Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:3286

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
9 april 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
08.005126.23, 08.097613.23 (gev.), 08.029099.24 (gev.)
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 45 SrArt. 285 SrArt. 287 SrArt. 300 SrArt. 36f Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling poging tot doodslag en mishandeling met tbs en schadevergoeding

De rechtbank Overijssel heeft verdachte veroordeeld voor poging tot doodslag op 10 mei 2021, mishandeling en bedreiging op 28 maart 2023, en mishandeling op 16 september 2022. Verdachte schoot met een luchtbuks op slachtoffer 1, waarbij een kogel in diens long bleef zitten nabij het hart. Verdachte bekende de feiten, maar stelde geen opzet te hebben gehad op het doden van slachtoffer 1.

De rechtbank achtte het bewezen dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat hij dodelijk letsel zou toebrengen. Verdachte mishandelde en bedreigde ook slachtoffer 3 en mishandelde slachtoffer 2. Uit deskundigenrapporten bleek dat verdachte ernstige psychiatrische problematiek heeft, waaronder schizofrenie en een stoornis in het autistisch spectrum, met een hoog recidiverisico.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 12 maanden op, met aftrek van voorarrest, en een maatregel van tbs met dwangverpleging vanwege de ernst van de feiten en de psychiatrische stoornis. Daarnaast werd een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd. De schadevergoedingen aan de slachtoffers werden toegewezen, inclusief materiële en immateriële schade en proceskosten, met gijzeling als dwangmiddel bij niet-betaling.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf, tbs met dwangverpleging, gedragsbeïnvloedende maatregel en schadevergoeding aan slachtoffers.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Almelo
Parketnummer: 08.005126.23, 08.097613.23 (gev.) en 08.029099.24 (gev.) (P)
Datum vonnis: 9 april 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1991 in [geboorteplaats],
nu verblijvende in de PI [locatie 1].

1.Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 10 januari 2025, 16 september 2025, 4 december 2025, 19 februari 2026 en van 26 maart 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsvrouw mr. K. Meijer, advocaat in Enschede, naar voren is gebracht.
Ook heeft de rechtbank kennis genomen van wat namens de benadeelde partij [slachtoffer 1] (hierna ook: [slachtoffer 1]) door [naam 1] (hierna ook: [naam 1]) en van wat namens de benadeelde partij [slachtoffer 2] (hierna ook: [slachtoffer 2]) door [naam 2] (hierna ook: [naam 2]) is aangevoerd.

2.De tenlastelegging

De verdenking onder parketnummer 08.005126.23 komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 10 mei 2021 in [plaats 1]:
primair:heeft geprobeerd om [slachtoffer 1] van het leven te beroven,
subsidiair:heeft geprobeerd aan [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
meer subsidiair:[slachtoffer 1] heeft mishandeld.
De verdenking onder parketnummer 08.097613.23 komt er kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 28 maart 2023 in Enschede:
feit 1:[slachtoffer 3] (hierna ook: [slachtoffer 3]) heeft mishandeld;
feit 2:[slachtoffer 3] heeft bedreigd.
De verdenking onder parketnummer 08.029099.24 komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 16 september 2022 in [plaats 2] [slachtoffer 2] heeft mishandeld.
Voluit luiden de tenlasteleggingen aan verdachte, dat:
In de zaak met parketnummer 08.005126.23
hij op of omstreeks 10 mei 2021 te [plaats 1], gemeente Hof van Twente, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, meermalen, althans eenmaal, met een luchtbuks, althans een luchtdrukwapen (type Daisy Powerline 901) een kogel, in de borst en/of het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] heeft geschoten en/of in de richting van het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 10 mei 2021 te [plaats 1], gemeente Hof van Twente, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon, [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermalen, althans eenmaal, met een luchtbuks, althans een luchtdrukwapen (type Daisy Powerline 901) een kogel, in de borst en/of het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] heeft geschoten en/of in de richting van het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 10 mei 2021 te [plaats 1], gemeente Hof van Twente, een persoon, genaamd [slachtoffer 1] heeft mishandeld door meermalen, althans eenmaal, met een luchtbuks, althans een luchtdrukwapen (type Daisy Powerline 901) een kogel, in de borst en/of het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] te schieten;
In de zaak met parketnummer 08.097613.23
1
hij op of omstreeks 28 maart 2023 te Enschede,
[slachtoffer 3] heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer 3] een of meerdere malen in/op/tegen het hoofd/gezicht te slaan/stompen;
2
hij op of omstreeks 28 maart 2023 te Enschede
[slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of met brandstichting, door voornoemde [slachtoffer 3]
dreigend de woorden toe te voegen "De volgende keer steek ik je dood" en/of "Ik zet je in brand", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
In de zaak met parketnummer 08.029099.24
hij op of omstreeks 16 september 2022 te [plaats 2],
[slachtoffer 2] heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer 2] in het
gezicht te slaan.

