6.3De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag, twee mishandelingen en een bedreiging. Het gaat om zeer ernstige feiten waar meerdere mensen slachtoffer van zijn geworden. Verdachte heeft [slachtoffer 1] beschoten en geraakt met een luchtbuks. Verdachte en [slachtoffer 1] mogen van geluk spreken dat [slachtoffer 1] niet is overleden. De impact die deze gebeurtenis op [slachtoffer 1] heeft, is gebleken uit de namens hem voorgedragen slachtofferverklaring. Het kogeltje zit op enkele millimeters van zijn hart. Hij leeft hierdoor continu met de angst dat het kogeltje zal verschuiven. De situatie heeft bij [slachtoffer 1] veel stress veroorzaakt en doet dat nog steeds.
[slachtoffer 2] is uit het niets in het bos door verdachte achtervolgd en mishandeld, terwijl zij haar honden aan het uitlaten was. Een angstige gebeurtenis die veel impact op haar heeft gehad. [slachtoffer 2] kampt nadien met klachten die kunnen wijzen op de aanwezigheid van PTSS. Tot slot heeft verdachte [slachtoffer 3] geslagen en bedreigd omdat hij over zijn gras liep. In plaats van dit te bespreken met [slachtoffer 3] of met de leiding, is verdachte geëxplodeerd en heeft hij zeer agressief gereageerd. Door zo te handelen heeft hij op geen enkele wijze respect getoond voor de lichamelijke integriteit van deze nietsvermoedende en willekeurige slachtoffers. De rechtbank rekent dit verdachte aan.
De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel uit de justitiële documentatie van 9 maart 2026. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
- De rapportages
De rechtbank heeft kennisgenomen van de over verdachte opgemaakte deskundigen rapportages.
Er is over verdachte een psychologisch pro-justitia rapport opgemaakt door D. Breuker (hierna ook: Breuker), forensisch gz-psycholoog, gedateerd 18 november 2025.
Verdachte heeft beperkt meegewerkt. Hij is op de eerste afspraak verschenen, daarna niet meer. Er zijn aanwijzingen voor mogelijk auditieve (gehoor) hallucinaties en voor paranoïde wanen, zoals de overtuiging dat mensen hem bespieden, uitdagen en bespugen. Bij verdachte worden vooral kenmerken gezien, die voorkomen bij mensen met schizofrenie. Verdachte ontkent de stoornissen en daarmee ook de auditieve hallucinaties, paranoïde wanen en een diagnose zoals schizofrenie. Er zijn door de jaren heen toenemend negatieve symptomen ontstaan in de zin van sociaal terugtrekken, emotionele afvlakking en een gebrek aan initiatief. Daarnaast zijn er ook aanwijzingen voor cognitieve symptomen zoals concentratie- en geheugenproblemen. Bij schizofrenie kunnen de hersenen signalen niet goed onderscheiden, waardoor overprikkeling kan ontstaan. Die overprikkeling kan ook bijdragen aan het ontstaan van een psychose. Verdachte gebruikt verslavende middelen om die overprikkeling tegen te gaan, maar die middelen lijken de negatieve gedachten en emoties te versterken, waardoor ook agressieve impulsdoorbraken ontstaan. Dit heeft in de optiek van Breuker geleid tot het plegen van de ten laste gelegde feiten
Verdachte lijkt gehandeld te hebben vanuit paranoïde wanen, de overtuiging dat hij moedwillig werd gepest, uitgedaagd en geprovoceerd. De wanen zijn bij verdachte aanwezig vanwege een ernstige psychiatrische stoornis. Op basis van de doorwerking lijkt het aangewezen om de feiten niet of in een aanzienlijk verminderde mate toe te rekenen.
De kans op herhaling is op basis van de algehele risicotaxatie hoog. Zolang verdachte niet wordt behandeld voor zijn paranoïde wanen en overprikkeling, blijft er een hoog risico bestaan dat hij opnieuw uitgedaagd en getriggerd wordt tot agressief handelen en het plegen van strafbare feiten. Er is bij verdachte geen probleembesef en geen erkenning van de aanwezigheid van zijn klachten en symptomen. Verder ontbreekt het aan stabiliteit op alle levensgebieden.
De psycholoog adviseert om bij een bewezenverklaring aan verdachte een verplichte klinische behandeling op te leggen voor de vermindering van de risicofactoren waaronder de wanen en overprikkeling die vermoedelijk aanwezig zijn vanwege een ernstige psychiatrische stoornis zoals schizofrenie. Gedacht kan worden aan stabilisering in een kliniek en aan het vergroten van het ziekte-inzicht waarna er een ambulant zorgkader moet worden opgezet. Geadviseerd wordt een opname in een FPA op te leggen als bijzondere voorwaarde bij een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf of via een zorgmachtiging.
