Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:3292

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
AK_26_334
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Eiser was werkzaam als pakketbezorger en meldde zich ziek op 9 december 2022. Na een aanvraag voor een WIA-uitkering op 11 september 2024 wees het UWV deze af omdat het arbeidsongeschiktheidspercentage volgens hun berekening 19,61% bedroeg, later bij bezwaar 28,58% en uiteindelijk 29,09% na aanvullend onderzoek.

Eiser voerde aan dat zijn fysieke klachten, waaronder heup- en rugpijn, en mentale klachten onvoldoende waren meegewogen. Hij stelde dat de medische rapporten niet recht deden aan de ernst van zijn klachten en dat de geselecteerde voorbeeldfuncties niet passend waren.

De rechtbank oordeelde dat de verzekeringsgeneeskundige rapporten zorgvuldig en navolgbaar waren opgesteld en dat de beperkingen goed waren gemotiveerd. De mentale klachten waren niet aantoonbaar aanwezig op de datum in geschil. De arbeidsdeskundige had de voorbeeldfuncties passend geselecteerd en de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage was correct.

Daarom was het besluit van het UWV om geen WIA-uitkering toe te kennen terecht en werd het beroep ongegrond verklaard. Eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten en kan tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn WIA-uitkering wordt ongegrond verklaard omdat het arbeidsongeschiktheidspercentage onder de 35% blijft.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 26/334

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], (hierna: [eiser])

gemachtigde: mr. K. Aslan,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen(UWV),
gemachtigde: [gemachtigde].

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over een afwijzing van een WIA [1] -aanvraag. [eiser] is het daar niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV de aanvraag terecht heeft afgewezen. [eiser] krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond.

Inleiding

1. [eiser] was vanaf 14 september 2022 werkzaam als pakketbezorger voor gemiddeld 44 uur per week. Op 9 december 2022 heeft hij zich ziekgemeld en is ziekengeld uitbetaald. Bij de eerstejaars Ziektewetbeoordeling is het recht op ziekengeld ongewijzigd voorgezet. [eiser] heeft op 11 september 2024 een WIA-uitkering aangevraagd.
1.1.
Het UWV heeft de aanvraag met het besluit van 14 april 2025 afgewezen, omdat het arbeidsongeschiktheidspercentage niet ten minste 35% is, maar 19,61%. Met het bestreden besluit van 11 december 2025 op het bezwaar van [eiser] is UWV bij de afwijzing gebleven. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij wel gewijzigd naar 28,58%.
1.2.
[eiser] heeft vervolgens beroep ingesteld en aanvullende beroepsgronden ingediend.
1.3.
Het UWV heeft gereageerd met een verweerschrift. Op 11 maart 2026 is een nadere reactie overgelegd met een rapport van 10 maart 2026 van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep (B&B). Daarin is de mate van arbeidsongeschiktheid gewijzigd naar 29,09%.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 7 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser], zijn gemachtigde en de gemachtigde van UWV. R. Deniz was als tolk daarbij aanwezig.

Standpunt van het UWV

2. Volgens het UWV heeft [eiser] met ingang van 7 december 2024 geen recht op een
WIA-uitkering, omdat het arbeidsongeschiktheidspercentage minder is dan 35%. Vanwege zijn gezondheidsklachten en beperkingen kan hij zijn functie als pakketbezorger niet meer verrichten, maar hij kan nog wel in staat worden geacht om de voorbeeldfuncties snackbereider, textielproductenmaker en productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) te verrichten. Door het middelste uurloon van deze functies te vergelijken met het uurloon dat [eiser] verdiende als pakketbezorger is de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op 29,09 %. Hiervoor baseert het UWV zich op het rapport van 2 oktober 2025 van de arts B&B, de functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 3 oktober 2025 en de rapporten van de arbeidsdeskundige B&B.

