Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:3219

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
10 juni 2026
Zaaknummer
AK_25_3272
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1a:1 WajongArt. 1a:11 Wajong
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing Wajong-uitkering wegens onvoldoende studieperiode voorafgaand aan arbeidsongeschiktheid

Eiseres, geboren in 1995, heeft na een val van een paard op 13 juni 2016 pijn- en mentale klachten ontwikkeld die haar arbeidsongeschiktheid veroorzaakten. Zij had in het jaar voorafgaand aan deze datum slechts vijf maanden gestudeerd, terwijl de Wajong-uitkering vereist dat men minimaal zes maanden studerend was in dat jaar.

Eiseres voerde aan dat haar eerste arbeidsongeschiktheidsdag pas in maart 2017 was, omdat zij toen haar studie definitief moest beëindigen. Ook stelde zij dat het UWV onzorgvuldig had gehandeld en dat de hardheidsclausule en het evenredigheidsbeginsel toegepast hadden moeten worden. De rechtbank oordeelde echter dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag terecht op 13 juni 2016 was vastgesteld en dat het UWV zorgvuldig had gehandeld.

De rechtbank wees het beroep af omdat de wettelijke criteria strikt zijn en de omstandigheden van eiseres geen aanleiding geven tot afwijking. De hardheidsclausule is niet van toepassing in deze situatie en het evenredigheidsbeginsel kan niet worden ingeroepen tegen dwingendrechtelijke bepalingen. Eiseres krijgt geen Wajong-uitkering en moet de proceskosten dragen.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar Wajong-uitkering wordt ongegrond verklaard omdat zij niet voldeed aan de studie-eis.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/3272

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], (hierna: [eiseres])
gemachtigde: mr. E. Schriemer,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen(UWV), gemachtigde: mr. C. Lubberts.

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over het beroep van [eiseres] tegen het besluit van het UWV om aan haar geen Wajong [1] -uitkering toe te kennen. Zij is het daar niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV terecht heeft beslist dat [eiseres] niet in aanmerking komt voor een Wajong-uitkering. [eiseres] krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond.

Inleiding

1. [eiseres] is geboren op [geboortedatum] 1995. Zij is dus op [geboortedatum] 2013 achttien jaar geworden. Vanaf 1 september 2015 tot en met 31 januari 2016 heeft zij de opleiding Maatschappelijk werk en dienstverlening gevolgd. Vanaf mei 2016 had zij een bijbaan bij [bedrijf].
1.1.
Op 13 juni 2016 is zij van een paard gevallen, waar zij pijn- en mentale klachten aan heeft overgehouden.
1.2.
Op 1 september 2016 is zij gestart met de studie Toegepaste wiskunde, die zij heeft beëindigd 28 februari 2017.
1.3.
Toen het [eiseres] ook niet meer lukte om haar bijbaan vol te houden heeft zij zich op
13 november 2017 ziek gemeld en is aan haar ziekengeld uitbetaald. Na de eerstejaars Ziektewet (ZW)-beoordeling is haar ZW-uitkering beëindigd per 17 december 2018. Dit staat in het besluit van 16 november 2018. Tegen dat besluit heeft [eiseres] bezwaar gemaakt. Met het besluit van 21 mei 2019 is het bezwaar ongegrond verklaard.
1.4.
Op 12 juli 2025 heeft [eiseres] een Wajong-uitkering aangevraagd. Het UWV heeft deze aanvraag met het besluit van 28 juli 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van
31 oktober 2025 op het bezwaar van [eiseres] is het UWV bij deze afwijzing gebleven.
1.5.
[eiseres] heeft vervolgens beroep ingesteld. Het UWV heeft op 4 december 2025 gereageerd met een verweerschrift.
1.6.
[eiseres] heeft op 26 januari 2026 aanvullende beroepsgronden ingediend met een aantal bijlagen. Zij heeft gereageerd op het verweerschrift en aanvullende medische stukken van de ZW-beoordeling overgelegd.
1.7.
Het UWV heeft op 26 februari 2026 gereageerd met een aanvullend verweerschrift.
1.8.
De rechtbank heeft het beroep op 23 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiseres], haar gemachtigde en de gemachtigde van het UWV. Ook de broer van [eiseres] was bij de zitting aanwezig.

