ECLI:NL:RBOVE:2026:315

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
26 januari 2026
Publicatiedatum
26 januari 2026
Zaaknummer
08.296915.24 (P)
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor feitelijke aanranding van de eerbaarheid van een minderjarige in Zwolle

Op 26 januari 2026 heeft de Rechtbank Overijssel uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van feitelijke aanranding van de eerbaarheid van een 16-jarig meisje. De rechtbank heeft de verdachte schuldig bevonden aan het ten laste gelegde feit, dat plaatsvond op 26 maart 2024 in Zwolle. De verdachte, een 54-jarige man, heeft zich schuldig gemaakt aan het ongevraagd aanraken van de aangeefster op verschillende plekken, waaronder haar billen en borsten, terwijl zij herhaaldelijk aangaf dit niet te willen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte misbruik heeft gemaakt van zijn fysieke overwicht en voorbij is gegaan aan de verbale signalen van weerstand van de aangeefster. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van drie jaren, alsook een onvoorwaardelijke taakstraf van 160 uren. Daarnaast is de verdachte veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding van € 2.994,72 aan de benadeelde partij. De rechtbank heeft in haar overwegingen rekening gehouden met de ernst van het feit, de impact op de aangeefster en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De rechtbank heeft de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen, waarbij de materiële schade van € 494,72 is erkend, maar de vordering voor studievertraging en immateriële schade is niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 08.296915.24 (P)
Datum vonnis: 26 januari 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1970 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] in [woonplaats] .

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 12 januari 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsman mr. R.P.G. van der Weide, advocaat in Amsterdam, naar voren is gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennis genomen van de namens [aangeefster] (hierna: aangeefster) voorgedragen slachtofferverklaring en van wat namens aangeefster, als benadeelde partij door mr. J. Bouwhuis, advocaat in Zwolle, is aangevoerd.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte aangeefster heeft aangerand.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
hij op of omstreeks 26 maart 2024 te Zwolle, althans in Nederland, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, [aangeefster] , heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, door
- (ongevraagd) naast die [aangeefster] te lopen en/of te blijven lopen en/of
- (meermalen) onverhoeds een arm om die [aangeefster] te slaan en/of te houden en/of
- (meermalen) de rug en/of de schouders en/of de haren van die [aangeefster] te betasten/aan te raken en/of
- die [aangeefster] vast te pakken en/of kussende bewegingen te maken richting het gezicht van die [aangeefster] en/of
- (meermalen) onverhoeds de billen van die [aangeefster] te betasten/aan te raken en/of
- de jas van die [aangeefster] te openen en/of
- (vervolgens) onverhoeds in de borst van die [aangeefster] te knijpen, althans de borst van die [aangeefster] te betasten en/of
- misbruik te maken van zijn fysieke overwicht op die [aangeefster] en/of
- (daarbij) meermalen voorbij te gaan aan de verbale en/of non-verbale signalen van verzet/weerstand van die [aangeefster] en/of
(aldus) voor die [aangeefster] een bedreigende situatie te doen ontstaan.