3.De bewijsmotivering

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder parketnummer 08.005126.23 primair ten laste gelegde, het onder parketnummer 08.097613.23 en het onder parketnummer 08.029099.24 ten laste gelegde, wettig en overtuigend kan worden bewezen.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van het onder parketnummer 08.005126.23 primair ten laste gelegde moet worden vrijgesproken, omdat verdachte geen opzet had op het doden van [slachtoffer 1]. Wat betreft het subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Wat betreft het onder parketnummer 08.097613.23 onder feit 1 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Van het onder feit 2 ten laste gelegde moet verdachte worden vrijgesproken. Ten aanzien van het onder parketnummer 08.029099.24 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
In de zaak met parketnummer 08.005126.23
De vaststelling van de feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op grond van het dossier en hetgeen ter zitting is besproken de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 10 mei 2021 is [slachtoffer 1] aan het werk aan de [adres] in [plaats 1]. Hij hoort drie keer een knal en voelt gelijk een hevige pijn op zijn linkerborst. Hij voelt aan de pijnlijke plek en ziet dan bloed aan zijn vingers. Er zit een klein gaatje in de trui van [slachtoffer 1] en ook in het t-shirt eronder. Ook zit er een gaatje in de huid. [slachtoffer 1] gaat met een collega naar het ziekenhuis. Op röntgenfoto’s is te zien dat er een kogel in de long van [slachtoffer 1] zit. Gelet op de locatie van de kogel is het te gevaarlijk om deze te verwijderen. De kogel blijft daarom in het lichaam van [slachtoffer 1] zitten.
De overwegingen van de rechtbank
- Verklaring van verdachte
Verdachte heeft verklaard dat hij degene is die op [slachtoffer 1] heeft geschoten. Hij wilde hem laten schrikken. Hij probeerde op het onderlichaam te mikken. Verder heeft verdachte verklaard dat hij boos en gefrustreerd was en niet nadacht over de gevolgen van wat hij deed.
- Bewijsoverwegingen
Aan verdachte is primair een poging tot doodslag ten laste gelegd. Dat verdachte op [slachtoffer 1] heeft geschoten met een luchtbuks staat niet ter discussie. Wel ligt aan de rechtbank de vraag voor of het (voorwaardelijk) opzet van verdachte gericht was op het doden van [slachtoffer 1]. De rechtbank overweegt hierover het volgende.
Verdachte heeft met een luchtbuks op [slachtoffer 1] geschoten. Verdachte heeft over het schieten met de luchtbuks verklaard dat hij nog niet veel had geoefend en dat hij de man niet goed in het vizier kreeg. Ook heeft verdachte verklaard dat hij het niet goed kon zien, er veel wind was en in de richting van [slachtoffer 1] schoot. Hij probeerde op het onderlichaam van [slachtoffer 1] te mikken. De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte onder ongecontroleerde omstandigheden heeft geschoten in de richting van [slachtoffer 1].
Uit de bewijsmiddelen volgt verder dat de kogel uit de luchtbuks die [slachtoffer 1] heeft geraakt ongeveer negen centimeter in het lichaam van [slachtoffer 1] heeft afgelegd. Dit betreft ongeveer zes centimeter door het longweefsel en drie centimeter door de thoraxwand. De gemiddelde dikte van de thoraxwand bij mannen is 2,1 centimeter. De dikte van de thoraxwand van [slachtoffer 1] is 3 centimeter. Dat de thoraxwand van [slachtoffer 1] dikker is dan gemiddeld is een beschermende factor geweest in het voorkomen van ernstiger letsel. De kogel is nu tegen het hart tot stilstand gekomen. Als hij minder zou zijn afgeremd, had de kogel het hart kunnen perforeren waardoor er, zonder medische ingrijpen, een levensbedreigende situatie voor [slachtoffer 1] zou zijn ontstaan met een mortaliteit van meer dan 50%.
Door gericht met een luchtbuks, waarmee potentieel dodelijk letsel kan worden toegebracht, op [slachtoffer 1] te schieten, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij [slachtoffer 1] op een andere plek dan het onderlichaam zou raken en dat [slachtoffer 1] hierbij dodelijk letsel zou oplopen.
In de zaak met parketnummer 08.097613.23
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde feit op grond van de in de bewijsbijlage opgenomen bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.
Ten aanzien van feit 2
De vaststelling van de feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op grond van het dossier en hetgeen ter zitting is besproken de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 28 maart 2023 gaat [slachtoffer 3] naar de woning van een buurman. Hierbij loopt hij over het gras in de tuin van verdachte. Verdachte raakt hierdoor buiten zinnen. Hij loopt [slachtoffer 3] af en slaat hem met de vuist op het (achter)hoofd. [slachtoffer 3] hoort verdachte vervolgens zeggen dat “hij mij de volgende keer dood zou steken”. Getuige [getuige] (hierna ook: [getuige]) hoort verdachte zeggen dat: “hij hem in brand zou gaan zetten”.
De overwegingen van de rechtbank
- De verklaring van verdachte
Verdachte heeft ter terechtzitting van 10 januari 2025 bekend dat hij heeft bedreigd.
Door de raadsvrouw is betoogd dat de ter terechtzitting afgelegde bekennende verklaring van verdachte niet betrouwbaar is gelet op het verstrijken van de tijd en gelet op de psychische toestand van verdachte. Daarbij zijn de verklaringen van [slachtoffer 3] en [getuige] niet eenduidig omdat zij allebei wat anders hebben gehoord.
- De bewezenverklaring
Uit het dossier volgt dat verdachte boos was omdat [slachtoffer 3] door zijn tuin liep. Verdachte verklaart hier zelf over dat hij is geëxplodeerd en buiten zinnen was. [getuige] heeft verklaard dat hij heeft gehoord dat verdachte zei dat [slachtoffer 3] niet door zijn tuin mocht lopen. Hierop heeft verdachte [slachtoffer 3] meerdere vuistslagen gegeven. Dit wordt door zowel verdachte als [slachtoffer 3] als [getuige] verklaard. Door zowel [slachtoffer 3] als [getuige] is gehoord dat door verdachte bedreigingen zijn geuit. Dat zij niet exact dezelfde bewoordingen hebben gehoord doet hier niets aan af. Daar komt bij dat verdachte heeft bekend dat hij bedreigd heeft. Gelet op de verklaringen van [getuige] en [slachtoffer 3] ziet de rechtbank geen reden om te twijfelen aan die bekentenis.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte [slachtoffer 3] heeft bedreigd.
In de zaak met parketnummer 08.029099.24
De vaststelling van de feiten en omstandigheden
De rechtbank stelt op grond van het dossier en hetgeen ter zitting is besproken de volgende feiten en omstandigheden vast.
Op 16 september 2022 is verdachte in het bos [locatie 2]. [slachtoffer 2] laat daar haar honden uit. Zij ziet verdachte in een weggetje staan, begroet hem en loopt door. Zij hoort vervolgens verdachte meerdere malen zeggen dat zij mee moet komen en merkt dat hij achter haar aan loopt. Verdachte komt op [slachtoffer 2] aflopen en slaat haar.
De overwegingen van de rechtbank
- De verklaring van verdachte
Verdachte heeft verklaard dat hij had gedronken, geërgerd was en [slachtoffer 2] met de vuist heeft geslagen tegen de schouder.
- De bewezenverklaring
Verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer 2] tegen de schouder of hals heeft geslagen. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij is geraakt op haar wang. Hoewel de verklaringen niet eensluidend zijn ten aanzien van de plek waar verdachte [slachtoffer 2] heeft geraakt, bestaat er naar het oordeel van de rechtbank geen enkele twijfel over dat verdachte [slachtoffer 2] heeft geslagen. [slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij direct een hevige pijn voelde. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat [slachtoffer 2], die de klap gevoeld heeft, op haar wang is geraakt. De rechtbank is van oordeel dat de tenlastegelegde mishandeling wettig en overtuigend kan worden bewezen.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
In de zaak met parketnummer 08.005126.23
hij op 10 mei 2021 te [plaats 1], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven te beroven, meermalen, met een luchtbuks, (type Daisy Powerline 901) een kogel, in de borst van voornoemde [slachtoffer 1] heeft geschoten en in de richting van het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
In de zaak met parketnummer 08.097613.23
1
hij op 28 maart 2023 te Enschede,
[slachtoffer 3] heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer 3] meerdere malen in/op/tegen het hoofd/gezicht te slaan/stompen;
2
hij op of omstreeks 28 maart 2023 te Enschede
[slachtoffer 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met brandstichting, door voornoemde [slachtoffer 3] dreigend de woorden toe te voegen "De volgende keer steek ik je dood" en/ "Ik zet je in brand";
In de zaak met parketnummer 08.029099.24
hij op 16 september 2022 te [plaats 2],
[slachtoffer 2] heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer 2] in het gezicht te slaan.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd in de bewezenverklaring. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 45, 285, 287 en 300 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:
In de zaak met parketnummer 08.005126.23
Primair:het misdrijf: poging tot doodslag
In de zaak met parketnummer 08.097613.23
feit 1
het misdrijf: mishandeling;
feit 2
het misdrijf: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht
en
bedreiging met brandstichting;
In de zaak met parketnummer 08.029099.24
het misdrijf: mishandeling.