Standpunt UWV

2. Volgens het UWV heeft [eiseres] geen recht op een Wajong-uitkering, omdat bij een arbeidsongeschiktheid die na een 18e verjaardag is ontstaan alleen recht op een
Wajong-uitkering kan zijn als iemand ten minste zes maanden heeft gestudeerd in het jaar voorafgaand aan de dag waarop de beperkingen voor het eerst zijn ondervonden.
Uit de aanvraag van [eiseres] en de medische informatie blijkt dat de beperkingen zijn ontstaan na de val van het paard op 13 juni 2016. In het jaar daarvoor is niet minimaal zes maanden gestudeerd, maar vijf maanden van 1 september 2015 tot en met 31 januari 2016. Hiervoor baseert het UWV zich op het rapport van 28 juli 2025 van een verzekeringsarts.

Standpunten [eiseres]

3. [eiseres] stelt primair dat zij wel aan de voorwaarden voldoet. In plaats van juni 2016 moet van maart 2017 worden uitgegaan, omdat zij toen haar studie Toegepaste wiskunde definitief heeft moeten beëindigen vanwege haar gezondheidsklachten. In de periode daarvoor heeft zij wel zes maanden gestudeerd van 1 september 2016 tot en met 28 februari 2017. Ook stelt [eiseres] dat het onderzoek onzorgvuldig is geweest, omdat er geen medisch onderzoek is gedaan en niet is gekeken naar haar inspanningen. Na de val van het paard heeft zij mede op advies van de neuroloog geprobeerd om haar leven zoveel mogelijk voort te zetten, maar dat is tot op heden vanwege de pijn, vermoeidheid, verminderde concentratie en duizeligheid niet gelukt. Haar studie heeft Toegepaste wiskunde heeft zij daardoor helaas ook moeten beëindigen.
3.1.
Subsidiair stelt [eiseres] dat het UWV de hardheidsclausule had moeten toepassen, omdat het maar om één maand verschil gaat en zij wel degelijk een materiële band heeft met het onderwijs. Het doel van de zes-maandeneis is uitsluiting van jongeren zonder band met het onderwijs, terwijl daar bij haar juist geen sprake van is. Zij heeft vijf maanden gestudeerd voor de val van het paard en zes maanden daarna. Daarbij speelt mee dat zij zich destijds vanwege het overheidsbeleid min of meer gedwongen voelde om zich voor
1 februari 2016 uit te schrijven, om zo een studieschuld te vermijden. Ook voert [eiseres] aan dat zij niet gestraft mag worden voor het feit dat zij na de val heeft geprobeerd om weer te gaan studeren.
3.2.
Verder stelt [eiseres] dat het besluit onevenredig is, omdat zij sinds die ene val geen werkperspectief meer heeft en de schade groot is omdat zij geen inkomen en zekerheid meer heeft. Dit komt niet overeen met de bedoeling van de Wajong en met de menselijke maat.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank is van oordeel dat het UWV de aanvraag van de Wajong-uitkering terecht heeft afgewezen en licht dit als volgt toe.
Het wettelijk kader
4.1.
Een betrokkene heeft recht op een Wajong-uitkering als hij of zij jonggehandicapte is in de zin van artikel 1a:1 van de Wajong. In het eerste lid van dit artikel is bepaald dat jonggehandicapte in de zin van hoofdstuk 1A de ingezetene is die:
a. op de dag waarop hij of zij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft;
b. na de in onderdeel a bedoelde dag als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en in het jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop dit is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende was.
4.2.
Verder is de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van belang. Hierin heeft de CRvB uiteengezet hoe de beoordeling op grond van artikel 1a:1, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Wajong dient plaats te vinden. [2]
4.3.
De CRvB oordeelt dat voor de vraag tot welke doelgroep als bedoeld in artikel 1a:1, eerste lid van de Wajong een betrokkene behoort, de dag waarop voor het eerst beperkingen als gevolg van ziekte worden ondervonden, bepalend is. Die dag wordt door het UWV de ‘eerste arbeidsongeschiktheidsdag’ genoemd. Als al op het achttiende jaar door een betrokkene op grond van een ziekte beperkingen worden ondervonden, vindt de beoordeling van Wajong-aanspraken plaats op grond van artikel 1a:1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wajong. Als die beperkingen voor het eerst tijdens (of binnen zes maanden na afronden van de) studie worden ondervonden, vindt de beoordeling plaats op grond van artikel 1a:1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wajong. Ter voorkoming van misverstanden merkt de CRvB daarbij op dat niet relevant is of een ziekte op een bepaald moment al (latent) bij een betrokkene aanwezig is. Bepalend is het moment waarop op grond van die ziekte voor het eerst beperkingen worden ondervonden.
4.4.
Uit deze uitspraak volgt verder dat slechts sprake kan zijn van één eerste
