Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:3217

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
9 juni 2026
Zaaknummer
71.345100.25
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26 Wet wapens en munitieArt. 13 Wet wapens en munitieArt. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 10a Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor bezit amfetamine, voorbereidingshandelingen productie en wapenbezit

De rechtbank Overijssel heeft op 9 juni 2026 een 64-jarige man veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 jaren en 8 maanden wegens het bezit van 354 kilogram amfetamine, het treffen van voorbereidingshandelingen voor de productie en handel in amfetamine en cocaïne, en het bezit van wapens. De feiten vonden plaats in de periode van november tot december 2025, waarbij de verdachte onder meer een loods gebruikte en diverse apparatuur voor de drugsproductie en -verpakking voorhanden had.

De verdachte had procesafspraken gemaakt met het Openbaar Ministerie, waarbij hij afstand deed van diverse verweren en hoger beroep, en meewerkte aan een efficiënte rechtsgang. De rechtbank heeft deze afspraken beoordeeld aan de hand van het kader van de Hoge Raad en achtte ze vrijwillig en rechtsgeldig. Hierdoor werd een lagere straf opgelegd dan de rechtbank in beginsel passend achtte.

De rechtbank achtte wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, waaronder het bezit van wapens en een namaakwapen, het medeplegen van het bezit van een grote hoeveelheid amfetamine, en het voorbereiden en bevorderen van drugshandel. De strafmaat werd mede bepaald door de ernst van de feiten, de maatschappelijke impact van drugscriminaliteit en wapenbezit, en de proceseconomische voordelen van de gemaakte afspraken.

De rechtbank sprak de verdachte vrij van overige tenlastegelegde feiten die niet bewezen konden worden en bepaalde dat de tijd in voorlopige hechtenis geheel in mindering wordt gebracht op de opgelegde straf. De uitspraak werd gedaan door mr. A.J. de Loor, mr. M. Melaard en mr. R. ter Haar.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 3 jaar en 8 maanden gevangenisstraf voor bezit van amfetamine, voorbereidingshandelingen en wapenbezit.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 71.345100.25 (P)
Datum vonnis: 9 juni 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1962 in [geboorteplaats],
wonende aan de [woonplaats].

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 26 mei 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsvrouw mr. T. Arkesteijn, advocaat in Nieuwerkerk aan de IJssel, naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er na wijziging van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van 26 mei 2026, op neer dat verdachte:
feit 1:een gaspistool, een gasrevolver en een namaakwapen voorhanden heeft gehad;
feit 2:samen met een ander of anderen 354 kilogram amfetamine voorhanden heeft gehad;
feit 3:zich samen met een ander of anderen heeft beziggehouden met voorbereidings- of bevorderingshandelingen gericht op het bewerken, verwerken of verkopen van amfetamine en/of cocaïne, door een loods te huren en/of een vacumeermachine, pers- en/of stempelplaten (van een drukpers) en bigshoppers voorhanden te hebben.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
1
Hij op of omstreeks 17 december 2025 te [plaats 1] en/of te [plaats 2],
althans in Nederland, wapens, onderdelen van wapens en munitie van
categorie I en/of III van de Wet Wapens en Munitie, te weten:
- een gaspistool (pistool van het merk Umarex Perfecta FBI 8000, kaliber
8 mm Knall), een patroonmagazijn en voor het vuurwapen geschikte
munitie (2 gaspatronen) en/of
- een gasrevolver (pistool van het merk H. Schmidt Ostheim / HS 121 B,
kaliber 9 mm R Knall) en/of
- een nabootsing van een pistool (pistool van het merk Mauser-Werke
AG Oberdorf A.N., HSc 7.65mm), zijnde een voorwerp dat voor wat
betreft zijn vorm, afmetingen, opdruk en specifieke uitsteeksels een
sprekende gelijkenis vertoonde met (een) vuurwapen(s) en/of met (een)
voor ontploffing bestemde voorwerp (en),
in elk geval wapens en/of onderdelen van wapens en/of munitie in de
zin van categorie I en/of III, voorhanden heeft gehad
2
Hij in of omstreeks de periode van 20 november 2025 tot en met 17
december 2025 te [plaats 1], althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
- opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of vervoerd,
en/of
- opzettelijk aanwezig heeft gehad,
354 kilogram amfetamine, in elk geval een hoeveelheid van een
materiaal bevattende amfetamine, zijnde een middel als bedoeld in de
bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het
vijfde lid van artikel 3a van die wet;
3
Hij in of omstreeks de periode van 20 november 2025 tot en met 17
december 2025 te [plaats 1] en/of te [plaats 2], althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de
Opiumwet,
voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten
- het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, en/of vervoeren
van hoeveelheden van materialen bevattende amfetamine en/of
cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende
lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die
wet,
- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te
plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij
behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of
inlichtingen te verschaffen en/of
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het
plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen en/of
- voorwerpen, vervoersmiddelen, en/of stoffen voorhanden heeft gehad,
waarvan verdachte wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij
bestemd waren tot het plegen van dat feit
immers heeft hij, verdachte,
- een loods, gevestigd aan de [adres] te [plaats 1] gehuurd en/of
in gebruik genomen en/of ter beschikking gesteld en/of
- een vacumeermachine en/of een of meerdere pers en/of stempelplaten
(van een drukpers) en/of bigshoppers voorhanden gehad;