Er is over verdachte een psychiatrisch pro-justitia rapport opgemaakt door N. van de Weg (hierna ook: Van de Weg), psychiater, gedateerd 2 december 2025.
Verdachte heeft vrijwel niet meegewerkt aan het onderzoek, maar wel toestemming gegeven voor het opvragen van hulpverleningsinformatie en het raadplegen van referenten. Hierdoor heeft de psychiater een redelijke indruk gekregen over het psychisch functioneren van verdachte. Een beperking is dat er geen eigen diagnostiek verricht kon worden maar alleen diagnostische hypotheses konden worden geformuleerd. Gezien de vroege problemen in de ontwikkeling zijn er veel aanwijzingen voor een stoornis in het autistisch spectrum. Verder is bij eerder intelligentieonderzoek geconstateerd dat er sprake is van een beneden gemiddelde intelligentie. Er zijn bij verdachte sinds de pubertijd verslavingsproblemen. Er zijn veel aanwijzingen voor een ernstige stoornis in het gebruik van cannabis, nu in vroege remissie in een gereguleerde omgeving. Er zijn aanwijzingen voor een stoornis in het gebruik van cocaïne, XTC, ketamine, alcohol en kalmeringstabletten. Er zijn door begeleiders en verdachte zelf psychotische symptomen beschreven in de vorm van paranoïde wanen. Door de beperkte medewerking van verdachte is niet vast te stellen of uit te sluiten in hoeverre deze nu nog aanwezig zijn.
Omdat een gesprek met verdachte over de tenlastelegging niet mogelijk was, kon de doorwerking niet goed onderzocht worden. Er zijn sterke aanwijzingen dat er bij verdachte sprake is van ernstige, complexe en meervoudige psychiatrische problematiek en er zijn duidelijke aanwijzingen dat deze problemen, met name de psychotische belevingen, een rol hebben gespeeld bij het ten laste gelegde. Ook kunnen beperkingen vanuit een ontwikkelingsstoornis (autistische trekken) een rol hebben gespeeld in de vorm van het niet verdragen van nabijheid en het niet kunnen reguleren van emoties. Ook tijdens detentie, waar verdachte abstinent was van middelen, reageerde hij met schreeuwen. Dit maakt het voor de psychiater onwaarschijnlijk dat de ten laste gelegde feiten vooral beïnvloed werden door het middelengebruik van verdachte. Geadviseerd wordt daarom om de ten laste gelegde feiten in verminderde mate toe te rekenen.
Er zijn veel aanwijzingen voor ernstige psychiatrische problematiek. De psychiater ziet op de lange termijn een hoog risico op gewelddadige recidive. Verdachte disfunctioneert op alle levensgebieden en is ernstig zorgmijdend. Door het impulsieve handelen van verdachte kunnen er (zeer) gevaarlijke situaties ontstaan.
De voorgeschiedenis van verdachte laat zien dat een behandeling niet in een ambulante setting geboden kan worden. Verdachte is aangemeld geweest bij zowel de psychiatrie als de verslavingszorg, waar hij uitsluitend middelen wenste en alle behandeling afwees. Hij liet begeleiding nauwelijks toe, hield zich gedurende reclasseringstoezicht niet aan de afspraken en ambulante begeleiding was onvoldoende om delictgedrag te voorkomen. Gezien de afwerende houding van verdachte is behandeling alleen haalbaar in een klinisch kader, bij voorkeur op een afdeling met een hoog beveiligingsniveau. Dit is enerzijds geïndiceerd om eventuele agressie-incidenten op de afdeling te kunnen hanteren. Anderzijds is het noodzakelijk vanwege het risico dat verdachte zich aan behandeling onttrekt of de behandeling stagneert door terugvallen in het middelengebruik.
Een zorgmachtiging is niet passend bij de problematiek van betrokkene omdat een zorgmachtiging een beperkte duur heeft en een civiele maatregel betreft. Daarbinnen is een langere gedwongen behandeling op een forensische afdeling met een hoog beveiligingsniveau niet haalbaar. Een terbeschikkingstelling (hierna ook: tbs) met voorwaarden lijkt op basis van de voorgeschiedenis van verdachte niet haalbaar omdat hij tot nu toe niet bereid en/of in staat is geweest tot het maken van afspraken of zich hieraan te houden. Een tbs met dwangverpleging lijkt daarom als enige mogelijkheid over te blijven.
Ook is door [naam 3], reclasseringswerker en [naam 4], unitmanager, over verdachte een reclasseringsadvies opgemaakt, gedateerd 4 februari 2026.