5.De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

6.De op te leggen straf of maatregel

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren moet worden opgelegd, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
Daarnaast moet er aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna ook: tbs) met dwangverpleging, niet in duur gemaximeerd, worden opgelegd.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat aan verdachte een gevangenisstraf moet worden opgelegd gelijk aan de duur van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarnaast kan een voorwaardelijke gevangenisstraf worden opgelegd met een proeftijd voor de duur van drie jaren. Eventueel zou hier de maatregel van tbs met voorwaarden aan kunnen worden verbonden.
6.3
De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag, twee mishandelingen en een bedreiging. Het gaat om zeer ernstige feiten waar meerdere mensen slachtoffer van zijn geworden. Verdachte heeft [slachtoffer 1] beschoten en geraakt met een luchtbuks. Verdachte en [slachtoffer 1] mogen van geluk spreken dat [slachtoffer 1] niet is overleden. De impact die deze gebeurtenis op [slachtoffer 1] heeft, is gebleken uit de namens hem voorgedragen slachtofferverklaring. Het kogeltje zit op enkele millimeters van zijn hart. Hij leeft hierdoor continu met de angst dat het kogeltje zal verschuiven. De situatie heeft bij [slachtoffer 1] veel stress veroorzaakt en doet dat nog steeds.
[slachtoffer 2] is uit het niets in het bos door verdachte achtervolgd en mishandeld, terwijl zij haar honden aan het uitlaten was. Een angstige gebeurtenis die veel impact op haar heeft gehad. [slachtoffer 2] kampt nadien met klachten die kunnen wijzen op de aanwezigheid van PTSS. Tot slot heeft verdachte [slachtoffer 3] geslagen en bedreigd omdat hij over zijn gras liep. In plaats van dit te bespreken met [slachtoffer 3] of met de leiding, is verdachte geëxplodeerd en heeft hij zeer agressief gereageerd. Door zo te handelen heeft hij op geen enkele wijze respect getoond voor de lichamelijke integriteit van deze nietsvermoedende en willekeurige slachtoffers. De rechtbank rekent dit verdachte aan.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel uit de justitiële documentatie van 9 maart 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
- De rapportages
De rechtbank heeft kennisgenomen van de over verdachte opgemaakte deskundigen rapportages.
Er is over verdachte een psychologisch pro-justitia rapport opgemaakt door D. Breuker (hierna ook: Breuker), forensisch gz-psycholoog, gedateerd 18 november 2025.
Verdachte heeft beperkt meegewerkt. Hij is op de eerste afspraak verschenen, daarna niet meer. Er zijn aanwijzingen voor mogelijk auditieve (gehoor) hallucinaties en voor paranoïde wanen, zoals de overtuiging dat mensen hem bespieden, uitdagen en bespugen. Bij verdachte worden vooral kenmerken gezien, die voorkomen bij mensen met schizofrenie. Verdachte ontkent de stoornissen en daarmee ook de auditieve hallucinaties, paranoïde wanen en een diagnose zoals schizofrenie. Er zijn door de jaren heen toenemend negatieve symptomen ontstaan in de zin van sociaal terugtrekken, emotionele afvlakking en een gebrek aan initiatief. Daarnaast zijn er ook aanwijzingen voor cognitieve symptomen zoals concentratie- en geheugenproblemen. Bij schizofrenie kunnen de hersenen signalen niet goed onderscheiden, waardoor overprikkeling kan ontstaan. Die overprikkeling kan ook bijdragen aan het ontstaan van een psychose. Verdachte gebruikt verslavende middelen om die overprikkeling tegen te gaan, maar die middelen lijken de negatieve gedachten en emoties te versterken, waardoor ook agressieve impulsdoorbraken ontstaan. Dit heeft in de optiek van Breuker geleid tot het plegen van de ten laste gelegde feiten
Verdachte lijkt gehandeld te hebben vanuit paranoïde wanen, de overtuiging dat hij moedwillig werd gepest, uitgedaagd en geprovoceerd. De wanen zijn bij verdachte aanwezig vanwege een ernstige psychiatrische stoornis. Op basis van de doorwerking lijkt het aangewezen om de feiten niet of in een aanzienlijk verminderde mate toe te rekenen.
De kans op herhaling is op basis van de algehele risicotaxatie hoog. Zolang verdachte niet wordt behandeld voor zijn paranoïde wanen en overprikkeling, blijft er een hoog risico bestaan dat hij opnieuw uitgedaagd en getriggerd wordt tot agressief handelen en het plegen van strafbare feiten. Er is bij verdachte geen probleembesef en geen erkenning van de aanwezigheid van zijn klachten en symptomen. Verder ontbreekt het aan stabiliteit op alle levensgebieden.
De psycholoog adviseert om bij een bewezenverklaring aan verdachte een verplichte klinische behandeling op te leggen voor de vermindering van de risicofactoren waaronder de wanen en overprikkeling die vermoedelijk aanwezig zijn vanwege een ernstige psychiatrische stoornis zoals schizofrenie. Gedacht kan worden aan stabilisering in een kliniek en aan het vergroten van het ziekte-inzicht waarna er een ambulant zorgkader moet worden opgezet. Geadviseerd wordt een opname in een FPA op te leggen als bijzondere voorwaarde bij een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf of via een zorgmachtiging.
Er is over verdachte een psychiatrisch pro-justitia rapport opgemaakt door N. van de Weg (hierna ook: Van de Weg), psychiater, gedateerd 2 december 2025.
Verdachte heeft vrijwel niet meegewerkt aan het onderzoek, maar wel toestemming gegeven voor het opvragen van hulpverleningsinformatie en het raadplegen van referenten. Hierdoor heeft de psychiater een redelijke indruk gekregen over het psychisch functioneren van verdachte. Een beperking is dat er geen eigen diagnostiek verricht kon worden maar alleen diagnostische hypotheses konden worden geformuleerd. Gezien de vroege problemen in de ontwikkeling zijn er veel aanwijzingen voor een stoornis in het autistisch spectrum. Verder is bij eerder intelligentieonderzoek geconstateerd dat er sprake is van een beneden gemiddelde intelligentie. Er zijn bij verdachte sinds de pubertijd verslavingsproblemen. Er zijn veel aanwijzingen voor een ernstige stoornis in het gebruik van cannabis, nu in vroege remissie in een gereguleerde omgeving. Er zijn aanwijzingen voor een stoornis in het gebruik van cocaïne, XTC, ketamine, alcohol en kalmeringstabletten. Er zijn door begeleiders en verdachte zelf psychotische symptomen beschreven in de vorm van paranoïde wanen. Door de beperkte medewerking van verdachte is niet vast te stellen of uit te sluiten in hoeverre deze nu nog aanwezig zijn.