3.De bewijsmotivering

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Ter onderbouwing daarvan heeft hij aangevoerd dat de aangifte niet ondersteund wordt voor het ten laste gelegde knijpen dan wel betasten of aanraken van de borst van aangeefster. De andere in de ten laste genoemde gedragingen zijn niet verricht met een seksuele intentie en kunnen volgens de raadsman daarom niet worden aangemerkt als ontuchtig van aard.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt op basis van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden vast.
Aangeefster (toen zestien jaar oud) heeft op 26 maart 2024 aangifte gedaan van aanranding. Diezelfde dag was zij op het terrein van de voetbalvereniging [voetbalvereniging] in Zwolle. Aangeefster heeft verklaard dat er opeens een man naast haar kwam lopen toen zij vanaf de ingang naar de voetbalvelden liep. Hij sloeg een arm om haar heen en raakte haar rug, schouders en haren aan. Aangeefster gaf meerdere keren te kennen dat zij dit niet wilde, maar de man gaf hier geen gehoor aan. Zij zag dat de man zijn lippen tuitte en een kussende beweging in haar richting maakte. Tijdens het lopen voelde aangeefster dat de man meerdere malen haar billen aanraakte. Uiteindelijk ging aangeefster in een dug-out zitten waarna de man naast haar kwam zitten. De man opende vervolgens de rits van haar jas, pakte haar borst vast en kneep erin.
Getuigen [getuige 1] en [getuige 2] hebben verklaard dat ze vanuit de dug-out aangeefster hebben horen roepen: “Nee, nee, dat wil ik niet.” en vervolgens een man hebben zien weglopen. [getuige 2] heeft daarnaast gezien dat, terwijl de man naast aangeefster liep, hij met zijn linkerhand probeerde haar billen aan te raken. [getuige 1] hoorde aangeefster bellen en over de telefoon vertellen dat een man aan haar borsten had gezeten. Getuige [getuige 3] zag dat aangeefster huilde, verschrikt keek en in shock was. Zij vertelde aan [getuige 3] dat een man zojuist aan haar had gezeten.
Deze man bleek later verdachte te zijn. Hij was destijds 54 jaar oud. Van verdachte is DNA-materiaal aangetroffen op de jas van aangeefster ter hoogte van de borst.
Verdachte heeft verklaard dat hij inderdaad met aangeefster is meegelopen, aan haar arm heeft getrokken en haar tweemaal heeft geduwd ter hoogte van haar billen.
De overwegingen van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) het bewijs dat iemand een strafbaar feit heeft gepleegd niet uitsluitend kan worden aangenomen op grond van de verklaring van één getuige. In een zedenzaak als deze, is echter niet vereist dat de iedere ontuchtige handeling waarover een getuige (i.c. aangeefster) verklaart als zodanig bevestiging moet vinden in andere bewijsmiddelen, maar is het afdoende als die verklaring op bepaalde punten bevestigd wordt door andere bewijsmiddelen. Deze bewijsmiddelen moeten voldoende steun geven aan deze verklaring.
De rechtbank is van oordeel dat aangeefster gedetailleerd heeft verklaard en dat deze verklaring steun vindt in de verklaringen van de getuigen [getuige 2] , [getuige 1] en [getuige 3] . Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van aangeefster betrouwbaar is en gaat zij bij de beoordeling van het ten laste gelegde uit van deze verklaring.
Zoals hiervoor is opgenomen, wordt de verklaring van aangeefster ondersteund voor wat betreft het door verdachte naast aangeefster lopen, het aanraken van haar billen, het met aangeefster in de dug-out zitten en het door aangeefster roepen van “Nee, nee, dat wil ik niet. Er is vervolgens gehoord dat aangeefster kort daarna riep dat een man haar borsten had aangeraakt. Ook is waargenomen dat aangeefster huilde en in shock leek. Zij heeft tegenover getuige [getuige 3] verklaard dat zij was betast. Verdachte heeft bekend dat hij met aangeefster is meegelopen, haar arm heeft vastgepakt en haar billen heeft aangeraakt. Daarnaast is er DNA-materiaal van verdachte op de jas van aangeefster ter hoogte van de borst aangetroffen. Dit aantreffen ondersteunt de verklaring van aangeefster dat verdachte haar jas heeft opengemaakt en haar borsten heeft aangeraakt. De verklaring van verdachte dat hij waarschijnlijk tijdens het trekken aan de arm de voorkant van haar jas heeft aangeraakt en zijn DNA op die wijze ter hoogte van haar borst op de jas is gekomen, acht de rechtbank ongeloofwaardig. Op grond van deze verklaringen en het aantreffen van het DNA van verdachte acht de rechtbank de ten laste gelegde handelingen en het door verdachte – gelet op zijn leeftijd – misbruik van zijn fysieke overwicht en het door hem voorbijgaan aan verbale signalen van verzet/weerstand van aangeefster wettig en overtuigend bewezen.
Ontuchtige handelingen
De rechtbank moet vervolgens vaststellen of de handelingen als ontuchtig in de zin van artikel 246 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) kunnen worden aangemerkt. Gelet op de aard van de handelingen en de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden, kunnen deze naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden uitgelegd als ontuchtige handelingen. Verdachte is met een voor hem totaal onbekende, die vele malen jonger was dan hij, meegelopen en heeft haar vervolgens op meerdere plekken, waaronder haar billen en borsten, aangeraakt. Dit alles terwijl aangeefster meerdere keren te kennen heeft gegeven dat zij dit niet wilde. Het spreekt voor zich dat het aanraken van de borst en ook de billen van een 16-jarig meisje door een 54-jarige man, zoals hiervoor beschreven, handelingen zijn die naar hun aard een seksuele strekking hebben en per definitie ontuchtig zijn. De verklaring van verdachte dat hij dit alles deed om aangeefster te helpen, acht de rechtbank volstrekt ongeloofwaardig en schuift zij terzijde.
De rechtbank acht de ten laste gelegde feitelijke aanranding van de eerbaarheid van aangeefster op 26 maart 2024 in Zwolle dan ook wettig en overtuigend bewezen.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op
of omstreeks26 maart 2024 te Zwolle
, althans in Nederland, door een andere feitelijkheid, [aangeefster] , heeft gedwongen tot het
plegen en/ofdulden van ontuchtige handelingen, door
- (ongevraagd) naast die [aangeefster] te lopen en
/ofte blijven lopen en
/of- (meermalen) onverhoeds een arm om die [aangeefster] te slaan en
/ofte houden en
/of- (meermalen) de rug en
/ofde schouders en
/ofde haren van die [aangeefster] te betasten/aan te raken en
/of- die [aangeefster] vast te pakken en
/ofkussende bewegingen te maken richting het gezicht van die [aangeefster] en
/of- (meermalen) onverhoeds de billen van die [aangeefster] te betasten/aan te raken en
/of- de jas van die [aangeefster] te openen en
/of- (vervolgens) onverhoeds in de borst van die [aangeefster] te knijpen, althans de borst van die [aangeefster] te betasten en
/of- misbruik te maken van zijn fysieke overwicht op die [aangeefster] en
/of- (daarbij) meermalen voorbij te gaan aan de verbale
en/of non-verbalesignalen van verzet/weerstand van die [aangeefster] en
/of
(aldus) voor die [aangeefster] een bedreigende situatie te doen ontstaan.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij daarvan zal vrijspreken.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in artikel 246 (oud) Sr. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:
het misdrijf:
feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