3.De procesafspraken

De overeenkomst procesafspraken
Op 6 mei 2026 is tussen verdachte en het Openbaar Ministerie een overeenkomst gesloten waarin procesafspraken zijn gemaakt over de strafzaak van verdachte. Deze door partijen ondertekende overeenkomst met bijlagen is gevoegd bij dit vonnis. Verdachte is bij de totstandkoming van de procesafspraken bijgestaan door zijn raadsvrouw. De rechtbank heeft geen bemoeienis gehad met de totstandkoming en de inhoud van de procesafspraken.
De procesafspraken houden, zakelijk weergegeven, in dat verdachte:
- aanwezig zal zijn bij de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting op 26 mei 2026;
- geen onderzoekswensen indient;
- geen bewijs-, strafmaat- of ontvankelijkheidsverweren zal voeren;
- afstand doet van de onder hem in beslag genomen goederen (onder andere een contant geldbedrag van € 6.000,-, wapens, verdovende middelen, gegevensdrager(s));
- zich niet aan de tenuitvoerlegging van de straf zal onttrekken;
- afziet van hoger beroep indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring en strafoplegging conform de tussen verdachte/verdediging en het Openbaar Ministerie gemaakte afspraken;
en dat het Openbaar Ministerie:
- bij de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting op 26 mei 2026 een vordering wijziging tenlastelegging indient, overeenkomstig de tenlastelegging in de overeenkomst procesafspraken;
- afziet van hoger beroep indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring en strafoplegging conform de tussen de verdachte/verdediging en het Openbaar Ministerie gemaakte afspraken;
- zich onthoudt van het instellen van een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit de ten laste gelegde feiten, indien de rechtbank overgaat tot het overnemen van de voorgestelde procesafspraken;
- zal vorderen dat aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 3 jaren en 8 maanden wordt opgelegd.
De beoordeling van de procesafspraken
Bij de beoordeling van de procesafspraken heeft de rechtbank het door de Hoge Raad ontwikkelde kader als uitgangspunt genomen (HR 27 september 2022,
Tijdens de inhoudelijke behandeling van de strafzaak op de terechtzitting van 26 mei 2026 zijn de hiervoor weergegeven procesafspraken uitgebreid en indringend met verdachte besproken in aanwezigheid van zijn raadsvrouw. Verdachte heeft ter terechtzitting te kennen gegeven goed te hebben begrepen wat de gemaakte procesafspraken inhouden en wat de gevolgen daarvan voor hem en zijn strafzaak kunnen zijn. Hij heeft aangegeven volledig achter die afspraken te staan, deze overeenkomst vrijwillig te zijn aangegaan en op geen enkele wijze onder druk te zijn gezet. Ook is duidelijk geworden dat de verdachte bij het hele proces om tot afspraken te komen, steeds voorzien is geweest van rechtskundige bijstand.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank tot de overtuiging gekomen dat de verdachte vrijwillig en op basis van voor hem voldoende duidelijke informatie is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing om mee te werken aan wat in het afdoeningsvoorstel is overeengekomen. De rechtbank stelt daarnaast vast dat de verdachte zich bewust is van de rechtsgevolgen van de in de overeenkomst neergelegde procesafspraken en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten. Daarmee is tevens voldaan aan de eisen die artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) stelt.
De procesafspraken komen daarmee voor een beoordeling door de rechtbank in aanmerking. De rechtbank benadrukt dat zij geen partij is bij de gemaakte procesafspraken en daaraan dus ook niet gebonden is. De rechtbank heeft een eigen verantwoordelijkheid en dat betekent dat bij de behandeling op de zitting de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Wetboek van Strafvordering (Sv) leidend is geweest, meer in het bijzonder wat betreft het bewijs en de straf.
Dat in acht nemend komt de rechtbank tot de volgende beoordeling van de strafzaak tegen verdachte.

