Op 23 juli 2025 overleed de erflater, waarna mr. Damstra werd benoemd tot vereffenaar van diens nalatenschap, waaronder een onroerende zaak met een erfdienstbaarheid van weg. Tussen erflater en [partij A] bestond een overeenkomst van ruil van stroken grond uit 2004, niet notarieel vastgelegd. Mr. Damstra vorderde in kort geding dat [partij A] medewerking verleent aan de notariële levering van de stroken grond conform de ruilovereenkomst, subsidiair dat verkrijgende verjaring wordt vastgesteld.
[partij A] betwistte de vorderingen en stelde onder meer dat de primaire vordering tot nakoming verjaard is en dat er geen sprake is van verkrijgende verjaring. De voorzieningenrechter oordeelde dat de primaire vordering tot nakoming verjaard is omdat de vordering direct opeisbaar was in 2004 en de verjaringstermijn van vijf jaar is verstreken. De subsidiaire vordering tot vaststelling van verkrijgende verjaring werd toegewezen omdat erflater de strook grond sinds 2004 onafgebroken en te goeder trouw in bezit had, met duidelijke machtsuitoefening die het bezit van [partij A] teniet deed.
De vordering tot notariële vastlegging van de eigendom van de strook grond werd toegewezen, met de bepaling dat bij gebrek aan vrijwillige medewerking het vonnis in de plaats treedt van de vereiste verklaring en handtekening. De vorderingen in reconventie van [partij A] tot verwijdering van hek en haag en tot schadevergoeding werden afgewezen omdat er geen onrechtmatig handelen was. [partij A] werd veroordeeld in de proceskosten.