Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:3309

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
12 juni 2026
Zaaknummer
AK_26_253
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.3.2 Wmo 2015
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing gedeeltelijke maatwerkvoorziening individuele begeleiding Wmo 2015

Eiseres, een 66-jarige alleenstaande vrouw, vroeg een maatwerkvoorziening aan op grond van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning 2015 (Wmo 2015), waaronder dagbesteding, vervoer en individuele begeleiding. Het college kende haar dagbesteding en vervoer toe, maar wees de aanvraag voor individuele begeleiding af. Eiseres was het niet eens met deze gedeeltelijke afwijzing en stelde beroep in.

De rechtbank beoordeelde het ondersteuningsplan en het bestreden besluit. Uit het ondersteuningsplan bleek dat eiseres sinds voorjaar 2024 minder gebruik maakte van individuele begeleiding en zich redelijk zelfstandig wist te redden. De begeleiding werd om de week gegeven en bestond vaak uit korte gesprekken. Mediant, de zorgaanbieder, zag geen noodzaak voor verlenging van de individuele begeleiding. Eiseres voerde aan dat zij vaste begeleiding nodig had vanwege haar aandoeningen en eenzaamheid, maar dit werd onvoldoende onderbouwd.

De rechtbank oordeelde dat de algemene voorziening en de toegekende dagbesteding voldoende tegemoetkomen aan haar ondersteuningsbehoefte. Er was geen reden om een deskundige te benoemen. Het beroep werd ongegrond verklaard, het bestreden besluit bleef in stand en eiseres kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de gedeeltelijke afwijzing van de Wmo-aanvraag voor individuele begeleiding is ongegrond verklaard en het besluit van het college blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Almelo
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 26/253

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], ([eiser])

(gemachtigde: mr. L. de Widt),
en

het college van burgemeester en wethouders van Enschede, het college

(gemachtigde: [gemachtigde]).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van [eiser]. [eiser] heeft naar aanleiding van haar hulpvraag een maatwerkvoorziening aangevraagd op grond van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Het college heeft deels een maatwerkvoorziening toegekend en deze voor het overige afgewezen. [eiser] is het niet eens met de gedeeltelijke afwijzing. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. [eiser] krijgt geen gelijk en het beroep is daarom ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.

Procesverloop

2. [eiser] heeft een aanvraag ingediend voor een maatwerkvoorziening dagbesteding inclusief vervoer en een maatwerkvoorziening begeleiding op grond van de Wmo 2015.
Het college heeft met het besluit van 26 mei 2025 [eiser] een maatwerkvoorziening toegekend in de vorm van dagbesteding basis, voor 1 dagdeel per week voor de periode van 26 mei 2025 tot en met 26 mei 2028 en vervoer wmo, 1 retourrit per week, beiden in de vorm van Zorg in Natura (ZIN). De aanvraag voor individuele begeleiding is afgewezen.
Met het bestreden besluit van 23 december 2025 op het bezwaar van [eiser] is het college bij het besluit van 26 mei 2025 gebleven.
2.1.
[eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 17 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser], haar gemachtigde, en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. [eiser] is een 66-jarige alleenstaande vrouw. Zij ontving sinds enige tijd vanuit de Wmo 2015 verschillende voorzieningen. Zij ontving, voor zover thans van belang, dagbesteding bij Mediant in Hengelo, met als einddatum 25 mei 2025. De indicatie had een looptijd van drie jaar. Voorts ontving [eiser] individuele begeleiding door Mediant OZL, met als einddatum 25 mei 2025, waarbij de indicatie een looptijd had van anderhalf jaar; en vervoer van en naar de dagbesteding, met een regiotaxipas.
