ECLI:NL:RBOVE:2026:318

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
5 januari 2026
Publicatiedatum
27 januari 2026
Zaaknummer
340429
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige in het kader van kinderbeschermingsmaatregelen

Op 5 januari 2026 heeft de Rechtbank Overijssel een beschikking gegeven in de zaak van de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2022. De rechtbank heeft de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd voor de duur van een jaar, tot 7 januari 2027, en de machtiging tot uithuisplaatsing in een pleegzorgvoorziening eveneens verlengd tot 7 januari 2027. De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, die de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing heeft aangevraagd. De ouders van [minderjarige], die de Poolse nationaliteit bezitten, zijn niet verschenen bij de zitting en hebben hun standpunten niet kenbaar gemaakt. De rechtbank heeft vastgesteld dat de ouders hun problematiek niet onderkennen en niet in staat zijn om de noodzakelijke stappen te zetten om voor [minderjarige] te zorgen. De rechtbank heeft geconcludeerd dat de situatie bij de ouders onveilig en instabiel blijft, waardoor de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk is. De rechtbank heeft ook het perspectiefbesluit van de GI onderschreven, waarin wordt gesteld dat [minderjarige] niet meer bij de ouders kan opgroeien en dat haar toekomst ligt bij het pleeggezin waar zij momenteel verblijft. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat deze direct geldt, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Almelo
Zaaknummer: C/08/340429 / JE RK 25-1821
Datum uitspraak: 5 januari 2026
Beschikking van de meervoudige kamer over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering,
de gecertificeerde instelling,
gevestigd te Enschede,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2022 in [geboorteplaats], hierna te noemen [minderjarige].
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1],
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] en
[de pleegouders],
hierna te noemen de pleegouders,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 31 oktober 2025;
  • het bericht van de GI, met bijlagen, ontvangen op 5 november 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden voor de meervoudige kamer van deze rechtbank op 29 december 2025. Daarbij waren [naam 1] en [naam 2] van de GI aanwezig.
1.3.
De moeder, de vader en de pleegouders zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].
2.2.
[minderjarige] verblijft bij een pleeggezin.
2.3.
De moeder, de vader en [minderjarige] hebben de Poolse nationaliteit.
2.4.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 22 november 2024 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd voor de duur van een jaar, te weten tot
7 januari 2026 en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin verlengd voor de duur van zes maanden, te weten tot 7 juli 2025, onder aanhouding van het overige.
2.5.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 24 juni 2025 de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin verlengd voor de resterende duur, te weten tot 7 januari 2026.

3.De verzoeken

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
Daarnaast verzoekt de GI het perspectiefbesluit van 6 oktober 2025 te toetsen. De GI vindt dat [minderjarige] niet meer bij de ouders op kan groeien. De GI heeft daarom besloten dat het perspectief van [minderjarige] ligt bij het pleeggezin waar zij nu verblijft. De GI heeft sinds de uithuisplaatsing op 15 oktober 2024 zorgen over het gedrag van de ouders en hun gezondheidstoestand. De ouders zetten geen stappen om hun eigen problematiek aan te pakken terwijl dat wel noodzakelijk is. Door het uitblijven van behandeling van de problematiek van de ouders kan de GI de veiligheid en ontwikkeling van [minderjarige] niet waarborgen als ze weer thuis zou gaan wonen. Daarnaast ziet de GI dat er toenemende overlast is en spanningen zijn in de woonomgeving van de ouders, met meldingen bij de politie en zorgen over huiselijk geweld. De GI zal daarom niet langer werken aan terugplaatsing van [minderjarige] bij de ouders. [minderjarige] zal blijven wonen bij het pleeggezin waar ze nu verblijft. Het is volgens de GI noodzakelijk dat zowel [minderjarige] als de ouders hierover duidelijkheid hebben.

4.De standpunten

4.1.
De moeder is niet verschenen bij de mondelinge behandeling en heeft haar standpunt ook niet op andere wijze aan de rechtbank kenbaar gemaakt. Uit het verzoekschrift van de GI blijkt dat de moeder de wens heeft zelf voor [minderjarige] te kunnen zorgen.
4.2.
De vader is ook niet verschenen bij de mondelinge behandeling en heeft zijn standpunt ook niet op andere wijze aan de rechtbank kenbaar gemaakt. Uit het verzoekschrift van de GI blijkt dat de vader graag weer bij de moeder zou willen wonen en samen met haar voor [minderjarige] zou willen zorgen.
4.3.
Uit het perspectiefbesluit van 6 oktober 2025 van de GI blijkt dat de ouders de wens hebben om zelf weer voor [minderjarige] te kunnen zorgen. Ze doen hun best hun leven op orde te krijgen, maar dat lukt niet, geven ze aan. Ze hebben een goed contact met de pleegouders en vinden de plek waar [minderjarige] nu woont goed.
4.4.
De pleegouders zijn niet verschenen bij de mondelinge behandeling en hebben hun standpunt ook niet op een andere wijze aan de rechtbank kenbaar gemaakt.

