Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:3285

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
08.262368.25
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 342 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende steunbewijs bij aanranding minderjarige

Op 9 april 2026 heeft de rechtbank Overijssel uitspraak gedaan in een zaak waarin verdachte werd verdacht van aanranding van een tienjarig meisje op 6 mei 2025. De tenlastelegging betrof het verrichten van seksuele handelingen, waaronder het laten zien van de onderbroek en het kussen op de wang.

Tijdens de terechtzitting op 26 maart 2026 heeft de rechtbank kennisgenomen van de standpunten van de officier van justitie, die het ten laste gelegde wettig en overtuigend wilde bewijzen, en de verdediging, die vrijspraak vorderde. Het slachtoffer en verdachte hebben beide verklaringen afgelegd, waarbij het slachtoffer een beschrijving gaf van de gebeurtenissen en verdachte dit deels ontkende.

De rechtbank oordeelde dat in zedenzaken het bewijs niet uitsluitend op de verklaring van één getuige mag berusten zonder steunbewijs. In deze zaak ontbrak dergelijk steunbewijs; de verklaringen van het slachtoffer en haar moeder waren afkomstig uit dezelfde bron en er waren geen andere bewijsmiddelen die de verklaring van het slachtoffer op essentiële punten ondersteunden.

Daarom werd niet voldaan aan het bewijsminimum en sprak de rechtbank verdachte vrij. De rechtbank erkende wel de impact van de gebeurtenis op het slachtoffer en verdachte, waarbij beiden hulp en ondersteuning ontvangen. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer te Almelo, onder voorzitterschap van mr. E.C. de Bie.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende steunbewijs bij aanranding van een minderjarige.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 08.262368.25 (P)
Datum vonnis: 9 april 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1997 in [geboorteplaats] (Roemenië),
wonende aan de [woonplaats].

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 26 maart 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsvrouw mr. S. Groothuismink, advocaat in Enschede, naar voren is gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennis genomen van de door [naam], moeder van [slachtoffer], voorgedragen slachtofferverklaring.

2.De tenlastelegging

De verdenking komt er kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 6 mei 2025 in [plaats], de tienjarige [slachtoffer] (hierna ook: [slachtoffer]) heeft aangerand.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
hij op of omstreeks 6 mei 2025 te [plaats], althans in Nederland,
met een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [slachtoffer]
een of meer seksuele handelingen heeft verricht,
te weten
het die [slachtoffer] laten zien van haar onderbroek en/of
het die [slachtoffer] haar onderbroek naar beneden laten doen en/of
het zich op de wang laten kussen van die [slachtoffer] en/of
het op de wang kussen van die [slachtoffer].

3.De bewijsmotivering

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
- Juridisch kader
Bij de beoordeling van het bewijs stelt de rechtbank voorop dat zedenzaken zich doorgaans kenmerken door het gegeven dat slechts twee personen aanwezig waren bij de ten laste gelegde ontuchtige handelingen: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Op grond van artikel 342, tweede lid, Sv kan het bewijs dat iemand een strafbaar feit heeft gepleegd niet uitsluitend worden aangenomen op grond van de verklaring van één getuige. Dat betekent dat de enkele verklaring van een aangever onvoldoende is. Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen, dient sprake te zijn van steunbewijs. Die ondersteuning hoeft niet te zien op alle onderdelen van de tenlastelegging. Het gaat erom dat de verklaring op specifieke punten steun vindt in ander bewijsmateriaal, zodat die verklaring “niet op zichzelf staat”, maar als het ware is ingebed in een concrete context die bevestiging vindt in een andere bron. De rechtbank benadrukt dat deze maatstaf omtrent het toereikend zijn van een verklaring dient te worden onderscheiden van de beoordeling of een verklaring betrouwbaar is. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval.
- Verklaring [slachtoffer]
heeft verklaard dat zij op 6 mei 2025 aan het voetballen was op het schoolplein aan de [adres] in [plaats]. Verdachte was hier ook om met zijn neefjes te voetballen. [slachtoffer] en verdachte zijn het spelletje “doen, durf of waarheid” gaan spelen. Tijdens dit spelletje heeft verdachte gevraagd achter het schuurtje op het schoolplein te gaan staan. [slachtoffer] is hierop ingegaan omdat zij dan voetbalplaatjes zou krijgen. [slachtoffer] heeft verklaard dat zij haar broek uit moest doen en verdachte een kusje op zijn wang moest geven. Zij heeft haar (boven)broek een stukje naar beneden gedaan waardoor de rand van haar onderbroek zichtbaar werd. Ook heeft [slachtoffer] verdachte twee (nep)kusjes gegeven op zijn wang.
- Verklaring verdachte
Verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer] met dingen zat die zij verdachte niet op het voetbalveld wilde vertellen. Verdachte kreeg het idee dat het om ernstige dingen ging waarvoor [slachtoffer] niet bij een ander terecht kon. [slachtoffer] wilde dit niet in de buurt van de andere kinderen vertellen en liep van verdachte weg. Eerst achter het schuurtje en daarna verder de bosschage in. Op een gegeven moment had [slachtoffer] haar (boven)broek een beetje “halverwege”. Verdachte heeft verklaard dat hij hiervan is geschrokken. Dat [slachtoffer] hem kusjes op de wang heeft gegeven is volgens verdachte niet gebeurd.
- Bewijsoverweging
Het komt in deze zaak aan op de vraag of het dossier voldoende steunbewijs bevat dat de verklaring van [slachtoffer] kan ondersteunen. De rechtbank overweegt hierover als volgt. De aangifte van [naam] (de moeder van [slachtoffer]) is gebaseerd op de verklaring van [slachtoffer]. [slachtoffer] is zelf nader verhoord in een studioverhoor. De verklaringen zijn daarmee afkomstig uit dezelfde bron. Naast deze verklaringen zijn er geen andere bewijsmiddelen in het dossier die de verklaring van [slachtoffer] op essentiële onderdelen kunnen ondersteunen. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat niet is voldaan aan het vereiste bewijsminimum en spreekt verdachte vrij van hetgeen hem ten laste is gelegd.
- Aanvullende overweging
Het is aan de rechtbank een juridisch oordeel te vormen over het in het dossier aanwezige bewijs. Dat er naar het oordeel van de rechtbank in dit dossier onvoldoende steunbewijs aanwezig is, wil niet zeggen dat de gebeurtenis op 6 mei 2025 geen impact heeft gehad. Uit de voorgedragen slachtofferverklaring blijkt dat [slachtoffer] veel stress, angst en paniek ervaart. Zij krijgt hulp van een therapeut en traumatherapie. Verdachte is door de aangifte angstig, onzeker en schuw geworden. Hij mijdt plekken waar kinderen komen. Voor alle betrokkenen geldt dat zij deze voor hen impactvolle gebeurtenis een plek moeten geven.

4.De beslissing

De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.C de Bie, voorzitter, mr. B.T.C. Jordaans en mr. M.A.H. Heijink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. W.H. Bomans-Weekhout, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 9 april 2026.