4.De bewijsmotivering

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft – overeenkomstig de procesafspraken – gevorderd dat het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen wordt verklaard.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen bewijsverweer gevoerd.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
1
hij op 17 december 2025 te [plaats 1] en/of te [plaats 2],
wapens en een onderdeel van een wapen en munitie van categorie I en III van de Wet Wapens en Munitie, te weten:
- een gaspistool (pistool van het merk Umarex Perfecta FBI 8000, kaliber 8 mm Knall), een patroonmagazijn en voor het vuurwapen geschikte munitie (2 gaspatronen) en
- een gasrevolver (pistool van het merk H. Schmidt Ostheim / HS 121 B, kaliber 9 mm R Knall) en
- een nabootsing van een pistool (pistool van het merk Mauser-Werke AG Oberdorf A.N., HSc 7.65mm), zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm, afmetingen, opdruk en specifieke uitsteeksels een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen, voorhanden heeft gehad;
2
hij in de periode van 20 november 2025 tot en met 17 december 2025 in Nederland,
tezamen en in vereniging met anderen,
- opzettelijk heeft bewerkt en verwerkt, en
- opzettelijk aanwezig heeft gehad,
354 kilogram amfetamine, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
3
hij in de periode van 20 november 2025 tot en met 17 december 2025 in Nederland,
tezamen en in vereniging met anderen,
om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten
- het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, en/of vervoeren van hoeveelheden van materialen bevattende amfetamine en/of cocaïne, zijnde middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,
- een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen en
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen en
- voorwerpen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit
immers heeft hij, verdachte,
- een loods, gevestigd aan de [adres] te [plaats 1] gehuurd en in gebruik genomen en ter beschikking gesteld en
- een vacumeermachine en een of meerdere pers- en stempelplaten (van een drukpers) en bigshoppers voorhanden gehad.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in artikel 47 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr), de artikelen 13, 16 en 55 van de Wet Wapens en Munitie en de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:
feit 1
het misdrijf:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd,
en
handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
feit 2
het misdrijf:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro B en C van de Opiumwet gegeven verbod;
feit 3
het misdrijf:
medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde of het vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, een ander trachten te bewegen om dat feit mede te plegen en daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen, zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen, en voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

6.De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten.