5.De beoordeling

Voorafgaand
Het toepasselijk recht
5.1.
Uit de overgelegde stukken blijkt dat de moeder, de vader en [minderjarige] de Poolse nationaliteit bezitten. Hierdoor draagt de zaak een internationaal karakter. De rechtbank heeft vastgesteld dat de voorliggende verzoeken zien op kinderbeschermingsmaatregelen, waarmee ze binnen de materiële werkingssfeer vallen van de Brussel II-ter verordening [1] . Op grond van artikel 7 lid 1 Brussel II-ter is de Nederlandse rechter bevoegd omdat [minderjarige] haar gewone verblijfplaats heeft in Nederland. De bepaling van het toepasselijke recht dient plaats te vinden aan de hand van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 [2] inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van minderjarigen. Op grond van het bepaalde in artikel 15 HKBV 1996 past de bevoegde rechter zijn interne recht toe, zijnde het Nederlands recht.
Belanghebbende
5.2.
Ingevolge het bepaalde in artikel 798 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) wordt onder belanghebbende verstaan degene op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft.
5.3.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de vader niet is belast met het gezag over [minderjarige]. Wel is gebleken dat [minderjarige] voor de uithuisplaatsing in oktober 2024 bij de moeder en de vader woonde en zij samen een gezin vormden. De vader is altijd betrokken geweest bij de verzorging en opvoeding van [minderjarige]. Er is daarmee een nauwe persoonlijke betrekking tussen [minderjarige] en de vader ontstaan, welke aangemerkt wordt als
family lifezoals bedoeld in artikel 8 Verdrag ter bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De nauwe persoonlijke betrekking tussen [minderjarige] en de vader is naar het oordeel van de rechtbank weliswaar gewijzigd, maar niet verbroken. Door de machtiging tot uithuisplaatsing is er geen sprake meer van dagelijkse betrokkenheid bij de verzorging en opvoeding van [minderjarige], maar er is wel sprake van structurele wekelijkse omgang tussen de vader en [minderjarige]. De rechtbank is daarom van oordeel dat er nog steeds sprake is van
family life. De belangen van de vader zijn rechtstreeks betrokken bij de verlengingsverzoeken van de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing en het verzoek van de GI om het perspectiefbesluit te toetsen. Vader zijn
family lifewordt daarmee namelijk rechtstreeks geraakt. De rechtbank zal de vader in deze procedure daarom nog steeds aanmerken als belanghebbende.
Inhoudelijke beoordeling
De ondertoezichtstelling
5.4.
De rechtbank is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [3] De rechtbank legt hieronder uit waarom.
5.5.
[minderjarige] is opgegroeid in een onveilige thuissituatie door huiselijk geweld en middelengebruik van haar ouders. Sinds [minderjarige] uit huis is geplaatst is daar geen wijziging in gekomen. Het afgelopen jaar zijn opnieuw meldingen binnengekomen van huiselijk geweld en overlast in de buurt. De ouders van [minderjarige] erkennen hun problematiek niet en zetten zich niet in voor en met hulpverlening. De behandeling van de ouders bij Tactus is stopgezet en niet is gebleken dat deze weer is hervat. De ouders komen de afspraken met hun ambulant begeleider van [naam 3] niet na en houden verdere hulpverlening buiten de deur. De ouders zijn emotioneel niet beschikbaar voor [minderjarige] en zijn niet in staat haar belang voorop te stellen. De ouders beschikken niet over de opvoedvaardigheden die nodig zijn voor [minderjarige]. Weliswaar hebben zij in de tijd dat ze voor [minderjarige] zorgden, laten zien de basale verzorging van haar op zich te kunnen nemen, maar dat is onvoldoende om haar een stabiele en veilige opvoedomgeving te kunnen bieden. De wekelijkse omgang van de ouders met [minderjarige] verloopt positief. De ouders tonen liefde en zorg tijdens de omgangsmomenten. Dit is naar het oordeel van de rechtbank ook het maximaal haalbare voor de ouders. Omdat de ouders hun problematiek niet onderkennen en niet openstaan voor hulpverlening is de rechtbank van oordeel dat de ernstige ontwikkelingsbedreigingen niet zullen worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De rechtbank zal de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar verlengen.
De machtiging tot uithuisplaatsing en de toetsing van het perspectiefbesluit
5.6.
