ECLI:NL:RBOVE:2026:324

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
27 januari 2026
Zaaknummer
ak_25_1156
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid ondanks HNPP-klachten

Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een WIA-uitkering, welke door het UWV is afgewezen omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is bevonden. Na bezwaar is het arbeidsongeschiktheidspercentage aangepast naar 22,47%, maar de uitkering bleef geweigerd. Eiseres stelt dat haar beperkingen door de erfelijke ziekte HNPP ernstiger zijn dan door het UWV aangenomen, met name op het gebied van zitten, knijp- en grijpkracht en visuele prikkels.

De rechtbank beoordeelt het medisch onderzoek en de rapportages van de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep als zorgvuldig en voldoende onderbouwd. De aanvullende beperkingen die zijn aangenomen in de functionele mogelijkhedenlijst (FML) zijn gemotiveerd en sluiten aan bij de medische informatie, waaronder rapportages van neuroloog en revalidatiearts.

De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat er meer beperkingen moeten worden aangenomen, onder meer omdat de ervaren klachten niet altijd medisch objectief kunnen worden vastgesteld. De urenbeperking is eveneens passend geacht. De rechtbank concludeert dat eiseres niet voldoet aan de criteria voor een WIA-uitkering en verklaart het beroep ongegrond.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar WIA-uitkering wordt ongegrond verklaard omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/1156

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. K. Aslan),
en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen

(gemachtigde: [gemachtigde]).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Adecco Personeelsdiensten uit Zaltbommel (ex-werkgever).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om toekenning van een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA).
Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Zij stelt, samengevat weergegeven, meer beperkingen te hebben dan door het UWV aangenomen en daarom niet in staat te zijn de geduide functies te verrichten. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV zicht terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor een WIA uitkering. Eiseres krijgt dus ongelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de WIA. Het UWV heeft deze aanvraag met het besluit van 22 maart 2024 (primair besluit) afgewezen, omdat eiseres minder dan 35 % arbeidsongeschikt is bevonden, namelijk 14,36%.
Met het bestreden besluit van 8 april 2025 op het bezwaar van eiseres (verder te noemen: het bestreden besluit) is het UWV bij de afwijzing van de aanvraag gebleven, maar is het arbeidsongeschiktheidspercentage gewijzigd vastgesteld op 22,47%.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 17 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het UWV.
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiseres was eerder werkzaam als medewerker klantenservice voor gemiddeld 22.5 uur per week. Na het het einde van haar dienstverband is zij in aanmerking gebracht voor een werkloosheidswet (WW) uitkering.
Vanuit de WW heeft zij zich op 1 december 2021 ziek gemeld vanwege lichamelijke klachten. Vervolgens is aan haar ziekengeld toegekend. Het UWV heeft in het kader van de zogenoemde eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek verricht. Bij besluit van 26 december 2022 heeft het UWV de uitkering van eiseres op grond van de Ziektewet (ZW) per 29 november 2022 voortgezet.
Per eindewachttijd heeft het UWV een verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige beoordeling verricht. Dit heeft geleid tot het primaire besluit zoals vermeld onder het kopje “procesverloop”.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank beoordeelt de weigering van de WIA-uitkering door het UWV. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
5. Eiseres stelt zich op het standpunt dat het UWV haar klachten en beperkingen heeft onderschat en dat zij daarom niet geschikt is voor de geduide functies.
Eiseres stelt samengevat weergegeven dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep meer beperkingen had moeten aannemen op de items zitten (tijdens het werk), items 5.1 en 5.2., knijp- en grijpkracht en visuele prikkels. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft niet, dan wel onvoldoende, toegelicht, waarom op deze punten geen beperking is aangenomen.
Eiser stelt dat al deze klachten verband houden met haar erfelijke ziekte, HNPP. Deze erfelijke ziekte is een aandoening die zenuwen extra kwetsbaar maakt voor druk. Uit de stukken blijkt dat eiseres al in het kader van de in december 2022 plaatsgevonden EZWb heeft aangegeven dat ze door haar klachten niet lang kan zitten.
Eiseres ervaart ook al jarenlang klachten van de onderarmen en vooral handen, die bijna dagelijks aanwezig zijn, zoals zij ook telkens heeft verklaard. Zij verwijst ter onderbouwing naar de beschikbare informatie van haar behandelend neuroloog van 14 oktober 2022. Eiseres heeft zowel bij de arts in de primaire fase als bij de verzekeringsarts bezwaar en beroep verklaard dat ze nog steeds klachten heeft van de armen en handen. Er kan daarom niet anders geconcludeerd worden dan dat deze klachten (hoogstwaarschijnlijk) het gevolg zijn van de erfelijke ziekte. Dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep tijdens zijn eigen onderzoek zou hebben bevonden dat de knijp- en grijpkracht aan beide handen adequaat is en dat zij met beide duimtoppen haar vingertoppen en bases van de vingers afzonderlijk in vlot tempo kan aanraken doet aan vorenstaande niet af.
Ten onrechte heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet onderbouwd dat de door eiseres ervaren belemmeringen ten aanzien van het omgaan met visuele prikkels niet medisch te verklaren zijn.
Ten slotte stelt eiseres dat een sterkere urenbeperking is aangewezen dan thans aangenomen. Eiseres heeft te kampen heeft met zeer beperkende vermoeidheid. Dit blijkt ook uit de informatie van de neuroloog van 14 oktober 2022. Mede in verband met de vermoeidheid is eiseres gedurende de wachttijd van 2 jaar niet in staat geweest om meer dan 5 uur met re-integratie activiteiten bezig te zijn. Ten tijde van de EWZb is in de FML een urenbeperking van 2 uur per dag en 10 uur per week aangenomen. Nu ook de primaire arts van mening is dat er sinds de EZWb geen significante verandering is opgetreden in de medische toestand van eiseres is er geen enkele reden om de destijds toegekende urenbeperking te wijzigen.
Zorgvuldigheid van het onderzoek
6. Aan het bestreden besluit ligt een zorgvuldig medisch onderzoek ten grondslag. De verzekeringsarts heeft eiseres zelf gesproken op het telefonisch spreekuur van 18 maart 2024. Zijn conclusies heeft de arts voldoende begrijpelijk neergelegd in de rapportage van 18 maart 2024.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft eiseres gezien op de hoorzitting van 3 februari 2025 en op het spreekuur van diezelfde datum. Hij heeft voorts informatie opgevraagd en ontvangen van de huisarts van eiseres, M.A.A. Hilhorst. Daarnaast is de afspraakbrief van de arts-assistent kindergeneeskunde van 2 september 2010, UMC St Radboud, een afspraakbrief voor een EMG van 20 september 2010, van de afdeling klinische neurofysiologie, UMC St Radboud, een brief van 2 september 2010, van J.H. Schieving, kinderneuroloog en I.M.P. Arts, neuroloog i.o., een brief van 31 januari 2011, van J.H. Schieving, kinderneuroloog en brieven van 3 januari 2023 en 21 februari 2023, van Z. Brusselman - Grootkarzijn, revalidatiearts, betrokken.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zijn visie voldoende inzichtelijk gemaakt in de rapportage van 14 maart 2025. Uit hetgeen eiseres aanvoert, volgt niet dat de wijze van onderzoek, in zijn geheel bezien, gebreken vertoont.
De medische grondslag
6.1.
Niet in geschil is dat bij eiseres sprake is van HNPP, drukneuropathie, en dat zij als gevolg daarvan klachten en beperkingen ervaart.
De belastbaarheid van eiseres op de datum in geding is op navolgbaar gemotiveerde wijze weergegeven in de rapporten van de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
In de functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 18 maart 2024 heeft de verzekeringsarts beperkingen opgenomen in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren, dynamische handelingen, statische houdingen en werktijden.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de rapportage van 14 maart 2025 overtuigend gemotiveerd waarom de conclusie van de verzekeringsarts omtrent de belastbaarheid van eiseres grotendeels in stand kan blijven en daarnaast op welke punten aanvullende beperkingen dienen te worden aangenomen.
Dit heeft geleid tot de aangepaste FML van 14 maart 2025. De items rubriek 1(beoordelingspunten 8.2, 8.4, 8.5 en 8.6), rubriek 2 (beoordelingspunt 12.5), rubriek 3 (beoordelingspunten 4. en 7.) en rubriek 4 (beoordelingspunt 20.) en rubriek 5 (beoordelingspunt 3) zijn aanvullend aangenomen in de gewijzigde FML.
Zitten6.2 Eiseres heeft gesteld dat een beperking op zitten aangenomen zou moeten worden.
In de rapportage van 23 juli 2025 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep hierop aanvullende gerapporteerd.
Hij heeft hierin aangegeven:
“(…) Zitten geeft, mits er sprake is van voldoende ruimte tussen de kniegewrichten en het zitgedeelte, echter geen druk op de n. peroneus. Cliënt kan bovendien zo nodig tijdens het zitten verzitten of even opstaan waarmee zij volgens het interpretatiekader van het beoordelingspunt 'zitten' in het CBBS het zitten niet onderbreekt.”
De rechtbank acht dit voldoende gemotiveerd. Uit de door eiseres in bezwaar overgelegde medische stukken van haar behandelaren blijkt niet dat dit onjuist is. Zij heeft in beroep ook geen nieuwe medische stukken overgelegd die een ander licht werpen op het standpunt van het UWV.
Visuele prikkels
6.3
Eiseres stelt dat een extra beperking aangenomen had moeten worden vanwege visuele prikkels.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn aanvullende rapportage van 23 juli 2025 opgemerkt dat voor het aannemen van een beperking op dit punt een medisch substraat ontbreekt. Eiseres werd voor de door haar ervaren belemmeringen ten aanzien van het
omgaan met visuele prikkels ten tijde van datum in geding ook niet behandeld.
Eiseres heeft ter zitting ook zelf aangegeven dat de visuele prikkelgevoeligheid als zodanig ook niet is terug te leiden tot de HNPP, maar dat het een gevolg is van de totale overbelasting.
De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep zijn standpunt voldoende heeft gemotiveerd. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit de in bezwaar overgelegde medische stukken niet blijkt dat met betrekking tot de visuele prikkels beperkingen moeten worden aangenomen. Daar komt bij dat in de FML eiseres ook beperkt is geacht op item 1.8.1 waarin expliciet is opgenomen dat zij niet kan werken in een overdaad aan prikkels. Dat dit alleen zou zien op auditieve prikkels wordt niet gevolgd.