Omdat een gesprek met verdachte over de tenlastelegging niet mogelijk was, kon de doorwerking niet goed onderzocht worden. Er zijn sterke aanwijzingen dat er bij verdachte sprake is van ernstige, complexe en meervoudige psychiatrische problematiek en er zijn duidelijke aanwijzingen dat deze problemen, met name de psychotische belevingen, een rol hebben gespeeld bij het ten laste gelegde. Ook kunnen beperkingen vanuit een ontwikkelingsstoornis (autistische trekken) een rol hebben gespeeld in de vorm van het niet verdragen van nabijheid en het niet kunnen reguleren van emoties. Ook tijdens detentie, waar verdachte abstinent was van middelen, reageerde hij met schreeuwen. Dit maakt het voor de psychiater onwaarschijnlijk dat de ten laste gelegde feiten vooral beïnvloed werden door het middelengebruik van verdachte. Geadviseerd wordt daarom om de ten laste gelegde feiten in verminderde mate toe te rekenen.
Er zijn veel aanwijzingen voor ernstige psychiatrische problematiek. De psychiater ziet op de lange termijn een hoog risico op gewelddadige recidive. Verdachte disfunctioneert op alle levensgebieden en is ernstig zorgmijdend. Door het impulsieve handelen van verdachte kunnen er (zeer) gevaarlijke situaties ontstaan.
De voorgeschiedenis van verdachte laat zien dat een behandeling niet in een ambulante setting geboden kan worden. Verdachte is aangemeld geweest bij zowel de psychiatrie als de verslavingszorg, waar hij uitsluitend middelen wenste en alle behandeling afwees. Hij liet begeleiding nauwelijks toe, hield zich gedurende reclasseringstoezicht niet aan de afspraken en ambulante begeleiding was onvoldoende om delictgedrag te voorkomen. Gezien de afwerende houding van verdachte is behandeling alleen haalbaar in een klinisch kader, bij voorkeur op een afdeling met een hoog beveiligingsniveau. Dit is enerzijds geïndiceerd om eventuele agressie-incidenten op de afdeling te kunnen hanteren. Anderzijds is het noodzakelijk vanwege het risico dat verdachte zich aan behandeling onttrekt of de behandeling stagneert door terugvallen in het middelengebruik.
Een zorgmachtiging is niet passend bij de problematiek van betrokkene omdat een zorgmachtiging een beperkte duur heeft en een civiele maatregel betreft. Daarbinnen is een langere gedwongen behandeling op een forensische afdeling met een hoog beveiligingsniveau niet haalbaar. Een terbeschikkingstelling (hierna ook: tbs) met voorwaarden lijkt op basis van de voorgeschiedenis van verdachte niet haalbaar omdat hij tot nu toe niet bereid en/of in staat is geweest tot het maken van afspraken of zich hieraan te houden. Een tbs met dwangverpleging lijkt daarom als enige mogelijkheid over te blijven.
Ook is door [naam 3], reclasseringswerker en [naam 4], unitmanager, over verdachte een reclasseringsadvies opgemaakt, gedateerd 4 februari 2026.
De reclassering ziet op basis van eerdere ervaringen met verdachte geen mogelijkheden om het recidiverisico te verminderen dan wel te beïnvloeden door middel van bijzondere voorwaarden. Verdachte wil niet meewerken aan een klinische behandeling, weigert medicatie en er lijkt – ondanks dat zijn middelengebruik in remissie is door zijn verblijf in een gereguleerde omgeving – geen sprake van stabilisatie ten aanzien van zijn overige problematiek. De reclassering schat de risico’s op recidive, op letsel en op het onttrekken aan voorwaarden in als hoog.
De reclassering adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden. Zij ziet geen mogelijkheden om met interventies of toezicht de risico’s te beperken of het gedrag te veranderen. De reclassering adviseert verder om bij een veroordeling tot een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (hierna ook: GVM) op te leggen.
- De verklaringen van de deskundigen ter terechtzitting
Breuker heeft haar advies terechtzitting nader toegelicht. Zakelijk weergegeven heeft zij aanvullend het volgende verklaard.
De opstelling van verdachte nu ter terechtzitting is niet anders dan tijdens het gesprek dat met verdachte heeft plaatsgevonden. Breuker staat nog steeds achter het advies. Een tbs met dwangverpleging komt pas in beeld wanneer alle andere mogelijkheden zijn geprobeerd. Een rechterlijke machtiging voor de duur van zes maanden is te kort om (medicamenteuze) behandeling van de grond te krijgen. Verdachte zegt ter zitting ook dat hij alleen zal meewerken omdat het echt moet. Er is een langdurige behandeling nodig. Verdachte moet eerst ziekte-inzicht krijgen, inzien welke risico’s er zitten aan middelengebruik en begrijpen dat medicatie belangrijk is. Verdachte is een psychiatrisch patiënt. Idealiter zou hij eerst vanuit een strafrechtelijk kader behandeld worden zodat hij daarna met een machtiging op een reguliere plek in een psychiatrische kliniek verder kan. Verdachte is niet intrinsiek gemotiveerd maar is wel in staat de afweging te maken dat het voor hem erger wordt wanneer hij niet meewerkt. In het dossier is te lezen dat er psychotische gedachten waren tijdens het plegen van de feiten en dat is ook in het onderzoek bevestigd. Dat geeft de overtuiging dat er sprake was van een psychose die moet worden behandeld. De stap naar medicamenteuze behandeling is nog nooit gezet om welke reden de stap naar een tbs-maatregel voor nu te groot is.
Van de Weg heeft haar advies ter terechtzitting nader toegelicht. Zakelijk weergegeven heeft zij aanvullend het volgende verklaard.