De rechtbank overweegt dat de uithuisplaatsing van een kind in beginsel een tijdelijk karakter heeft. De wetgever gaat ervan uit dat de GI nagaat of het kind terug naar huis kan. Als na verloop van tijd de conclusie is dat terugplaatsing niet meer haalbaar is binnen een voor het kind aanvaardbare termijn, dan kan de uithuisplaatsing een permanent karakter krijgen. De beslissing waarbij de GI tot deze conclusie komt, wordt het perspectiefbesluit genoemd.
5.7.
De GI heeft op 6 oktober 2025 een perspectiefbesluit genomen ten aanzien van [minderjarige] en heeft de rechtbank verzocht om dit besluit in het kader van het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing te bevestigen.
5.8.
De wet voorziet niet in een zelfstandige rechtsgang waarin een perspectiefbesluit als zodanig aan de rechtbank ter beoordeling kan worden voorgelegd. De rechtbank zal het perspectiefbesluit wel moeten beoordelen als dit noodzakelijk is in verband met beslissingen, maatregelen en verzoeken die voortvloeien uit of samenhangen met het standpunt van de GI over het opgroeiperspectief van het kind [4] . Dat is in dit geval aan de orde bij de beoordeling van het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige].
5.9.
De rechtbank stelt vast dat de ouders hun problematiek niet erkennen en niet in staat zijn de noodzakelijke stappen te zetten om die problematiek aan te pakken. Sinds de uithuisplaatsing zijn de zorgen over het gedrag en de gezondheidstoestand van de ouders gebleven. Behandeltrajecten zijn niet afgemaakt, ouders stellen zich niet begeleidbaar op en hulpverlening wordt niet toegelaten. De problemen in de woonomgeving met huiselijk geweld en overlast blijven aanwezig. Daarmee blijft de situatie bij de ouders structureel instabiel en onveilig. De rechtbank heeft niet de verwachting dat de ouders binnen afzienbare tijd de verzorging en opvoeding van [minderjarige] op zich kunnen nemen. [minderjarige] heeft behoefte aan duidelijkheid en het is niet in haar belang om op duidelijkheid over waar zij zal opgroeien te moeten wachten tot haar ouders hun problematiek zullen gaan aanpakken. Daarbij is ook onzeker of de ouders na een eventuele behandeling wel in staat zullen zijn om voor [minderjarige] te zorgen. Zonder duidelijkheid over het toekomstperspectief blijven ouders hangen in een onrealistisch beeld van een mogelijke terugkeer naar huis, wat de hechting en stabilisatie binnen het pleeggezin kan belemmeren. Deze onzekerheid is niet langer aanvaardbaar voor [minderjarige] en haar ontwikkeling. De rechtbank acht het in het belang van [minderjarige] – en indirect ook in het belang van het pleeggezin – dat [minderjarige] zich kan hechten binnen het pleeggezin waar ze in de toekomst zal blijven. Het pleeggezin is in staat om [minderjarige] een stabiele opvoedsituatie te bieden en zij ervaart daar de veiligheid, stabiliteit en voorspelbaarheid die zij nodig heeft.
5.10.
De rechtbank kan de GI daarom volgen in de opvatting dat zij zich bij de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing niet meer zal richten op de terugkeer van [minderjarige] naar huis, maar op de goede samenwerking tussen de ouders en pleegouders en voortzetting van de omgangsregeling. De rechtbank benadrukt dat de ouders, ook al woont [minderjarige] ergens anders, enorm belangrijk blijven voor haar. Dit alles betekent dat de rechtbank het perspectiefbesluit onderschrijft dat door de GI is genomen.
5.11.
Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding [5] . De machtiging tot uithuisplaatsing zal worden verlengd voor de duur van een jaar, te weten tot 7 januari 2027.
Uitvoerbaar bij voorraad
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar, tot 7 januari 2027;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van de ondertoezichtstelling, dus tot 7 januari 2027;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. I.M. Brandwacht-Kampman, voorzitter en mr. A. Flos en mr. J.L. Souman, (kinder)rechters, en in het openbaar uitgesproken op
5 januari 2026, in aanwezigheid van mr. S. ten Thije - Blokvoort als griffier. De schriftelijke uitwerking heeft plaatsgevonden op 21 januari 2026.
Een afschrift van deze beschikking wordt gezonden aan de raad voor de kinderbescherming en de in deze beschikking vermelde gegevens worden door de raad opgenomen in zijn registratie.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Verordening (EU) 2019/1111 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering
2.HKBV 1996
3.Artikel 1:260 BW.
4.Hoge Raad 1 september 2023, ECLI:NL:2023:1148
5.Artikel 1:265c, tweede lid, BW