Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:3282

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
ZWO 25/2668
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 PWArt. 54 PWArt. 58 PW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenplicht

Eiser heeft zich op 23 oktober 2024 met zijn twee minderjarige kinderen ingeschreven op een adres waar hij een woning toegewezen kreeg en tegelijkertijd een bijstandsuitkering en bijzondere bijstand heeft aangevraagd. Het college kende de uitkering toe, maar startte op 6 februari 2025 een onderzoek naar het hoofdverblijf van eiser vanwege een melding dat hij nauwelijks op het inschrijvingsadres verbleef.

Uit het onderzoek bleek dat eiser feitelijk een gezamenlijke huishouding voerde met zijn ex-partner in een andere plaats en dat hij dit niet had gemeld. Het college trok daarom de bijstandsuitkering en bijzondere bijstand met terugwerkende kracht in en vorderde het totaalbedrag van € 15.481,89 terug. Eiser voerde aan dat hij de verbouwing van de woning had gemeld en daarom tijdelijk elders verbleef, maar kon dit niet aantonen.

De rechtbank oordeelt dat eiser zijn inlichtingenplicht heeft geschonden door niet te melden dat hij niet op het inschrijvingsadres verbleef en dat het college terecht de uitkering heeft ingetrokken en teruggevorderd. Er is geen dringende reden om van terugvordering af te zien. Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/2668

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], (hierna: [eiser])

gemachtigde: mr. G. Bakker,
en

het college van burgemeester en wethouders van Raalte (college),

gemachtigde: [gemachtigde].

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over het beroep van [eiser] tegen de intrekking en terugvordering van zijn bijstandsuitkering en bijzondere bijstand. Het gaat om een totaalbedrag van
€ 15.481,89. [eiser] is het daar niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de algemene en bijzondere bijstandsuitkering terecht heeft ingetrokken en teruggevorderd
.[eiser] krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond.

Inleiding

1. [eiser] heeft zich op 23 oktober 2024 samen met zijn twee minderjarige kinderen ingeschreven op het adres [adres]. Deze woning heeft hij toegewezen gekregen. Gelijktijdig met deze inschrijving heeft hij ook een bijstandsuitkering en bijzondere bijstand aangevraagd.
1.1.
Met het besluit van 4 december 2024 heeft het college met ingang van 23 oktober 2024 een bijstandsuitkering aan [eiser] toegekend op grond van de Participatiewet (PW). Met het besluit van 19 december 2024 is bijzondere bijstand toegekend voor de inrichtingskosten en meubilair. Daarbij is € 950,00 toegekend voor stofferingskosten en € 5.549,00 voor inrichtingskosten en meubilair.
1.2.
Op 6 februari 2025 is de sociale recherche een onderzoek gestart naar het hoofdverblijf van [eiser], omdat uit een melding bleek dat hij nauwelijks aan de [adres] verbleef. Er zijn waarnemingen verricht en er heeft een huisbezoek plaatsgevonden toen [eiser] wel aanwezig was. Op 7 april 2025 heeft een gesprek plaatsgevonden met [eiser]. De onderzoeksresultaten zijn vermeld in het rapport van 18 april 2025.
1.3.
Met het besluit van 28 april 2025 heeft het college de bijstandsuitkering en bijzondere bijstand met ingang van 23 oktober 2024 ingetrokken. Over de periode van 23 oktober 2024 tot en met 31 maart 2025 zijn zowel de algemene bijstand, de bijzondere bijstand en de bedragen op grond van de Meedoen regeling 2024 en 2025 teruggevorderd. Het gaat om een totaalbedrag van € 15.481,89.
1.4.
Met het bestreden besluit van 3 september 2025 op het bezwaar van [eiser] is het college bij dat besluit gebleven. [eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 7 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van het college deelgenomen. De gemachtigde van [eiser] heeft zich afgemeld voor de zitting.

Standpunt van het college

2. Volgens het college heeft [eiser] de inlichtingenplicht geschonden, omdat hij vanaf
23 oktober 2023 zijn hoofdverblijf niet had op het inschrijvingsadres aan de [adres] en daar geen melding van heeft gemaakt. Uit het onderzoeksrapport blijkt dat hij in feite nog een gezamenlijke huishouding voerde met zijn ex-partner in Zwolle, omdat hij daar verbleef. Ook dat heeft hij niet gemeld. Vanwege deze schending zijn de uitkeringsbedragen teruggevorderd. Volgens het college is geen sprake van een dringende reden om geheel of gedeeltelijk van de terugvordering af te zien.

Standpunt van [eiser]

3. [eiser] stelt dat hij de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden. Hiertoe voert hij aan dat hij een woning toegewezen heeft gekregen waarvan de staat zodanig was dat een verbouwing nodig was. Daarom heeft hij ook een inrichtingskrediet aangevraagd. [eiser] stelt dat hij bij die aanvraag ook heeft aangegeven dat het gaat om een verbouwing. De start daarvan was pas later omdat het inrichtingskrediet pas na een tijd is toegekend. Daarom kon hij met zijn twee kinderen niet in de woning in [plaats 1] zijn en verbleef hij in [plaats 2] bij zijn ex-partner. Volgens [eiser] heeft hij dit ook gemeld.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank is van oordeel dat het college de bijstandsuitkering en bijzondere bijstand terecht met ingang van 23 oktober 2024 heeft ingetrokken en heeft teruggevorderd over de periode van 23 oktober 2024 tot en met 31 maart 2025. De rechtbank licht dat hieronder toe. De wettelijke bepalingen die daarvoor van belang zijn staan in de bijlage.
4.1.
[eiser] erkent dat hij vanaf 23 oktober 2024 niet op het inschrijvingsadres aan de [adres] verbleef vanwege een verbouwing die volgens hem nodig was. De rechtbank is van oordeel dat hij dat wel had moeten melden. Uit de dossierstukken blijkt niet dat hij dat heeft gedaan. [eiser] stelt dat hij bij de aanvraag voor het inrichtingskrediet heeft gemeld dat sprake is van een verbouwing. Het college heeft dit echter betwist en ook de rechtbank ziet dat nergens in die aanvraag staan. Daarnaast staat in de dossierstukken ook nergens een melding van [eiser] waaruit blijkt dat hij bij zijn ex-partner in [plaats 2] verbleef. Dit betekent dat het college terecht heeft beslist dat hij zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden. Op grond van artikel 54, derde lid, van de PW was het college dan ook verplicht om de algemene en bijzondere bijstand in te trekken. Ook was het college gehouden om op grond van artikel 58, eerste lid, van de PW de bijstand en bijzondere bijstand terug te vorderen. Het college heeft daarbij terecht beslist dat geen sprake is van een dringende reden om geheel of gedeeltelijk van de terugvordering af te zien. Van de zijde van [eiser] zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd die daartoe aanleiding zouden kunnen geven.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat [eiser] geen gelijk krijgt. [eiser] krijgt daarom het griffierecht niet terug en ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.T. de Kwaasteniet, rechter, in aanwezigheid van
J.T. Boddeüs, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: wetsartikelen Participatiewet (PW)

Artikel 17, eerste lid, van de PW
De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.
Artikel 54, derde lid, eerste volzin, van de PW
Het college herziet een besluit tot toekenning van bijstand, dan wel trekt een besluit tot toekenning van bijstand in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. Onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand kan het college een besluit tot toekenning van bijstand herzien of intrekken, indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.
Artikel 58, eerste lid, van de PW.
Het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend vordert de kosten van bijstand terug voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, of de verplichtingen, bedoeld in artikel 30c, tweede en derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.
(…)
Artikel 58, achtste lid, van de PW.
Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.