Op basis van zijn voorgeschiedenis is verdachte niet in staat zich aan voorwaarden te houden. Ook nu in detentie, abstinent van middelen, werkt hij niet mee. Het gesprek met zijn regiebehandelaar verliep ook moeizaam. Dat heeft in de advisering een rol gespeeld. Tbs is inderdaad een zware maatregel, maar omdat de andere opties afvallen, is deze wel geadviseerd. Verdachte wil zijn straf uitzitten en dan weer verder, dat zegt hij vandaag ook ter terechtzitting. Naast schizofrenie zijn meerdere problemen te zien en dan moet er bescheiden met de verwachtingen ten aanzien van het gebruik van antipsychotica worden omgegaan. Wat van een medicamenteuze behandeling verwacht kan worden, is nu nog niet te voorspellen. Des te langer een psychose heeft geduurd, des te slechter is ook de prognose. Dat lijkt hier ook een rol te spelen, kijkend naar de geschiedenis van verdachte. Daarom is geen reguliere GGZ geadviseerd maar juist een forensisch kader. Dit is niet alleen een zorgcasus er is ook sprake van agressie en geweld.
Namens de reclassering was [naam 5] (hierna ook: [naam 5]) ter terechtzitting aanwezig. Zij heeft het reclasseringsadvies nader toegelicht, kort en zakelijk weergegeven als volgt.
Een belangrijke factor voor een straf met voorwaarden is de bereidheid om behandeld te worden en – in enige mate - inzicht in de eigen problematiek nodig. Vandaag ter zitting doet verdachte uitspraken die hier haaks op staan. Mocht verdachte vanuit voorwaarden in een FPK of FPA geplaatst worden en zijn bereidheid om mee te werken is er niet meer, dan staat hij onbehandeld op straat. De reclassering schat in dat sprake is van onmacht bij verdachte. Hij wil wel, maar kan het niet. De reclassering kan verdachte ook geen dwangmedicatie toedienen, zodat het verdachte in feite zelf beslist over het wel of niet gebruiken van medicatie.
De rechtbank is van oordeel dat de voornoemde rapporten zorgvuldig tot stand zijn gekomen en stelt op basis daarvan vast dat de feiten verminderd aan verdachte moeten worden toegerekend.
De strafmodaliteit en de hoogte daarvan
- Gevangenisstraf
De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten in beginsel een gevangenisstraf van aanzienlijke duur rechtvaardigen. Uit de hiervoor besproken rapportages blijkt dat verdachte kampt met ernstige (psychiatrische) problematiek. Verder houdt de rechtbank er rekening mee dat het gaat om oudere feiten en de redelijke termijn is geschonden. De rechtbank ziet hierin redenen om een kortere gevangenisstraf op te leggen dan door de officier van justitie is geëist. Gelet op het voorgaande en rekening houdende met de oplegging van de hierna te noemen maatregel, is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, passend en geboden is.
- Tbs
De rechtbank is van oordeel dat oplegging van de maatregel van tbs passend en noodzakelijk is in het kader van de beveiliging van de maatschappij en de beperking van het recidiverisico. De rechtbank baseert deze beslissing op de inhoud en toelichting op de hiervoor genoemde rapporten en de ernst van de feiten.
De rechtbank stelt vast dat aan de wettelijke voorwaarden voor het opleggen van een tbs is voldaan. De bewezenverklaarde (poging tot) doodslag is een misdrijf waarop, naar de wettelijke omschrijving, een gevangenisstraf van meer dan vier jaren is gesteld. Daar komt bij dat de bewezenverklaarde bedreiging een misdrijf is zoals beschreven in artikel 37a, eerste lid, onder 2, Sr. Hoewel verdachte beperkt aan de onderzoeken heeft meegewerkt en er daarom door de deskundigen geen eigen (diagnostische) onderzoeken konden worden verricht, hebben de deskundigen wel vast kunnen stellen dat er bij verdachte sprake is van een ernstige (psychiatrische) stoornis. Deze stoornis bestond ook tijdens het begaan van de feiten. Verder is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel vereist. Zonder behandeling is er een hoog risico dat verdachte opnieuw agressief zal handelen en strafbare feiten zal plegen.
- Dwangverpleging
Uit de rapportages en de voorgeschiedenis van verdachte volgt dat naar het oordeel van de rechtbank voldoende dat een dwingend kader nodig is. Verdachte is zelf niet intrinsiek gemotiveerd en vindt dat hij geen behandeling nodig heeft. Hij heeft een lange voorgeschiedenis van (ernstig) zorgmijdend gedrag en is niet in staat gebleken zich aan voorwaarden te houden. Het risico dat verdachte zich zal onttrekken aan voorwaarden wordt als hoog ingeschat. Hij werkt nu mee omdat het moet, maar ziet hiertoe zelf geen noodzaak, ook niet voor het gebruik van (noodzakelijk geachte) medicatie. Andere mogelijkheden, zoals een zorgmachtiging of een straf met bijzondere voorwaarden, zijn overwogen maar deze bieden geen mogelijkheid tot dwangbehandeling. Hoewel de psycholoog heeft geadviseerd geen tbs-maatregel op te leggen, ziet de rechtbank geen andere mogelijkheid. De andere (strafrechtelijke) kaders bieden onvoldoende mogelijkheden om verdachte te behandelen en de risico’s te beperken. Hierbij heeft de rechtbank een doorslaggevend gewicht toegekend aan het advies van de reclassering dat zij geen mogelijkheden ziet om toezicht te houden op en uitvoering te geven aan de naleving van voorwaarden.
Dit alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte geen andere maatregel dan de maatregel van tbs met dwangverpleging opgelegd kan worden.
De rechtbank merkt daarbij op dat de totale duur van de tbs met dwangverpleging in dit geval een periode van vier jaar te boven kan gaan omdat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.
- GVM
Door de reclassering is geadviseerd een GVM-maatregel op te leggen. Gelet op de conclusies van de deskundigen dat er sprake is van ernstige langdurige problematiek en het te verwachten is dat er ook na het aflopen van de tbs-maatregel nog hulpverlening aan verdachte noodzakelijk is, acht de rechtbank het van belang dat wordt voorkomen dat het toezicht eindigt. De rechtbank zal daarom, ambtshalve, overgaan tot oplegging van een maatregel op grond van artikel 38z Sr, die strekt tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking. De rechtbank acht de oplegging van de maatregel noodzakelijk ter bescherming van de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen. Verder is aan alle wettelijke vereisten voor oplegging van deze maatregel voldaan.