De reclassering ziet op basis van eerdere ervaringen met verdachte geen mogelijkheden om het recidiverisico te verminderen dan wel te beïnvloeden door middel van bijzondere voorwaarden. Verdachte wil niet meewerken aan een klinische behandeling, weigert medicatie en er lijkt – ondanks dat zijn middelengebruik in remissie is door zijn verblijf in een gereguleerde omgeving – geen sprake van stabilisatie ten aanzien van zijn overige problematiek. De reclassering schat de risico’s op recidive, op letsel en op het onttrekken aan voorwaarden in als hoog.
De reclassering adviseert een straf zonder bijzondere voorwaarden. Zij ziet geen mogelijkheden om met interventies of toezicht de risico’s te beperken of het gedrag te veranderen. De reclassering adviseert verder om bij een veroordeling tot een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (hierna ook: GVM) op te leggen.
- De verklaringen van de deskundigen ter terechtzitting
Breuker heeft haar advies terechtzitting nader toegelicht. Zakelijk weergegeven heeft zij aanvullend het volgende verklaard.
De opstelling van verdachte nu ter terechtzitting is niet anders dan tijdens het gesprek dat met verdachte heeft plaatsgevonden. Breuker staat nog steeds achter het advies. Een tbs met dwangverpleging komt pas in beeld wanneer alle andere mogelijkheden zijn geprobeerd. Een rechterlijke machtiging voor de duur van zes maanden is te kort om (medicamenteuze) behandeling van de grond te krijgen. Verdachte zegt ter zitting ook dat hij alleen zal meewerken omdat het echt moet. Er is een langdurige behandeling nodig. Verdachte moet eerst ziekte-inzicht krijgen, inzien welke risico’s er zitten aan middelengebruik en begrijpen dat medicatie belangrijk is. Verdachte is een psychiatrisch patiënt. Idealiter zou hij eerst vanuit een strafrechtelijk kader behandeld worden zodat hij daarna met een machtiging op een reguliere plek in een psychiatrische kliniek verder kan. Verdachte is niet intrinsiek gemotiveerd maar is wel in staat de afweging te maken dat het voor hem erger wordt wanneer hij niet meewerkt. In het dossier is te lezen dat er psychotische gedachten waren tijdens het plegen van de feiten en dat is ook in het onderzoek bevestigd. Dat geeft de overtuiging dat er sprake was van een psychose die moet worden behandeld. De stap naar medicamenteuze behandeling is nog nooit gezet om welke reden de stap naar een tbs-maatregel voor nu te groot is.
Van de Weg heeft haar advies ter terechtzitting nader toegelicht. Zakelijk weergegeven heeft zij aanvullend het volgende verklaard.
Op basis van zijn voorgeschiedenis is verdachte niet in staat zich aan voorwaarden te houden. Ook nu in detentie, abstinent van middelen, werkt hij niet mee. Het gesprek met zijn regiebehandelaar verliep ook moeizaam. Dat heeft in de advisering een rol gespeeld. Tbs is inderdaad een zware maatregel, maar omdat de andere opties afvallen, is deze wel geadviseerd. Verdachte wil zijn straf uitzitten en dan weer verder, dat zegt hij vandaag ook ter terechtzitting. Naast schizofrenie zijn meerdere problemen te zien en dan moet er bescheiden met de verwachtingen ten aanzien van het gebruik van antipsychotica worden omgegaan. Wat van een medicamenteuze behandeling verwacht kan worden, is nu nog niet te voorspellen. Des te langer een psychose heeft geduurd, des te slechter is ook de prognose. Dat lijkt hier ook een rol te spelen, kijkend naar de geschiedenis van verdachte. Daarom is geen reguliere GGZ geadviseerd maar juist een forensisch kader. Dit is niet alleen een zorgcasus er is ook sprake van agressie en geweld.
Namens de reclassering was [naam 5] (hierna ook: [naam 5]) ter terechtzitting aanwezig. Zij heeft het reclasseringsadvies nader toegelicht, kort en zakelijk weergegeven als volgt.
Een belangrijke factor voor een straf met voorwaarden is de bereidheid om behandeld te worden en – in enige mate - inzicht in de eigen problematiek nodig. Vandaag ter zitting doet verdachte uitspraken die hier haaks op staan. Mocht verdachte vanuit voorwaarden in een FPK of FPA geplaatst worden en zijn bereidheid om mee te werken is er niet meer, dan staat hij onbehandeld op straat. De reclassering schat in dat sprake is van onmacht bij verdachte. Hij wil wel, maar kan het niet. De reclassering kan verdachte ook geen dwangmedicatie toedienen, zodat het verdachte in feite zelf beslist over het wel of niet gebruiken van medicatie.
