ECLI:NL:RBOVE:2026:319

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
27 januari 2026
Zaaknummer
ak_24_2671 pkv
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning proceskostenvergoeding na intrekking beroep wegens gewijzigde beslissing UWV

Verzoekster stelde beroep in tegen het besluit van het UWV van 8 mei 2024, waarin een uitkering op grond van de Wet WIA werd geweigerd. Dit beroep werd op 25 mei 2024 ingediend. Op 29 oktober 2025 wijzigde het UWV het besluit en kende alsnog een IVA-uitkering toe vanaf 16 oktober 2023. Hierdoor trok verzoekster haar beroep in.

De rechtbank beoordeelde het verzoek van verzoekster om het UWV te veroordelen tot betaling van proceskosten. Het UWV stemde in met deze veroordeling conform het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). De rechtbank oordeelde dat het UWV aan verzoekster was tegemoetgekomen door de gewijzigde beslissing en wees het verzoek toe.

De proceskostenvergoeding werd berekend op basis van de door de gemachtigde verrichte proceshandelingen, met een totaalbedrag van € 2.335,-. Daarnaast werd het griffierecht van € 51,- aan verzoekster vergoed. De rechtbank deed deze uitspraak zonder zitting en informeerde partijen over de mogelijkheid tot verzet binnen zes weken.

Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot betaling van € 2.335,- aan proceskosten en vergoeding van het griffierecht van € 51,- aan verzoekster.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 24/2671

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[verzoekster], uit [woonplaats], verzoekster

(gemachtigde: mr. E. Schriemer),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, verweerder (het UWV)
(gemachtigde: W. Prins).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoekster om een veroordeling van het UWV in de proceskosten. Verzoekster heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van haar beroep tegen het besluit van het UWV van 8 mei 2024. Zij heeft het beroep ingetrokken omdat het UWV op 29 oktober 2025 dit besluit heeft vervangen door een gewijzigde beslissing op bezwaar.
1.1.
De rechtbank heeft het UWV in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. Het UWV heeft de rechtbank meegedeeld akkoord te zijn met een proceskostenveroordeling in overeenstemming met het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
1.2.
De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling toe. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. [2]
Is het UWV aan verzoekster tegemoetgekomen?
4. De rechtbank moet dus beoordelen of het UWV geheel of gedeeltelijk aan verzoekster is tegemoetgekomen.
4.1.
Op 25 mei 2024 heeft verzoekster beroep ingesteld tegen het bestreden besluit waarmee het UWV heeft geweigerd om aan verzoekster vanaf 16 oktober 2023 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen. Het UWV heeft op 29 oktober 2025 aan verzoekster vanaf 16 oktober 2023 op grond van de Wet WIA een uitkering inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA-uitkering) toegekend. Hiermee is het UWV tegemoetgekomen aan het beroep van verzoekster.
Welk bedrag aan proceskosten moet het UWV aan verzoekster vergoeden?
5. De rechtbank wijst het verzoek als kennelijk gegrond toe. Verzoekster krijgt een vergoeding van haar proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Bpb als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. In de bezwaarfase heeft verzoekster geen gebruik gemaakt van beroepsmatig verleende rechtsbijstand en heeft zij niet om vergoeding van proceskosten verzocht. De gemachtigde van verzoekster heeft een beroepschrift ingediend (1 punt), aan de zitting van de rechtbank deelgenomen (1 punt), en een zienswijze na de tussenuitspraak ingediend (0,5 punt). In beroep heeft elke punt een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 2.335,-.
Krijgt verzoekster een vergoeding van het griffierecht?
6. De rechtbank bepaalt verder dat het UWV het door verzoekster betaalde griffierecht van € 51,- moet vergoeden. [3] In de gewijzigde beslissing op bezwaar heeft het UWV laten weten het griffierecht te zullen vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- veroordeelt het UWV tot betaling van € 2.335,- aan proceskosten aan verzoekster;
- bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 51,- aan verzoekster moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Eikelenboom, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.A.H. Beenen-Oskam, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
De rechter is verhinderd te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Bpb.
3.Dit volgt uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.