7.De schade van benadeelden

7.1
De vorderingen van de benadeelde partijen
In de zaak met parketnummer 08.005126.23
- Vordering van [slachtoffer 1]
heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 8.368,73, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. De gevorderde materiële schade van € 868,73 bestaat uit de volgende posten:
- Eigen bijdrage Menzis 2021 € 320,62;
- Eigen bijdrage Menzis 2024 € 392,11;
- Parkeren ZGT € 6,00;
- Daggeld vergoeding € 31,00;
- Huishoudelijke hulp € 74,00;
- Kilometervergoeding € 45,00.
Ter vergoeding van immateriële schade wordt een bedrag van € 7.500,00 gevorderd.
Daarnaast heeft de benadeelde partij vergoeding van de proceskosten van € 842,73 gevorderd.
In de zaak met parketnummer 08.029099.24
- Vordering van [slachtoffer 2]
heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om immateriële schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van € 850,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan.
7.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat beide vorderingen voor toewijzing vatbaar zijn.
7.3
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 1] op het standpunt gesteld dat ten aanzien van het materiële deel van de schadevergoeding, de opgenomen parkeerkosten, daggeldvergoeding en huishoudelijke hulp niet-ontvankelijk moeten worden verklaard omdat deze posten onvoldoende zijn onderbouwd. Ten aanzien van het immateriële deel van de vordering heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de schade moet worden vastgesteld op een bedrag van € 1.000,00. Wat de proceskosten betreft heeft de raadsrouw zich op het standpunt gesteld dat een bedrag van € 314,73 niet-ontvankelijk verklaard moet worden.
De vordering van [slachtoffer 2] moet niet-ontvankelijk worden verklaard.
7.4
Het oordeel van de rechtbank
In de zaak met parketnummer 08.005126.23
- Vordering van [slachtoffer 1]
Op grond van het dossier en het onderzoek op de zitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het onder dit parketnummer primair bewezen verklaarde feit, voor het gevorderde bedrag. Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering voldoende onderbouwd en aannemelijk. De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade daarom voor het gehele bedrag van € 868,73 toe, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106, sub b, BW onder meer mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. In dit geval staat vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit. Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken worden toegekend als schadevergoeding, is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij daarom voor het gehele bedrag van € 7.5000,00 toe, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Daarnaast heeft de benadeelde partij vergoeding van de proceskosten gevorderd.
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding wordt toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt.
De rechtbank werkt in beginsel met het zogenoemde liquidatietarief in civiele zaken. Het gevorderde bedrag, inclusief de kosten voor het opvragen van de medische informatie, is lager dan voornoemd tarief en daarom toewijsbaar. De rechtbank begroot de proceskosten van de benadeelde partij daarmee op € 842,73.
In de zaak met parketnummer 08.029099.24
- Vordering van [slachtoffer 2]
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106, sub b, BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partij in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.
De benadeelde partij heeft voldoende gegevens verstrekt waaruit blijkt dat zij door het door de verdachte gepleegde strafbare feit geestelijk letsel heeft opgelopen. De ingediende vordering is onderbouwd door middel van, onder andere, een verslag van de psycholoog. Hieruit blijkt dat [slachtoffer 2] is gescreend op PTSS vanwege de gevolgen van het bewezenverklaarde feit, dat zij ook onder behandeling was voor andere klachten doet hier niets aan af. Er is een indicatie voor PTSS vastgesteld waarvoor [slachtoffer 2] is behandeld door middel van twee sessies EMDR vanwege deze gebeurtenis.
Gelet op soortgelijke zaken is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding billijk is. De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij daarom voor het gehele bedrag van € 850,00 toe, te vermeerderen met de wettelijke rente.
7.5
De schadevergoedingsmaatregel
De benadeelde partijen hebben verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de feiten is toegebracht.
Als door de verdachte niet volledig wordt betaald, kan deze verplichting worden aangevuld met de navolgende dagen gijzeling:
- [slachtoffer 1] (08.005126.23) 66 dagen;
- [slachtoffer 2] (08.029099.24 ) 8 dagen.
Toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

8.De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 37a, 37b en 57 Wetboek van Strafrecht.

