Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:3296

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
AK_26_368
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:12 AwbArt. 8:72 AwbWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank vernietigt beëindiging Ziektewet-uitkering wegens onvoldoende urenbeperking

Eiser, werkzaam als koerier en later in laswerkzaamheden, meldde zich ziek en ontving een Ziektewet-uitkering. Het UWV beëindigde deze uitkering omdat eiser meer dan 65% van zijn loon zou kunnen verdienen, gebaseerd op medische en arbeidsdeskundige rapporten.

Eiser voerde aan dat zijn combinatie van ADHD, ASS, chronische pijn en visuele beperkingen onvoldoende was meegewogen, en dat een preventieve urenbeperking van 4 uur per dag en 20 uur per week noodzakelijk was. De rechtbank stelde vast dat de beperkingen weliswaar inzichtelijk waren gemotiveerd, maar het ontbreken van een urenbeperking onvoldoende was onderbouwd.

De rechtbank nam zelf een beslissing en herroept het beëindigingsbesluit van het UWV. Hierdoor kan eiser een WIA-aanvraag indienen. Tevens veroordeelde de rechtbank het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt het besluit tot beëindiging van de Ziektewet-uitkering en herroept dit, waardoor eiser een WIA-aanvraag kan indienen.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 26/368

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], (hierna: [eiser])

gemachtigde: mr. M. Berkel,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen(UWV),
gemachtigde: [gemachtigde].

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over de beëindiging van een Ziektewet (ZW) uitkering, na een eerstejaars ZW-beoordeling. [eiser] is het daar niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de ZW-uitkering terecht is beëindigd.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV de ZW-uitkering ten onrechte heeft beëindigd. Eiser krijgt gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Inleiding

1. [eiser] verricht twee dagen per week eenvoudige laswerkzaamheden bij Cement Coaching & Dagbesteding. Vanaf 10 oktober 2022 is hij werkzaam geweest als koerier bij [bedrijf] B.V. voor gemiddeld 24 uur per week. Op 2 februari 2023 heeft hij zich ziekgemeld. Na het eind van zijn dienstverband heeft het UWV met ingang van
11 december 2023 een ZW-uitkering aan [eiser] toegekend. In april 2024 heeft een eerstejaars ZW-beoordeling plaatsgevonden.
1.1.
Met het besluit van 14 mei 2024 heeft het UWV besloten dat [eiser] vanaf 15 juni 2024 geen recht meer heeft op een ZW-uitkering, omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende als koerier. Met het bestreden besluit van 18 december 2025 op het bezwaar van [eiser] is het UWV bij dat besluit gebleven.
1.2.
[eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Op 25 februari 2026 heeft hij aanvullende beroepsgronden ingediend.
1.3.
Het UWV heeft daarop gereageerd met een verweerschrift en heeft op 20 april 2026 een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (B&B) en van de arbeidsdeskundige B&B overgelegd. De verzekeringsarts B&B heeft in de functionele mogelijkhedenlijst (FML) ook een beperking vastgesteld voor overwerken. De conclusie blijft desondanks dat [eiser] meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende.
1.4.
[eiser] heeft op 29 april 2026 een brief aan de rechtbank gestuurd.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 7 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser], zijn gemachtigde en de gemachtigde van het UWV. Ook de heer
[naam] (begeleider bij Cement Coaching & Dagbesteding) was daarbij aanwezig.

Standpunt UWV

2. Volgens het UWV had [eiser] met ingang van 15 juni 2024 geen recht meer op een
ZW-uitkering omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende als koerier. Vanwege zijn gezondheidsklachten en beperkingen kan [eiser] die functie niet meer verrichten, maar kan hij nog wel in staat worden geacht om de voorbeeldfuncties assemblagemedewerker elektronische producten, productiemedewerker industrie (samenstellen van producten) en administratief ondersteunend medewerker te verrichten. Omdat het middelste uurloon (€ 13,71) van deze functies hoger is dan het uurloon (€ 12,65) dat hij als koerier verdiende is het verdienvermogen 100%. Hiervoor baseert het UWV zich op het rapport van 13 april 2026 van de verzekeringsarts B&B, de bijbehorende FML en het rapport van 17 april 2026 van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.