De rechtbank is van oordeel dat de voornoemde rapporten zorgvuldig tot stand zijn gekomen en stelt op basis daarvan vast dat de feiten verminderd aan verdachte moeten worden toegerekend.
De strafmodaliteit en de hoogte daarvan
- Gevangenisstraf
De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten in beginsel een gevangenisstraf van aanzienlijke duur rechtvaardigen. Uit de hiervoor besproken rapportages blijkt dat verdachte kampt met ernstige (psychiatrische) problematiek. Verder houdt de rechtbank er rekening mee dat het gaat om oudere feiten en de redelijke termijn is geschonden. De rechtbank ziet hierin redenen om een kortere gevangenisstraf op te leggen dan door de officier van justitie is geëist. Gelet op het voorgaande en rekening houdende met de oplegging van de hierna te noemen maatregel, is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, passend en geboden is.
- Tbs
De rechtbank is van oordeel dat oplegging van de maatregel van tbs passend en noodzakelijk is in het kader van de beveiliging van de maatschappij en de beperking van het recidiverisico. De rechtbank baseert deze beslissing op de inhoud en toelichting op de hiervoor genoemde rapporten en de ernst van de feiten.
De rechtbank stelt vast dat aan de wettelijke voorwaarden voor het opleggen van een tbs is voldaan. De bewezenverklaarde (poging tot) doodslag is een misdrijf waarop, naar de wettelijke omschrijving, een gevangenisstraf van meer dan vier jaren is gesteld. Daar komt bij dat de bewezenverklaarde bedreiging een misdrijf is zoals beschreven in artikel 37a, eerste lid, onder 2, Sr. Hoewel verdachte beperkt aan de onderzoeken heeft meegewerkt en er daarom door de deskundigen geen eigen (diagnostische) onderzoeken konden worden verricht, hebben de deskundigen wel vast kunnen stellen dat er bij verdachte sprake is van een ernstige (psychiatrische) stoornis. Deze stoornis bestond ook tijdens het begaan van de feiten. Verder is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel vereist. Zonder behandeling is er een hoog risico dat verdachte opnieuw agressief zal handelen en strafbare feiten zal plegen.
- Dwangverpleging
Uit de rapportages en de voorgeschiedenis van verdachte volgt dat naar het oordeel van de rechtbank voldoende dat een dwingend kader nodig is. Verdachte is zelf niet intrinsiek gemotiveerd en vindt dat hij geen behandeling nodig heeft. Hij heeft een lange voorgeschiedenis van (ernstig) zorgmijdend gedrag en is niet in staat gebleken zich aan voorwaarden te houden. Het risico dat verdachte zich zal onttrekken aan voorwaarden wordt als hoog ingeschat. Hij werkt nu mee omdat het moet, maar ziet hiertoe zelf geen noodzaak, ook niet voor het gebruik van (noodzakelijk geachte) medicatie. Andere mogelijkheden, zoals een zorgmachtiging of een straf met bijzondere voorwaarden, zijn overwogen maar deze bieden geen mogelijkheid tot dwangbehandeling. Hoewel de psycholoog heeft geadviseerd geen tbs-maatregel op te leggen, ziet de rechtbank geen andere mogelijkheid. De andere (strafrechtelijke) kaders bieden onvoldoende mogelijkheden om verdachte te behandelen en de risico’s te beperken. Hierbij heeft de rechtbank een doorslaggevend gewicht toegekend aan het advies van de reclassering dat zij geen mogelijkheden ziet om toezicht te houden op en uitvoering te geven aan de naleving van voorwaarden.
Dit alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte geen andere maatregel dan de maatregel van tbs met dwangverpleging opgelegd kan worden.
De rechtbank merkt daarbij op dat de totale duur van de tbs met dwangverpleging in dit geval een periode van vier jaar te boven kan gaan omdat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.
- GVM
Door de reclassering is geadviseerd een GVM-maatregel op te leggen. Gelet op de conclusies van de deskundigen dat er sprake is van ernstige langdurige problematiek en het te verwachten is dat er ook na het aflopen van de tbs-maatregel nog hulpverlening aan verdachte noodzakelijk is, acht de rechtbank het van belang dat wordt voorkomen dat het toezicht eindigt. De rechtbank zal daarom, ambtshalve, overgaan tot oplegging van een maatregel op grond van artikel 38z Sr, die strekt tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking. De rechtbank acht de oplegging van de maatregel noodzakelijk ter bescherming van de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen. Verder is aan alle wettelijke vereisten voor oplegging van deze maatregel voldaan.