9.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 08.005126.23, primair, het in de zaak met parketnummer 08.097613.23 onder 1 en 2 en het onder parketnummer 08.029009.24 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
In de zaak met parketnummer 08.005126.23
primair, het misdrijf: poging tot doodslag;
In de zaak met parketnummer 08.097613.23
feit 1, het misdrijf: mishandeling;
feit 2, het misdrijf: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht
en
bedreiging met brandstichting;
In de zaak met parketnummer 08.029099.24
het misdrijf: mishandeling.
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;

straf

- veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
12 (twaalf) maanden;
- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
maatregel
- gelast dat de verdachte
ter beschikking wordt gestelden beveelt dat hij van
overheidswege zal worden verpleegd;
- legt aan de verdachte op de
maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperkingals bedoeld in artikel 38z Sr;
schadevergoedingen
[slachtoffer 1] (parketnummer 08.005126.23)
-
wijstde vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]
toetot een bedrag van
€ 8.368,73, bestaande uit € 868,73 materiële schade en € 7.500,00 immateriële schade;
- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 8.368,73, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 mei 2021;
- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op € 842,73, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de
maatregelop dat de verdachte verplicht is ter zake van het de bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van
€ 8.368,73, (zegge: achtduizend driehonderdachtenzestig euro en drieënzeventig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 mei 2021 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat
gijzelingvoor de duur van
66 dagenkan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;
[slachtoffer 2] (parketnummer 08.029099.24)
-
wijstde vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]
toetot een bedrag van
€ 850,00, bestaande uit immateriële schade;
- veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 850,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 september 2022;
- veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;
- legt de
maatregelop dat de verdachte verplicht is ter zake van het de bewezen verklaarde feit tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van
€ 850,00, (zegge: achthonderdvijftig euro)te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 september 2022 ten behoeve van de benadeelde, en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat
gijzelingvoor de duur van
8 dagenkan worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;
- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.H. Heijink, voorzitter, mr. B.T.C. Jordaans en mr. E.C. de Bie, rechters, in tegenwoordigheid van mr. W.H. Bomans-Weekhout, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 9 april 2026.
Buiten staat
Mr. E.C. de Bie is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage bewijsmiddelen
Leeswijzer
Deze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.
In de zaak met parketnummer 08.005126.23
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2021208928 van 28 juni 2021. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
1. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 10 januari 2025, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:
Op 10 mei 2021 was ik in [plaats 1] in de woning van mijn ouders. Ik werd boos. In mijn boosheid ben ik naar de zolder gegaan en heb ik de luchtbuks gepakt. Ik heb een keer met de luchtbuks geschoten. Ik had nog niet veel geoefend met de luchtbuks en kreeg de man niet goed in het vizier. Op het moment dat ik de luchtbuks pakte en schoot had ik het hoog zitten en dacht ik niet na over wat ik deed. Het ging heel snel. In de cel heb ik er wel aan gedacht dat de man dood had kunnen gaan. Ik heb de luchtbuks op internet gekocht. Ik heb de ingeving gehad om mensen te vermoorden.
2. Het proces-verbaal van verhoor verdachte van 11 mei 2021, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina’s 31-33):
Ik kon het niet goed zien, er was veel wind. Ik had de buks drie keer opgepompt. Ik mikte niet heel precies, er zit een scope op de buks en keek hier overheen en schoot in de richting van de man. Ik probeerde op het onderlichaam te mikken. Ik heb niet gezien waar ik de man geraakt heb.
3. Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] van 11 mei 2021, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina’s 3-4):
Op 10 mei 2021 was ik aan het werk in [plaats 1] aan de [adres]. Vervolgens hoorde ik drie keer een knal, omdat het geluid van boven leek te komen keek ik gelijk naar boven naar het perceel nummer 20 waar heel hoog in de woning, de zolder, een raam opengedraaid stond. Gelijk voelde ik ook een hevige pijn op mijn linkerborst en ik voelde aan de pijnlijke plek. Ik zag dat er veel bloed aan mijn vingers zat en ben toen naar mijn collega's gelopen. Wij zagen dat er een klein gaatje in mijn trui zat en ook in het T-shirt daaronder. Dit gaatje zat ook in mijn huid. Het gaatje zat aan mijn linker voorkant dicht bij mijn sleutelbeen. Uit dit gaatje kwam veel bloed en dit deed erg veel pijn. Ik ben vervolgens met mijn voorman naar het ziekenhuis in Almelo gegaan waar ze foto's gemaakt hebben. De dokter kon zien dat het hoogstwaarschijnlijk een hagelkogeltje betrof en dat deze in mijn long zit. Omdat het kogeltje in mijn long zit is het te gevaarlijk om deze weg te halen en moet deze blijven zitten. Ik heb antibiotica gekregen omdat er een kans op infectie bestaat. Ik ben van dit alles erg geschrokken, dit is heel erg traumatisch voor mij en ben heel erg bang dat het kogeltje nog meer schade aan gaat richten.
4. Het proces-verbaal onderzoek wapen opgemaakt door [verbalisant] van 10 mei 2021, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina 34):
Op 10 mei 2021 uur is bij [verdachte] onderstaand goed in beslaggenomen. Na onderzoek van dit goed is het volgende naar voren gekomen:
Merk/type : Daisy Powerline 901
Registratienummer : [nummer 1]
Het is een luchtdrukwapen in de vorm van een geweer van het type Daisy Powerline 901 ([nummer 2]). Het is niet een lucht-, gas- of veerdrukwapen dat door Onze Minister
overeenkomstig categorie I sub 7 is aangewezen als een voorwerp dat zodanig op een
vuurwapen gelijkt dat het voor be- of afdreiging geschikt is.
