud van het afdoeningsvoorstel is op de openbare terechtzitting besproken;
  • de rechtbank heeft vastgesteld dat verdachte vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan het afdoeningsvoorstel en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten.
De rechtbank is van oordeel dat, rekening houdend met de hiervoor genoemde aandachtspunten, waaronder begrepen het strafvoorstel, het afdoeningsvoorstel recht doet aan de uitgangspunten van het Wetboek van Strafvordering en het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden en dat de belangen van zowel verdachte als de maatschappij met dit afdoeningsvoorstel voldoende zijn gewaarborgd.
Straf
Bij het bepalen van de straf en de hoogte daarvan heeft de rechtbank vanzelfsprekend allereerst gekeken naar jurisprudentie over vergelijkbare zaken en de straffen die daar worden opgelegd. Gelet op de hoeveelheden cocaïne die bij de verschillende transporten zijn vervoerd en ingevoerd, de geldbedragen die zijn witgewassen en de doelen van de criminele organisatie waaraan verdachte heeft deelgenomen, is een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf zeker op zijn plaats.
De rechtbank heeft ook gekeken naar wat het afdoeningsvoorstel met betrekking tot de strafoplegging inhoudt, en wat daarover ter zitting is aangevoerd. De rechtbank is van oordeel dat het voorstel, alle hiervoor opgesomde omstandigheden overziende, in redelijke verhouding staat tot de ernst van de zaak. Het voorstel dient niet alleen een efficiënte en voortvarende behandeling, maar ook een effectieve afdoening van de zaak. Nu de rechtbank namelijk in overeenstemming met het afdoeningsvoorstel oordeelt, vloeit daaruit voort dat het belang bij een behandeling van de strafzaak in hoger beroep ontbreekt. De op te leggen straf kan direct ten uitvoer worden gelegd. Het voorstel doet daarmee ook recht aan de belangen van de maatschappij.
De rechtbank kan zich voorstellen dat het wellicht moeilijk te bevatten is dat aan verdachte een straf wordt opgelegd, die aanzienlijk lager is dan de richtlijnen waarnaar door de officieren van justitie is verwezen. Zeker nu verdachte zijn voorlopige hechtenis uitzit in de [locatie] , kan de op te leggen straf wellicht verbazing wekken in de maatschappij.
De rechtbank is echter niet gebonden aan richtlijnen van het Openbaar Ministerie en dient ook oog te hebben voor de persoon van verdachte. Verdachte heeft, zoals overwogen, een relatief beperkte rol bij de bewezenverklaarde ernstige strafbare feiten. Hoewel verdachte nauwelijks iets inhoudelijks heeft meegedeeld over zijn toekomstplannen, heeft hij wel verklaard na zijn detentie elders een nieuw legaal bestaan te willen opbouwen. In hoeverre verdachte hierin oprecht is en of hij zich ook kan onttrekken aan de druk van buitenaf, is niet te voorspellen. Het moet voor verdachte met dit vonnis echter wel duidelijk zijn wat de consequenties zijn van zijn eerder gemaakte keuzes.
Alles afwegend, bezien tegen de achtergrond van de gemaakte procesafspraken, acht de rechtbank een gevangenisstraf van zes jaren met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest en uitleveringsdetentie passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

10.De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op artikel 57 Sr.

11.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het onder de feiten 1, 2 primair, 3 primair, 4 primair, 5 primair, 6 primair en 7 in de eerste plaats ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1
het misdrijf:
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid en artikel 11, tweede, vierde en vijfde lid, van de Opiumwet
en
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.
feit 2 en feit 3
telkens het misdrijf:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod
en
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod
feit 4
het misdrijf:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod
en
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod
feit 5 en feit 6
telkens het misdrijf: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod
feit 7
het misdrijf:
medeplegen van gewoontewitwassen;
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
6 (zes) jaren;
- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering, in voorlopige hechtenis en in uitleveringsdetentie in de Verenigde Arabische Emiraten heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Venekatte, voorzitter, mr. B.T.C. Jordaans en
mr. G.C. Bos, rechters, in tegenwoordigheid van de griffiers, en van
mr. P.A.M. Miltenburg, rechter in de zin van artikel 6, derde lid, van de Wet RO en is in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2026.

Voetnoten

1.HR 27 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1252