arbeidsongeschiktheidsdag. Dat is de dag waarop voor het eerst sprake is van beperkingen ten gevolge van ziekte. Uitzondering op het uitgangspunt dat slechts sprake kan zijn van één eerste dag van arbeidsongeschiktheid, vormt de situatie waarin zich bij een betrokkene na het achttiende jaar een andere ziekte openbaart, die voor het eerst tijdens (of binnen zes maanden na afronden van de) studie tot beperkingen leidt. In dat geval is voor de vraag of een betrokkene op grond van beperkingen uit die andere ziekte als jonggehandicapte kan worden aangemerkt, artikel 1a:1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wajong bepalend. Bij die beoordeling wordt geen rekening gehouden met (toegenomen) beperkingen uit een ziekte die voorafgaand aan de studie al tot beperkingen leidde.
Toegepast op de situatie van [eiseres]
5. De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts 13 juni 2016 terecht als eerste arbeidsongeschiktheidsdag heeft vastgesteld. [eiseres] is op die dag van haar paard gevallen en heeft vanaf die dag ook voor het eerst beperkingen ondervonden. Dit blijkt uit de medische informatie, zoals het huisartsenjournaal van 13 juni 2016, het verslag van
16 juni 2016 van de afdeling radiologie en de brieven van 2 juli 2016, 10 januari 2017 en
14 februari 2017 van de neuroloog. De beroepsgrond dat van maart 2017 uitgegaan moet worden omdat zij haar studie toen definitief heeft beëindigd, slaagt om die reden dan ook niet.
5.1.
De beroepsgrond dat geen medisch onderzoek heeft plaatsgevonden volgt de rechtbank niet. Zoals bij 4.3. is toegelicht is bij Wajong-aanspraken van belang dat voordat een inhoudelijk medisch onderzoek plaatsvindt eerst beoordeeld wordt of iemand tot de doelgroep behoort. De rechtbank is van oordeel dat het UWV dat terecht en zorgvuldig heeft gebaseerd op de medische informatie, zoals hiervoor is vermeld onder 5. Dit leidt tot de conclusie dat een situatie als bedoeld in artikel 1a:1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wajong zich niet voordeed. [eiseres] was in het jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop deze beperkingen zijn ingetreden, niet gedurende ten minste zes maanden studerende.
5.2.
Het beroep op de hardheidsclausule op grond van artikel 1a:11, vierde lid van de Wajong slaagt niet. Anders dan [eiseres] aanvoert is dit geen algemene hardheidsclausule waarmee vanwege individuele omstandigheden en een band met het onderwijs een Wajong-uitkering kan worden toegekend. Dit artikel ziet op situaties waarbij iemand niet in staat was om een aanvraag te doen. Het vierde lid geeft dan aan het UWV de bevoegdheid om het recht op uitkering in afwijking van het eerste lid ook ambtshalve (dus zonder aanvraag) vast te stellen en toe te kennen. [3]
5.3.
Ook het beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagt niet. Artikel 1a:1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wajong is een dwingrechtelijke bepaling in een wet in formele zin. De bestuursrechter kan deze bepaling dan ook niet toetsten aan algemene rechtsbeginselen zoals het evenredigheidsbeginsel. Dat is slechts anders als in een bepaald geval sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever. Dan kan aanleiding bestaan om tot een andere uitkomst te komen dan waartoe toepassing van de wettelijke bepaling leidt.
5.4.
De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheden en gevolgen die [eiseres] heeft aangevoerd daar geen aanleiding voor geven. Uit de Memorie van Toelichting [4] blijkt dat de wetgever heeft gekozen voor een studieperiode van ten minste zes maanden. Daarbij gaat het om een studieperiode in het jaar dat onmiddellijk voorafgaand is aan de dag waarop de beperkingen zijn ingetreden. [5] De omstandigheden en gevolgen daarna hebben plaatsgevonden kunnen, hoe invoelbaar ook, daarom niet bij die beoordeling betrokken worden.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat [eiseres] geen gelijk krijgt. Daarom krijgt zij het betaalde griffierecht niet terug en ook geen vergoeding van de proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.T. de Kwaasteniet, rechter, in aanwezigheid van
J.T. Boddeüs, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.
2.Zie CRvB 28 juni 2018, ECLI:NL:CRVB:2019:1964 en 8 januari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:20
3.Zie CRvB 19 september 2024, ECLI:NL:CRVB:2024
4.Tweede Kamer, vergaderjaar 2011 – 2012, 33 161, nr. 3, p. 37 en 90. Zie ook de uitspraak van de CRvB, 8 januari 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:29.
5.Zie bijvoorbeeld ook de uitspraak van de CRvB, van 7 augustus 2024, ECLI:NL:2024:1599.