Grijp-knijpkracht handen/polsen6.4Eiseres wordt niet gevolgd in haar betoog. De rechtbank acht het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 23 juli 2025 een afdoende motivering waarom op dat punt geen aanvullende beperkingen aangenomen hoeven worden.

Hierin is vermeld:
“(…)Voornoemde wordt nog eens bevestigd door het onderzoek van de neuroloog d.d. 13 oktober 2022 waaruit bleek dat de kracht aan de armen en benen maximaal was, de reflexen aan de armen en benen symmetrisch normaal opwekbaar waren bij een normaal, vlot looppatroon en een ongestoorde hakkengang, tenengang en koorddansersgang. Ook de revalidatiearts geeft in haar brief van 3 januari 2023 aan dat er op dat moment geen sprake was van krachtsvermindering wat ook uit eigen onderzoek in bezwaar d.d. 3 februari 2025 naar voren kwam.”
Dat eiseres klachten heeft als gevolg van haar HNPP is niet in geschil. Bovenstaande citaten, waaruit blijkt dat eiseres ten tijde in geding geen beperkingen had aan haar handen en polsen, zijn afkomstig uit informatie van haar eigen behandelaren. Eiser heeft ook geen informatie, anders dan haar eigen ervaring, overgelegd die wijzen op het tegendeel.
Urenbeperking
6.5
Eiseres wordt niet gevolgd in haar betoog dat niet met de huidige urenbeperking kan worden volstaan. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft uitgelegd waarom de urenbeperking anders is dan ten tijde van de eerstejaarziektewetbeoordeling.
In bezwaar zijn alsnog meer beperkingen aangenomen, ook in vergelijking met eerdere eerstejaarsziektewetbeoordeling. De vermoeidheidsklachten komen reeds tot uiting in de aangenomen beperkingen in de rubrieken persoonlijk functioneren, sociaal
functioneren, fysieke omgevingseisen, dynamische handelingen, statische houdingen en werktijden. Ook uit de door eiseres in bezwaar overgelegde medische informatie blijkt niet van een ander beeld.
6.6
Dat eiseres zelf zwaardere beperkingen ervaart, betekent niet zonder meer dat ook meer beperkingen moeten worden aangenomen. Van belang is immers niet alleen wat eiseres ervaart, maar wat objectief medisch als gevolg van ziekte of gebrek aan beperkingen is vast te stellen. De FML bevat een groot aantal beperkingen en er is geen reden om aan te nemen dat deze beperkingen niet voldoende zijn.
6.7
Uitgaande van de FML is het aannemelijk dat eiseres in staat is om de aan de schatting ten grondslag gelegde functies te vervullen.
7. De beroepsgronden slagen niet.
8. Verweerder heeft dan ook terecht beslist dat de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres minder is dan 35%, zodat zij met ingang van 28 november 2023 geen recht heeft op een Wet WIA-uitkering.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Koster, rechter, in aanwezigheid van mr. E.G.M. ten Kate, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.