3.1
[eiser] heeft zich bij het college gemeld met een ondersteuningsvraag, waarbij zij heeft gemeld dat zij haar huidige voorziening van dagbesteding en individuele begeleiding zou willen voortzetten.
3.2
Op 8 mei 2025 heeft een zogenoemd keukentafelgesprek plaatsgevonden om de ondersteuningsvraag van [eiser] in kaart te brengen.
Naar aanleiding van het keukentafelgesprek is een conceptondersteuningsplan op
26 mei 2025 aan [eiser] voorgelegd ter inzage en correctie en naar aanleiding van een aantal opmerkingen van haar is het ondersteuningsplan op 10 juni 2025 definitief gemaakt.
3.3
Het ondersteuningsplan vermeldt, voor zover thans van belang, dat [eiser] beperkingen ervaart in de zelfredzaamheid en/of participatie. Volgens het ondersteuningsplan is zij op eigen kracht deels in staat de beperkingen op te heffen. Gebruikelijke hulp is niet aanwezig, mantelzorg of hulp vanuit het sociale netwerk is mogelijk voor ondersteuning bij het ondernemen van leuke dingen en het verdriet en stress van zich afpraten.
Ten aanzien van [eiser]’s vragen rondom administratie, het begrijpelijk maken van de inhoud van brieven en het bellen naar instanties kan dit worden opgelost door hulp te vragen bij de Wijkwijzer, zijnde een algemene voorziening. Lijkt de vraag meer structureel dan kan de Wijkwijzer helpen om [eiser] aan te melden bij bijvoorbeeld Alifa thuisadministratie. Ze krijgt dan ondersteuning bij de administratie door een vast persoon. Individuele begeleiding is daarom niet noodzakelijk volgens het ondersteuningsplan.
3.4
Hierna heeft [eiser] een aanvraag ingediend. Het college heeft met inachtneming van het ondersteuningsplan het primaire besluit genomen.
Beroepsgronden
4. [eiser] stelt alleen beroep in tegen de afwijzing van de verlenging van haar indicatie voor de individuele ondersteuning. [eiser] heeft jarenlang een maatwerkvoorziening gekregen, omdat zij haar beperking niet op een andere manier kon verminderen of wegnemen. Dit is ook niet veranderd. [eiser] heeft nog steeds deze begeleiding en activering nodig. Zij heeft gewezen op haar eenzaamheid. Ze wil onderdeel uitmaken van de samenleving. Dat is een Wmo-doel. [eiser] heeft het nodig dat structuur in haar dag wordt gebracht, zodat ze komt tot iets. Ze heeft hulp nodig bij het meegaan naar afspraken.
Jarenlang is de individuele ondersteuning in het kader van de Wmo toegekend op basis van ZIN en werd deze uitgevoerd door Mediant. De afgelopen periode van ongeveer twee jaren verliepen heel erg stroef. Er werd zeer vaak gewisseld van begeleider, wat juist voor de aandoeningen waarmee [eiser] is gediagnostiseerd een probleem vormt. Het verbaast haar dan ook niet dat Mediant in haar stukken heeft gezet dat wat hun betreft de begeleiding niet meer nodig is. Dit is echter een gekleurd en ook onjuist standpunt, omdat zij heeft geklaagd over de wijze van begeleiding. Temeer daar zij toen heeft gezegd dat, als er geen verbetering plaats zou vinden in de samenwerking en de begeleiding door een vast persoon, die wel de nodige begeleiding aan [eiser] kon bieden, zij dan niet langer gebruik wilde maken van de dienstverlening van Mediant.
De algemene voorziening volstaat niet, omdat [eiser] belang heeft bij vaste gezichten en een vertrouwd contact met haar individuele begeleiding.
[eiser] verzoekt om een deskundige te benoemden, die kan nagaan of de verzochte maatwerkvoorziening in de vorm van de individuele begeleiding van belang is.