Standpunten [eiser]

3. [eiser] stelt dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn gezondheidsklachten. Er is sprake van een samenloop van ADHD en ASS, locomotore pijnproblematiek en visuele beperkingen. Daarnaast zijn er ook slaapproblemen, is hij prikkelgevoelig en gaat hij telkens over zijn grenzen heen. Volgens [eiser] leunt de beoordeling te sterk op momentopnames, terwijl uit de medische informatie de problematiek duidelijk blijkt. Ondanks een multidisciplinaire behandeling blijven de problemen bestaan. Dit komt mede doordat hij door zijn ADHD en ASS de aangeleerde adviezen niet consequent kan opvolgen. Ook stelt [eiser] dat vanwege de combinatie van ADHD en ASS, chronische pijn, de slaapproblematiek en omdat hij snel over zijn grenzen gaat ten onrechte geen preventieve urenbeperking van 4 uur per dag en 20 uur per week is aangenomen.
3.1.
Verder stelt [eiser] dat hij vanwege zijn beperkingen niet in staat is om de geselecteerde functies te verrichten. Ook is er een discrepantie tussen deze eerstejaars ZW-beoordeling in 2024 en de aan hem toegekende indicatie banenafspraak in 2022. Toen is onder meer geconcludeerd dat hij volledig en duurzaam beperkt wordt geacht in zijn verdienvermogen, niet in staat is het wettelijk minimumloon per maand te verdienen en dat drempelfuncties niet passend zijn. Het UWV concludeert twee jaar later dat hij wel in staat zou zijn om algemeen geaccepteerde arbeid te verrichten en dat hij daarmee wel 100% van zijn verdiencapaciteit kan benutten, dit ondanks dezelfde aandoeningen.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank is van oordeel dat het UWV de ZW-uitkering onterecht per 15 juni 2024 (datum in geding) heeft beëindigd. De rechtbank licht dit als volgt toe.
4.1.
Het UWV mag zijn besluiten over de eerstejaars ZW-beoordeling baseren op rapporten van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen. Deze rapporten moeten wel aan een aantal voorwaarden voldoen: zij moeten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, ze mogen geen tegenstrijdigheden bevatten en de conclusies moeten logisch volgen uit de rapporten.
4.2.
Tijdens de zitting is desgevraagd aangegeven dat de beroepsgrond over de banenafspraak niet langer in geschil is, omdat de arbeidsdeskundige B&B in het rapport van 17 april 2026 een afdoende motivering hiervoor heeft gegeven.
Verzekeringsgeneeskundige beoordeling
4.3.
De primaire arts heeft de medische informatie beoordeeld en op 14 maart 2024 een spreekuur gehouden. Volgens de arts heeft [eiser] zich ziekgemeld in verband met al lang bestaande gezondheidsklachten. Hij werkte als koerier, waarbij hij veel moest
tillen/dragen en autorijden. Dit heeft ervoor gezorgd dat vooral zijn nek-, rug- en armklachten rechts toenamen. Daarnaast blijkt uit de medische voorgeschiedenis dat bij [eiser] sprake is van ADHD en ASS, kyfoscoliose, strabismus, nekklachten, schouderklachten rechts, handklachten rechts en been/voetklachten rechts. Volgens de arts is [eiser] arbeidsongeschikt voor koerierswerk, maar is hij wel belastbaar voor passende werkzaamheden. Daarbij dient wel rekening gehouden te worden met verschillende mentale- en fysieke beperkingen. Deze beperkingen zijn vastgesteld in de FML van 4 april 2024. [eiser] is ook bekend met strabismus en heeft daardoor last van dubbelbeelden. De visus blijkt goed, maar gezien de diplopie is het volgens de arts aannemelijk dat er problemen ontstaan bij langdurig beeldschermwerk. Daarom geldt ook daarvoor een beperking. Ook is om die reden een goed verlichte werkplek aangewezen.
4.4.
De verzekeringsarts B&B heeft ook een spreekuur gehouden en medische informatie opgevraagd bij de huisarts. In het rapport van 22 november 2025 is geconcludeerd dat er geen medische argumenten zijn om de vastgestelde belastbaarheid te wijzigen. Met de aandoeningen ADHD en ASS is rekening gehouden. Zo is [eiser] aangewezen op werk zonder afleiding en zonder veelvuldige storingen en onderbrekingen. Hij is aangewezen op structuur en regelmaat, waarbij geen sprake mag zijn van sterk wisselende uitvoeringsmogelijkheden. Vanwege het sociale aspect gelden er ook beperkingen voor leidinggeven, samenwerken en intensief contact met klanten/patiënten. Ook gelden er beperkingen voor werk in de nacht of in de late avond. Met betrekking tot de fysieke beperkingen concludeert de verzekeringsarts B&B dat [eiser] enkele trauma’s heeft doorgemaakt, waardoor hij locomotore klachten heeft ontwikkeld. Hiervan heeft de curatieve sector aangegeven dat de klachten atypisch zijn, maar dat forse belasting zal leiden tot meer klachten. Bovennormale en hoogfrequente belasting dienen voorkomen te worden. Daarom zijn in de FML terecht verschillende beperkingen vastgesteld in de rubrieken ‘Fysieke omgevingseisen’, ‘Dynamische handelingen’ en ‘Statische houdingen’. Ook voor diplopie zijn volgens de verzekeringsarts B&B voldoende beperkingen vastgesteld.