Standpunten [eiser]

3. [eiser] stelt dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn heup-, rugklachten. Hiertoe voert hij aan dat de verzekeringsartsen zijn uitgegaan van heupartrose, terwijl uit de informatie van 6 september 2024 van de orthopedisch chirurg blijkt dat sprake is van ‘heupklachten rechts met op beeldvorming crossover sign en retroverted acetabulum’. Deze aanduiding onderbouwt dat de pijnklachten bij het belasten van zijn heup, zoals bij lopen, staan en zitten, ernstiger zijn dan is ingeschat. Volgens [eiser] heeft de arts B&B dit ook zelf kunnen waarnemen. In het rapport staat daarover namelijk dat hij tijdens de hoorzitting en aansluitend bij het spreekuur om de 20-30 minuten moest vertreden. Hierbij stond hij telkens circa 5 minuten met een voorovergebogen rug en heupen. Dat desondanks slechts lichte fysieke beperkingen zijn vastgesteld en geen beperking voor ‘zitten tijdens het werk’
(item 5.2) is onjuist.
3.1.
Ook stelt [eiser] dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn mentale klachten. Hiervoor zijn geen beperkingen vastgesteld, terwijl die klachten er wel degelijk waren. De klachten zijn in eerste instantie aangeduid als spanningsklachten en in april/mei 2024 is daarbij de diagnose depressie vermeld. Dit blijkt uit het huisartsenjournaal en de gesprekken die hij heeft gehad met de praktijkondersteuner. Bij zowel het spreekuur van de primaire verzekeringsarts als bij het spreekuur van de arts B&B heeft hij dit ook toegelicht. Sinds augustus 2025 heeft de huisarts (weer) medicatie voorgeschreven. Verder stelt [eiser] dat hij de geselecteerde functies niet kan verrichten vanwege zijn klachten en beperkingen.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank is van oordeel dat het UWV met ingang van 7 december 2024 terecht geen WIA-uitkering aan [eiser] heeft toegekend. De rechtbank licht dit als volgt toe.
4.1.
Op grond van artikel 5 van Pro de Wet WIA bestaat recht op een WIA-uitkering als een betrokkene ten minste 35% arbeidsongeschikt is. Het UWV moet zich daarvoor baseren op rapporten van een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige. Deze rapporten moeten aan een aantal voorwaarden voldoen: zij moeten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, ze mogen geen tegenstrijdigheden bevatten en de conclusies moeten logisch volgen uit de rapporten.
Verzekeringsgeneeskundige beoordeling
4.2.
Het spreekuur heeft plaatsgevonden op 20 maart 2025. In het rapport van 20 maart 2025 vermeldt de verzekeringsarts dat [eiser] bekend is met artrose aan de heup (coxartrose), rugpijn lumbaal, geopereerd is aan Hallux Valgus en met secundaire psychische klachten. De belemmeringen die [eiser] in het geheugen en de concentratie ervaart kunnen echter niet geobjectiveerd worden. Ook kon hij tijdens het spreekuur van 45 minuten zijn aandacht goed vasthouden en er is geen psychopathologie waargenomen. Volgens de verzekeringsarts is [eiser] door zijn fysieke gezondheidsklachten aangewezen op werk dat enigszins rug- en heupsparend is. Zo gelden in de FML onder andere beperkingen voor trillingsbelasting, buigen, duwen/trekken, tillen/dragen, lopen, traplopen, klimmen, knielen/hurken en voor staan. Volgens de verzekeringsarts is sprake van deconditionering en vermijdingsgedrag. Daarnaast kan de ernst van fysieke belemmeringen die [eiser] zelf ervaart niet volledig geobjectiveerd worden. Daarom zijn de vastgestelde beperkingen volgens de verzekeringsarts minder dan zoals [eiser] ze zelf ervaart.
4.3.
Volgens de arts B&B zijn de fysieke beperkingen juist vastgesteld. In het rapport van