Derhalve is dit voorwerp een wapen in de zin van artikel 2 lid 1 categorie Pro IV onder 4
van de WWM.
5. De forensisch medische letselrapportage opgemaakt door drs. L van den Berg, forensisch arts i.o. en dr. G. Reijnen, forensisch arts van 16 december 2023, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Het letsel kan getypeerd worden als een schotverwonding. Het corpus alienum (=projectiel) bevindt zich in het lichaam; te weten in de linkerlong gelegen tegen het hart.
Op basis van de lokalisatie van het corpus alienum/projectiel kan geconcludeerd worden dat de krachtsinwerking dusdanig groot was dat het de kleding, de thoraxwand en het longweefsel heeft doorboord.
Uit medische verslaglegging en beeldvorming bleek er een schotverwonding te zijn net onder het linker sleutelbeen. Op de CT-beelden is de baan te zien die het projectiel heeft afgelegd in de borstkast.
In het longweefsel is dit ongeveer 6 cm geweest. De thoraxwand was bij het slachtoffer 3 cm in dikte. Dit samen maakt dat het projectiel een afstand van circa 9 cm in het lichaam heeft afgelegd. Een gemiddelde dikte van de thoraxwand bij gezonde mannen is 2,1 cm. Het dikker zijn van de thoraxwand dan gemiddeld is bij het slachtoffer een beschermende factor geweest in het voorkomen van ernstiger letsel.
Het projectiel is tegen het hart tot stilstand gekomen. Als het projectiel in de schootsbaan richting het hart minder sterk zou zijn afgeremd (door b.v. een dunnere thoraxwand of het dragen van minder kleding) had het projectiel nog meer energie gehad en het hart mogelijk kunnen perforeren.
Bij perforatie van het hart stroomt het hartzakje vol met bloed. Hierdoor kan het hart minder goed pompen en ontstaat zonder medisch ingrijpen een levensbedreigende situatie (harttamponade). De AIS score passend bij dit letsel is 5 resulterend in een ISS van 25. Dit gaat gepaard met een aanzienlijke mortaliteit van meer dan 50%.
Het corpus alienum ligt ook in de directe omgeving van enkele grote bloedvaten. Indien het corpus alienum een bloedvat zou hebben doorboord en zou zijn meegenomen door de bloedstroom zou het corpus alienum zorgen voor een verstopping van het bloedvat op een andere locatie dan waar het het bloedvat is binnen gedrongen. Het afknellen van de bloedstroom zorgt voor een afsluiting van zuurstof aan dit bepaalde lichaamsdeel. Dit is een zeldzame (0,3%) maar serieuze complicatie, wat kan leiden tot infectie, trombose en afsterving van een bepaald lichaamsdeel. In zeer zeldzame gevallen kan dit tot de dood leiden. Deze complicatie komt met name voor bij wapens met een smal kaliber en projectielen met een lage aanslagsnelheid.
In de zaak met parketnummer 08.097613.23
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2023136770 van 15 april 2023. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
Feit 1
1. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 10 januari 2025, voor zover inhoudende de bekennende verklaring van verdachte;
Feiten 1 en 2
2. Het proces-verbaal aangifte door [slachtoffer 3] van 28 maart 2023, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina’s 5-7):
Dinsdag 28 maart 2023, liep ik vanuit mijn woning naar de woning van mijn overbuurman. Hierbij liep ik een twee passen over het gras van zijn buurman, [verdachte] . Ik zag dat [verdachte] op mij af kwam gerend. Ik zag dat hij mij wilde slaan. Opeens voelde ik dat [verdachte] mij sloeg met beide vuisten op mijn achterhoofd. Ik voelde toen direct pijn en liep achteruit maar gleed toen weg. Toen ik overeind kwam hoorde ik [verdachte] zeggen dat hij mij de volgende keer dood zou steken. Deze woorden kwamen zeer bedreigend op mij over. Ik ben erg geschrokken van het incident en van de bedreiging die hij richting mij uitte. Ik heb momenteel een warme en gloeiende pijn op mijn achterhoofd. Ik heb een bult op mijn achterhoofd.
Feit 2
3. Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] van 28 maart 2023, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, (pagina’s 10-11):
Op 28 maart 2023 zag ik [verdachte] uit zijn woning komen. Ik zag dat hij richting [slachtoffer 3] liep. Ik zag dat hij direct 4 à 5 keer met gebalde vuist in het gezicht van [slachtoffer 3] sloeg. Ik hoorde hem zeggen dat [slachtoffer 3] niet door zijn tuin mocht lopen. En dat hij hem in brand zou gaan zetten. Ik zag dat hij na het paar keer slaan weer opnieuw wilde beginnen.
4. Het proces-verbaal van verhoor verdachte van 29 maart 2023, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina’s 39-):
Die gek loopt met zijn voeten weer door mijn tuin. Ik heb al duizend keer aangegeven. Normaal loopt hij er altijd om heen. Dat was echt de druppel. Toen ben ik geëxplodeerd.
V: Wat bedoel met geëxplodeerd?
A: Ik was al boos, ik was echt buiten zinnen.
In de zaak met parketnummer 08.029099.24
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met nummer PL0600-2022429498 van 24 april 2024. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
1. Het proces-verbaal van de terechtzitting van 10 januari 2025, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven als volgt:
Op 16 september 2022 was ik in [plaats 2] in het bos. Ik had een paar halve liters bier gedronken en ik was dronken. Ik was geërgerd en ik heb met mijn vuist tegen de vrouw geslagen. Nadat dit was gebeurd ben ik met de fiets weggegaan. Ik kan mij voorstellen dat de vrouw geschrokken was en angstig was. Ik was gewelddadig en buiten zinnen.
2. Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2], voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven (pagina’s 3-5):
Op 16 september [de rechtbank begrijpt 2022] liep ik in het bos met mijn 3 hondjes. Ik liep in het bos genaamd [locatie 2]. Ik zag dat er een man aan de rechterkant van mij in een weggetje stond. Ik keek hem aan en zei hoi tegen deze man. Ik ben vervolgens gewoon door gelopen. Ik hoorde dat de man tegen mij zei mee komen. Op een dwingende manier. Ik reageerde hier niet op en liep door. Ik merkte dat hij achter mij aan liep. Ik draaide mij om omdat ik voelde dat hij mij achterna liep. Ik zag dat hij met zijn vinger in de richting wees waar hij net uit kwam. Ik hoorde dat hij zei dat ik mee moest komen. Ik zag dat de man op mij af kwam lopen. Ik zag en voelde dat hij mij sloeg. Ik voelde dat de man mij op mijn linker wang sloeg. Ik voelde direct hevige pijn. Ik heb de man uit reactie een trap in zijn kruis gegeven en ben vervolgens hard weggerend. Ik zag dat de man een stukje achter mij aan kwam rennen.