7.De op te leggen straf of maatregel

7.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft – overeenkomstig de procesafspraken – gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren en acht maanden.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft geen strafmaatverweer gevoerd.
7.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het bezit van 354 kilogram amfetamine in zijn loods. Ook heeft verdachte een faciliterende rol gespeeld bij de voorbereidingshandelingen voor de productie en het verhandelen van amfetamine en cocaïne door zijn loods daarvoor beschikbaar te stellen en een vacumeermachine, stempel- en persplaten en bigshoppers voorhanden te hebben. Verdachte heeft bijgedragen aan een georganiseerde vorm van drugscriminaliteit die in ons land grote vormen heeft aangenomen en die gepaard gaat met zware, vaak gewelddadige criminaliteit. Dit heeft een ontwrichtend en ondermijnend effect op de samenleving. Tevens is het algemeen bekend dat verdovende middelen schadelijk zijn voor de gezondheid van gebruikers en dat dit niet zelden leidt tot verslavingsproblematiek en bijkomende problemen. Dat heeft niet alleen gevolgen voor de gebruikers zelf, maar ook voor hun eigen omgeving, alsook de maatschappij in het algemeen. Daarbij komt dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van wapens in zijn loods en in zijn chalet. Het ongecontroleerde bezit van wapens veroorzaakt een risico voor de veiligheid van personen en versterkt de gevoelens van onveiligheid in de samenleving. De rechtbank neemt dit alles verdachte zeer kwalijk.
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 5 februari 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte eerder (in Nederland en in het buitenland) is veroordeeld voor overtreding van de Opiumwet, maar gelet op het ruime tijdsverloop sindsdien zal de rechtbank daarmee in het nadeel van verdachte geen rekening houden bij het bepalen van de strafmaat.
Gelet op het voorgaande zou de rechtbank in beginsel een zeer forse gevangenisstraf passend en geboden achten. De rechtbank is van oordeel dat het afdoeningsvoorstel in onderhavige zaak noopt tot een andere afweging die resulteert in een lagere straf. Zij overweegt daartoe als volgt. Een matiging van de straf is in dit geval gerechtvaardigd, omdat verdachte heeft meegewerkt aan een procedure die uiteindelijk tot efficiëntere rechtspleging heeft geleid. De verdediging heeft geen onderzoekswensen ingediend, waardoor de rechter-commissaris geen verder onderzoek heeft moeten verrichten. De behandeling van de strafzaak tijdens het onderzoek ter zitting is voortvarend verlopen, nu als gevolg van het afdoeningsvoorstel geen inhoudelijke verweren zijn gevoerd. Bovendien wordt door naleving van de overeenkomst een hoger beroep voorkomen Dit levert veel tijdswinst op en bespaart kostbare zittingscapaciteit. Naast deze proceseconomische belangen zorgt deze procedure er ook voor dat zaken eerder onherroepelijk zijn en opgelegde straffen sneller kunnen worden geëxecuteerd. Het afdoeningsvoorstel doet daarmee ook recht aan de belangen van de maatschappij.
De rechtbank is, alles afwegende, van oordeel dat de straf die in het afdoeningsvoorstel overeengekomen is onder de gegeven omstandigheden in redelijke verhouding staat tot de ernst en omvang van de feiten, alsook de rol die verdachte daarin heeft vertolkt. Daarnaast is de hoogte van de overeengekomen straf in soortgelijke zaken geen uitzondering. De in het afdoeningsvoorstel overeengekomen straf wordt door rechtbank in deze zaak als een passende vorm van strafafdoening beschouwd.
De rechtbank zal verdachte conform het afdoeningsvoorstel veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren en acht maanden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

8.De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 55 en 57 Sr.

9.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1, het misdrijf:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd,
en
handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
feit 2, het misdrijf:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro B en C van de Opiumwet gegeven verbod;
feit 3, het misdrijf:
medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde of het vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, een ander trachten te bewegen om dat feit mede te plegen en daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen, zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen, en voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1, 2 en 3 bewezen verklaarde;
straf
- veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
3 (drie) jaren en 8 (acht) maanden;
- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. de Loor, voorzitter, mr. M. Melaard en mr. R. ter Haar, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Lautenbag, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026.