5.De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor het bewezen verklaarde feit.

6.De op te leggen straf of maatregel

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van drie jaren met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank verzocht om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen nu de feiten en omstandigheden dit niet rechtvaardigen.
6.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
De ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de feitelijke aanranding van de eerbaarheid van aangeefster. Dit vond plaats in de openbare ruimte bij een voetbalclub. Aangeefster was nog maar zestien jaar oud. Verdachte is met aangeefster meegelopen en heeft onder andere haar billen en borst aangeraakt. Aangeefster hoefde op dergelijk handelen niet bedacht te zijn en verdachte heeft dan ook haar gevoel van veiligheid en vertrouwen beschadigd. Hij heeft met zijn handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van aangeefster. Het is een feit van algemene bekendheid dat minderjarige slachtoffers van dergelijke zedendelicten vaak nog lang nadelige psychische gevolgen ondervinden van hetgeen hun is overkomen. Dat het handelen van verdachte een grote impact heeft gehad op aangeefster blijkt ook uit de door haar en haar moeder ter terechtzitting voorgedragen slachtofferverklaringen. Hieruit kwam naar voren dat aangeefster tot op heden worstelt met de gevolgen van hetgeen haar is aangedaan. Verdachte heeft niet bij de mogelijke impact van zijn handelen stilgestaan en enkel oog gehad voor zijn eigen behoeftebevrediging. Ook ter terechtzitting na het aanhoren van de slachtofferverklaringen toonde de verdachte geen inlevingsvermogen en benadrukte hij slechts de nadelige gevolgen die het voorval voor hemzelf heeft gehad. De rechtbank rekent dit alles verdachte aan.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 16 december 2025. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk strafbaar feit.
De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van het over verdachte opgemaakte reclasseringsadvies van 28 november 2025, opgemaakt door [naam] , reclasseringswerker bij Reclassering Nederland. Hieruit volgt dat de reclassering het psychosociaal functioneren van verdachte aanmerkt als een criminogene factor. Verdachte heeft gedurende het voorval beperkte probleemoplossende vaardigheden getoond. Niet is gebleken dat bij verdachte sprake is van deviante seksuele interesses, seksuele preoccupatie of seks als coping. De reclassering verwacht dat de gevolgen die verdachte heeft gehad en mogelijk nog gaat ondervinden een voldoende afschrikkende werking hebben. Verdachte kent stabiliteit op de verschillende leefgebieden en zijn netwerk werkt ondersteunend om herhaling te voorkomen. De reclassering acht het risico op recidive laag. De reclassering adviseert een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden. Wanneer er een taakstraf zal worden opgelegd dient rekening te worden gehouden met de mogelijkheden van verdachte nu hij (bijna) volledig is afgekeurd wegens een nierziekte.
De op te leggen straf
De rechtbank heeft bij de bepaling van de straf rekening gehouden met de straffen die rechters in soortgelijke strafzaken opleggen. Gezien de ernst van het feit acht de rechtbank het noodzakelijk om een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen als stok achter de deur. Daarnaast vindt de rechtbank een taakstraf passend en geboden.
Alles afwegende zal de rechtbank aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van drie maanden met een proeftijd van drie jaren. Daarnaast zal de rechtbank een taakstraf opleggen voor de duur van 160 uren te vervangen door 80 dagen hechtenis wanneer deze niet naar behoren wordt verricht. De tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht zal in mindering worden gebracht van de uit te voeren taakstraf. Als maatstaf geldt dat voor de eerste zestig dagen doorgebracht in verzekering of voorlopige hechtenis, twee uren en voor de resterende dagen één uur per dag aftrek plaatsvindt.