4.5.
In het rapport van 13 april 2026 concludeert de verzekeringsarts B&B dat de beroepsgronden geen aanleiding geven om de beoordeling te wijzigen, omdat de vastgestelde beperkingen al voldoende rekening houden met de verschillende gezondheidsklachten. Wel is met de FML van 14 april 2025 een extra beperking vastgesteld voor overwerken. Het is van belang dat [eiser] enigszins wordt afgebakend, omdat hij zijn grenzen moeilijk kan aangeven. Voor een (verdergaande) urenbeperking is volgens de verzekeringsarts B&B geen aanleiding. Met de diagnoses voldoet de gezondheidssituatie van [eiser] niet aan de indicatiegebieden van de Standaard Duurbelastbaarheid in Arbeid. [eiser] is niet verminderd beschikbaar vanwege intensief te volgen behandelingen. Ook is bij hem geen sprake van een ernstige aandoening waarbij energie wordt verloren of waarbij het hem meer energie kost. Daarnaast bestaat uit preventief oogpunt geen noodzaak tot een urenbeperking, omdat al forse taakinhoudelijke beperkingen zijn vastgesteld. Uit het dagverhaal blijkt ook niet van bovennormale rustmomenten. Weliswaar rustte [eiser] een uur na een werkdag, maar dit is om zijn nek te ontlasten en niet vanwege energetische belemmeringen.
4.6.
De rechtbank is van oordeel dat de beperkingen als gevolg van de mentale- en fysieke gezondheidsklachten inzichtelijk en navolgbaar zijn gemotiveerd. Het niet aannemen van een (verdergaande) urenbeperking is alles afwegend echter ontoereikend gemotiveerd. De rechtbank is in dit concrete geval van oordeel dat per datum in geding ten onrechte geen preventieve urenbeperking van 4 uur per dag en 20 uur per week is vastgesteld. Begeleider [naam] die [eiser] al jaren begeleidt en goed kent is door het UWV niet om informatie gevraagd. Hij heeft tijdens de zitting overtuigend toegelicht dat [eiser] zelfs bij de dagbesteding dusdanige beperkingen ondervindt dat het hem niet lukt om goed te functioneren. Zo lukt het hem niet om de laswerkzaamheden op een normaal tempo te verrichten. Daarom is er een lage belasting. Desondanks heeft hij om het kwartier een pauze nodig. Ook heeft [naam] overtuigend toegelicht dat [eiser] veel energie heeft, maar zijn grenzen niet goed kent. Dit leidt ertoe dat hij telkens over zijn grenzen heen gaat. Ook de gemachtigde van [eiser] heeft dat overtuigend toegelicht en daarbij gewezen op de informatie van 25 september 2025 van de huisarts. De rechtbank is gelet op deze toelichting ter zitting van oordeel dat aannemelijk is geworden dat de combinatie van gezondheidsklachten en het feit dat [eiser] zijn grenzen telkens over gaat, aanleiding geven voor een urenbeperking op preventieve gronden van 4 uur per dag en 20 uur per week.
4.7.
Gelet op de wens het geschil definitief te beslechten neemt de rechtbank met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zelf een beslissing. Hiervoor ziet de rechtbank mede aanleiding omdat er een beperkte periode is gelegen tussen de datum in geding (15 juni 2024) en de eindewachttijd per 29 januari 2025 voor de WIA [1] -beoordeling en omdat die periode inmiddels is verstreken. Zoals ter zitting met partijen is besproken leidt de urenbeperking van 4 uur per dag en 20 uur per week ertoe dat onvoldoende functies resteren om de schatting op te baseren. De rechtbank voorziet daarom zelf en herroept het beëindigingsbesluit van 14 mei 2024. Omdat de wachttijd inmiddels is verstreken kan [eiser] een WIA-aanvraag bij het UWV indienen. De rechtbank merkt hierbij op dat de WIA-beoordeling een zelfstandige beoordeling is en dat opnieuw moet worden beoordeeld of een urenbeperking nodig is.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. Dit is in strijdt met artikel 7:12 van Pro de Awb. Dit betekent dat [eiser] gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit van 18 december 2025 en herroept het besluit van 14 mei 2024.
5.1.
Omdat het beroep gegrond is moet het UWV het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het UWV moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 18 december 2025;
- herroept het besluit van 14 mei 2024;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
- veroordeelt het UWV in de proceskosten tot een bedrag € 1.868,-;
- bepaalt dat het UWV het griffierecht van € 54,- aan [eiser] moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.T. de Kwaasteniet, rechter, in aanwezigheid van
J.T. Boddeüs, griffier. Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.