2 oktober 2025 vermeldt de arts B&B dat de informatie en het eigen onderzoek geen aanleiding geven om meer of verdergaande beperkingen vast te stellen. Het eigen onderzoek vond plaats op 1 oktober 2025 en daarnaast zijn het huisartsjournaal, een medicatieoverzicht en informatie van 9 september 2024 van de orthopedisch chirurg bij de beoordeling betrokken. Daarnaast was er ook informatie van 16 juni 2025 en 31 juli 2025 van de reumatoloog. Volgens de arts B&B zijn er op basis van de anamnese en het lichamelijk onderzoek geen aanwijzingen voor een hernia in de rug of een neurologische stoornis als oorzaak van de rugpijn. De verzekeringsarts heeft verder meegewogen dat bij [eiser] sprake is van bewegingsangst. Vanwege deze angst en de lichte mate van degeneratieve afwijkingen, zijn de lichte fysieke beperkingen dan ook juist vastgesteld. Met betrekking tot de gestelde mentale klachten zijn volgens de arts B&B terecht geen beperkingen vastgesteld. [eiser]’s eigen beleving van zijn klachten wordt niet betwijfeld of ontkend, maar klachtenbeleving alleen, zonder objectiveerbaar gevolg door ziekte of gebrek, kunnen niet vertaald worden naar beperkingen in de FML. De arts B&B ziet hiervoor ook geen aanleiding omdat bij het spreekuur van de verzekeringsarts geen psychopathologie is waargenomen en omdat uit de informatie van de huisarts, praktijkondersteuner en bedrijfsarts ook niet blijkt dat daar sprake van was rondom de datum in geding van 7 december 2024.
4.4.
De rechtbank is van oordeel dat de rapporten inzichtelijk en navolgbaar zijn. De gezondheidsklachten van [eiser] zijn bij de beoordeling betrokkenen en de beperkingen die zijn vastgesteld zijn goed gemotiveerd. De rechtbank is niet gebleken dat die beoordeling onjuist is geweest. Het standpunt dat de informatie van de orthopedisch chirurg niet of onvoldoende bij de beoordeling is betrokken volgt de rechtbank niet. Weliswaar gaat de arts B&B in het rapport onder het kopje ‘Heroverweging’ niet in op die informatie, maar die informatie staat wel vermeld bij de andere medische informatie. Ook zijn de pijnklachten aan de heup en rug wel beoordeeld. Het standpunt dat ten onrechte slechts lichte beperkingen zijn vastgesteld en geen beperking voor zitten tijdens werk (item 5.2) volgt de rechtbank ook niet. Dat [eiser] tijdens het spreekuur telkens moest vertreden is daarvoor onvoldoende. Zowel de verzekeringsarts als de arts B&B hebben lichamelijk onderzoek gedaan en beide hebben geen reden gezien om een beperking voor item 5.2 vast te stellen of om verdergaande beperkingen vast te stellen. De rechtbank heeft gelet op deze onderzoeken en de medische informatie geen reden om hieraan te twijfelen. Ook de beroepsgrond over de mentale klachten slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat ook daarover navolgbaar is gemotiveerd, daar deze klachten niet aanwezig waren rondom dat datum in geding. De gesprekken met de praktijkondersteuner zijn vanaf 16 mei 2024 beëindigd en uit de informatie van september 2024 van de bedrijfsarts blijkt dat de eerdere depressieve klachten toen niet meer aanwezig waren. Dat nadien wel weer vergelijkbare klachten optraden en [eiser] sinds augustus 2025 ook medicatie is voorgeschreven, maakt dit niet anders, omdat dit ruim na datum in geding is.
Arbeidskundige beoordeling
4.5.
De rechtbank is van oordeel dat de arbeidskundige B&B in de rapporten van
8 december 2025 en 6 maart 2026 navolgbaar heeft gemotiveerd dat [eiser] in staat moet worden geacht om de functies snackbereider, textielproductenmaker en productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) te verrichten. Hiertegen zijn geen concrete beroepsgronden aangevoerd. Op basis van een vergelijking van het middelste uurloon (€ 11,57) van deze functies met het uurloon (€ 16,32) dat [eiser] verdiende, is de mate van arbeidsongeschiktheid dan ook terecht vastgesteld op 29,09%. Omdat dit minder is dan 35% heeft het UWV terecht besloten dat hij geen recht heeft op een WIA-uitkering.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat [eiser] geen gelijk krijgt. Daarom krijgt het griffierecht niet terug en ook geen vergoeding van proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.T. de Kwaasteniet, rechter, in aanwezigheid van
J.T. Boddeüs, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.