ECLI:NL:RBOVE:2026:3285
Rechtbank Overijssel
- Eerste aanleg - meervoudig
- E.C. de Bie
- B.T.C. Jordaans
- M.A.H. Heijink
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende steunbewijs bij aanranding minderjarige
Op 9 april 2026 heeft de rechtbank Overijssel uitspraak gedaan in een zaak waarin verdachte werd verdacht van aanranding van een tienjarig meisje op 6 mei 2025. De tenlastelegging betrof het verrichten van seksuele handelingen, waaronder het laten zien van de onderbroek en het kussen op de wang.
Tijdens de terechtzitting op 26 maart 2026 heeft de rechtbank kennisgenomen van de standpunten van de officier van justitie, die het ten laste gelegde wettig en overtuigend wilde bewijzen, en de verdediging, die vrijspraak vorderde. Het slachtoffer en verdachte hebben beide verklaringen afgelegd, waarbij het slachtoffer een beschrijving gaf van de gebeurtenissen en verdachte dit deels ontkende.
De rechtbank oordeelde dat in zedenzaken het bewijs niet uitsluitend op de verklaring van één getuige mag berusten zonder steunbewijs. In deze zaak ontbrak dergelijk steunbewijs; de verklaringen van het slachtoffer en haar moeder waren afkomstig uit dezelfde bron en er waren geen andere bewijsmiddelen die de verklaring van het slachtoffer op essentiële punten ondersteunden.
Daarom werd niet voldaan aan het bewijsminimum en sprak de rechtbank verdachte vrij. De rechtbank erkende wel de impact van de gebeurtenis op het slachtoffer en verdachte, waarbij beiden hulp en ondersteuning ontvangen. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer te Almelo, onder voorzitterschap van mr. E.C. de Bie.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende steunbewijs bij aanranding van een minderjarige.