7.De schade van benadeelde

7.1
De vordering van de benadeelde partij
[aangeefster] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 30.094,72 (dertigduizend vierennegentig euro en tweeënzeventig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:
- kleding € 494,72;
- studievertraging € 21.600,00.
Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 8.000,00 gevorderd.
7.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering in zijn geheel kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente.
7.3
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich ten aanzien van de vordering op het standpunt gesteld dat de vordering door de civiele rechter moet worden beoordeeld dan wel zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
7.4
Het oordeel van de rechtbank
Door de gebezigde bewijsmiddelen en de behandeling op de terechtzitting is komen vast te staan dat verdachte door het bewezen verklaarde feit rechtstreeks schade heeft toegebracht aan de benadeelde partij.
De materiële schade
De opgevoerde schadepost met betrekking tot de kleding is voldoende onderbouwd en aannemelijk en niet door de verdediging betwist. De rechtbank zal het gevorderde daarom toewijzen tot een bedrag van € 494,72, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Ten aanzien van de opgevoerde schade geleden door de studievertraging en het bewezen verklaarde feit is de rechtbank van oordeel dat het causale verband onvoldoende is onderbouwd. Hoewel de rechtbank aanneemt dat het feit een doorwerking heeft gehad op de schoolprestaties van de benadeelde partij is naar het oordeel van de rechtbank de onderbouwing en de toelichting onvoldoende om te kunnen vaststellen of en in welke mate de gestelde studievertraging rechtstreeks is veroorzaakt door het bewezen verklaarde feit. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om deze schadepost alsnog nader te onderbouwen levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank zal de benadeelde partij die gelegenheid niet bieden. De rechtbank zal de benadeelde partij daarom in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de civiele rechter kan aanbrengen.
De immateriële schade
Op grond van artikel 6:106, eerste lid, sub b, van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding anders dan vermogensschade als de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. In onderhavig geval heeft de benadeelde partij geestelijk letsel opgelopen ten gevolge van het delict, wat blijkt uit de bijgevoegde verklaring van een GZ-psycholoog.
De rechtbank zal bij de vaststelling van de hoogte van de immateriële schadevergoeding gebruik maken van haar bevoegdheid om de omvang van de schade naar billijkheid vast te stellen, waarbij zij rekening houdt met de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen worden toegekend. De rechtbank stelt de schade vast op € 2.500,00. De rechtbank zal de vordering voor dat deel toewijzen, te vermeerderen met de verschuldigde wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan. De rechtbank zal de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk verklaren.
7.5
De schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het feit is toegebracht.
Als door de verdachte niet volledig wordt betaald, kan deze verplichting worden aangevuld met 29 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

8.De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 9, 14a, 14b,14c en 63 Sr.

9.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
het misdrijf:
feitelijke aanranding van de eerbaarheid.
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
3 (drie) maanden;
- bepaalt dat deze gevangenisstraf
in zijn geheel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de
proeftijd van 3 (drie) jarende navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:
- stelt als
algemene voorwaardedat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- veroordeelt verdachte tot een
taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid voor de duur van
160 (honderdzestig) uren;
- beveelt, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat
vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van
80 (tachtig) dagen;
- beveelt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de taakstraf in mindering wordt gebracht, waarbij als maatstaf geldt dat voor de eerste zestig dagen doorgebracht in verzekering of voorlopige hechtenis, twee uren en voor de resterende dagen één uur per dag aftrek plaatsvindt;
schadevergoeding
- wijst de vordering van de benadeelde partij
[aangeefster]toe tot een bedrag van
€ 2.994,72(
tweeduizend negenhonderdvierennegentig en tweeënzeventig cent);
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangeefster] van een bedrag van
€ 2.994,72 (bestaande uit materiële schade en immateriële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 maart 2024;
- veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de
maatregelop dat verdachte verplicht is ter zake van het bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van
€ 2.994,72(
tweeduizend negenhonderdvierennegentig en tweeënzeventig cent),te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 maart 2024 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van 29 dagen kan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
- bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel, bestaande uit materiële schade van € 21.600,00 en immateriële schade van € 5.500,00 niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
Dit vonnis is gewezen door mr. D. ten Cate, voorzitter, mr. D. ten Boer en mr. S.H. Peper, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.M.A. van den Hoek, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2026.
***Buiten staat
Mr. *** is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage bewijsmiddelen
Leeswijzer
Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2024138695. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

1. Het proces-verbaal van aangifte door [aangeefster] van 26 maart 2024, , pagina 8 en 9, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Op dinsdag 26 maart 2024 ging ik naar de voetbal bij [voetbalvereniging] in Zwolle. Opeens kwam er een man naast mij lopen. Ik zag dat de man zijn linkerarm om mij heen sloeg ten hoogte van mijn schouder. Ik voelde dat de man aan mijn haar zat. Ik zei tegen de man dat ik het niet fijn vond dat hij dit deed. De man bleef de hele tijd aan de rechterzijde met mij meelopen. Ik voelde de man meermaals aan mijn haar zitten. Ik voelde meermaals dat hij mijn rug en schouder aanraakte. Ik voelde dat de man mij vastpakte. Hij sloeg zijn linkerarm om mijn rug heen. Ik voelde de hand van hem op ten hoogte van mijn borst komen. Ik voelde de hand van de man steeds hoger gaan naar mijn borst over mijn kleding. Ik keek de man tijdens deze stappen meermaals aan en zei tegen hem: "Zeker niet." "Nee dank u wel." Ik voelde dat de man mij vastpakte met zijn handen bij mijn schouders. Ik zag dat hij zijn lippen tuitte en een kussende beweging maakte met zijn mond in mijn richting. Tijdens het lopen voelde dat de man meerdere keren mijn kont aan raakte met zijn hand. Ik ging zitten in de dug-out. Ik voelde en zag de hand van de man de rits van mijn jas opende. Ik voelde de hand van de man over mijn blote huid mijn borst raken. Ik voelde dat hij mijn borst vastpakte met zijn hand en hierin kneep. Ik sprak met verheft stemgeluid" Nee, Nee, Nee zeker niet!" Ik gaf aan dat ik zestien jaar oud ben.

2. De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 12 januari 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik was bij de voetbalvereniging in Zwolle. Ik kwam dat meisje tegen. Ik ben met haar meegelopen, omdat zij dat vroeg. We gingen in een dug-out zitten. Ik had haast dus ik heb haar aan haar schouder getrokken om mee terug te gaan. Toen ik aan haar arm trok zei ze “Nee, Nee, dat wil ik niet.” In het begin toen ik haast had, heb ik haar twee geduwd en daarbij haar billen aangeraakt.

3. Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] van 27 maart 2024, , pagina 21 en 22, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik zag op een gegeven moment een meisje vanuit de dug-out weglopen en ik hoorde dat zij zei: "Dit wil ik niet, dit wil ik niet." Ik zag dat de man vanuit de dug-out wegliep. Ik zag en hoorde dat het meisje aan het bellen was. Ik hoorde dat zij zei dat de man aan haar BH en borsten had gezeten.

4. Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] van 27 maart 2024, pagina 31 en 32, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Een paar minuten later zag ik haar uit de dug-out komen. Ik zag haar ineens en toen hoorde ik: "Nee nee, ik wil niet". Die man liep weg. Ik heb gezien toen ze wegliepen van de bal en naar de dug-out dat hij probeerde haar kont aan te raken. Ze liepen naast elkaar en toen zag ik zijn hand daar heen gaan. Het was zijn linkerhand. Hij liep aan de rechterkant en zij aan de linkerkant.

5. Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] van 27 maart 2024, pagina 18 en 19, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik zag op een gegeven moment een man en een meisje op een bankje naast de dug-out zitten. Ik sprak het meisje aan en vroeg wat er gebeurd was. Het meisje huilde. Ik hoorde dat het meisje zei dat de man aan haar had gezeten. Ik zag dat het meisje verschrikt keek. Ze leek in shock.

6. Het rapport DNA-onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut van 26 juli 2024, pagina 108-112, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

AARE2155NL#01 (gebied van 150x110mm aan zowel l als r voorzijde jas (thv borsten))
DNA-mengprofiel AARE2155NL#01 is ongeveer 380 duizend keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van slachtoffer [aangeefster] , verdachte [verdachte] en een willekeurige onbekende persoon, dan wanneer het DNA afkomstig is van slachtoffer [aangeefster] en twee willekeurige onbekende personen.