Beoordeling door de rechtbank

5. De rechtbank beoordeelt de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van [eiser].
5.1.
De rechtbank volgt [eiser] niet in haar betoog en overweegt daartoe als volgt.
Het ondersteuningsplan vermeldt onder meer het volgende:
“(…) De laatste jaren waren de doelen hier praktisch en gericht op afronden. Mevrouw maakte steeds minder gebruik van de individuele begeleiding. Met de vorige begeleider had ze geen goede klik, maar sinds december 2024 heeft ze een nieuwe begeleider met wie het beter klikt. Het afgelopen jaar is meermaals contact geweest met mevrouw en Mediant over de begeleiding. Er waren onduidelijkheden over de fysieke afspraken en wanneer begeleiding binnen kwam was ze soms al met 5 minuten weer weg omdat er niets te bespreken was.”
en
“ (…) Mevrouw heeft in het voorjaar van 2024 wekenlang geen afspraken met begeleiding gehad en in die periode heeft mevrouw zich goed weten te redden, gaf ze destijds aan. Mevrouw weet zelf wat ze kan doen bij panieksituaties en stress en heeft zelf telefoontjes met instanties gepleegd. Om die reden is in mei 2024 mondeling afgesproken om de begeleidingsmomenten te verminderen; begeleiding zou om de week langskomen en indien er in de tussentijd iets nodig was zou mevrouw contact opnemen met de begeleiding, waarbij besproken zou worden wat mevrouw dan nodig zou hebben.
Begeleider gaf aan dat het contact toen vrijwel volledig telefonisch plaats vond en dat dit korte gesprekken waren. Af en toe spraken ze fysiek af, maar vaak was het gesprek dan na ongeveer 20 minuten weer klaar. Begeleider gaf aan dat wanneer dagbesteding aanwezig zou blijven voor de ondersteuning bij het van de bank af komen, er geen blijvende individuele begeleiding nodig zou zijn en dat afbouwen van de individuele begeleiding voor 25 mei 25 haalbaar zou moeten zijn. N.a.v. dat telefoontje en het andere onderzoek dat destijds bij de WMO liep zijn in november 2024 de resultaten officieel aangepast.
In maart 2025 heeft de nieuwe begeleider van mevrouw aangegeven dat mevrouw verlenging van de begeleiding wenst, maar dat zij en haar collega’s geen noodzaak voor verlenging zien. Mevrouw heeft wat kleine hulpvragen, zoals het helpen opruimen boven op kasten, bellen naar bijv. de Woonplaats en gaat zelfstandig naar bijvoorbeeld het juridisch loket. Mediant is van mening dat voorliggende voorzieningen meer passend zijn voor mevrouw. Afspraken met mevrouw vinden om de week plaats. Mevrouw komt naar het kantoor van Mediant. Soms duurt een afspraak 20 minuten, soms 40. Wanneer ze antwoord op haar vragen heeft gaat ze weer en de vragen zijn puur praktisch. Meestal heeft mevrouw eerst zelf al geprobeerd contact op te nemen met instanties en is ze er niet uitgekomen. Ze vraagt dan hulp van begeleiding bij het bellen. Ook bestaan de begeleidingscontacten incidenteel uit het uitleg geven aan inhoud van brieven en het leggen van de juiste contacten met instanties/het onderhouden van contacten met instanties.”
5.2.
Uit bovenstaande citaten uit het ondersteuningsplan blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat [eiser] vanaf voorjaar 2024 steeds minder individuele begeleiding heeft gebruikt dan waar zij recht op had en dat zij zich (daarmee) ook goed wist te redden. Dat Mediant zou hebben gemeld dat zij minder individuele begeleiding nodig zou hebben, omdat [eiser] had gezegd dat zij mogelijk geen gebruik meer zou willen maken van hun dienstverlening, wordt niet gevolgd, omdat dit onvoldoende is onderbouwd. Daar komt bij dat [eiser] blijkens de rapportage gedurende een periode een begeleider had waarmee zij geen klik had, maar dat zij sinds december 2024 een nieuwe vaste begeleider had, waarmee zij een goede klik had. Dit is door [eiser] niet bestreden. Ondanks dat blijkt dat zij feitelijk steeds minder gebruik is gaan maken van de individuele begeleiding.
Ook het betoog van [eiser] dat zij al jarenlang begeleiding had en dat reeds daaruit zou volgen dat zij niet zonder kan, wordt evenmin gevolgd. De Wmo 2015 is er immers op gericht haar daar te ondersteunen waar nodig is, en in de afgelopen jaren heeft [eiser], zich blijkens het ondersteuningsplan, zelfstandig getoond in het contact op nemen met instanties en hulp vragen waar nodig. Daar waar zij incidenteel nog wel hulp en ondersteuning nodig heeft, is een algemene voorziening beschikbaar. Uit het ondersteuningsplan blijkt dat ook in dat geval een vaste medewerker aangewezen kan worden.
Het college heeft er ter zitting op gewezen dat als [eiser] daar behoefte aan heeft een vaste medewerker van het Sociaal Wijkteam een eerste keer met haar mee kan gaan naar deze algemene voorziening, mocht zij daartoe een drempel ervaren.
Voorts heeft [eiser] weliswaar aangevoerd dat zij individuele begeleiding nodig heeft om haar eenzaamheid te verhelpen. De rechtbank wijst er echter op dat dagbesteding wel degelijk is toegekend door het college. Deze voorziening is juist daar op gericht.
[eiser] heeft voorts niet onderbouwd waarom de algemene voorziening niet zou kunnen voorzien in haar ondersteuningsbehoefte.
[eiser] heeft ten slotte geen (medische) informatie overgelegd waaruit een ander beeld naar voren komt dan dat het ondersteuningsplan schetst. De rechtbank ziet daarom ook geen reden tot het inschakelen van een deskundige.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. [eiser] krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.W.H. Oude Aarninkhof, rechter, in aanwezigheid van mr. E.G.M. ten Kate, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
Artikel 2.3.2
1. Indien bij het college melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, voert het college in samenspraak met degene door of namens wie de melding is gedaan en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel diens vertegenwoordiger, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes weken, een onderzoek uit overeenkomstig het tweede tot en met achtste lid. Het college bevestigt de ontvangst van de melding.
2 Voordat het onderzoek van start gaat, kan de cliënt het college een persoonlijk plan overhandigen waarin hij de omstandigheden, bedoeld in het vierde lid, onderdelen a tot en met g, beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen. Het college brengt de cliënt van deze mogelijkheid op de hoogte en stelt hem gedurende zeven dagen na de melding, bedoeld in het eerste lid, in de gelegenheid het plan te overhandigen.
3 Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger voor het onderzoek op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning.
4 Het college onderzoekt:
a. de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt;
de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;
de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;
de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt;
de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, onderscheidenlijk de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;
de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid, zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang;
welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.1.4 en 2.1.4a, verschuldigd zal zijn.
5 Indien de cliënt een persoonlijk plan als bedoeld in het tweede lid aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek als bedoeld in het vierde lid, onderdelen a tot en met g.
6 Bij het onderzoek wordt aan de cliënt dan wel diens vertegenwoordiger medegedeeld welke mogelijkheden bestaan om te kiezen voor de verstrekking van een persoonsgebonden budget. De cliënt dan wel diens vertegenwoordiger wordt in begrijpelijke bewoordingen ingelicht over de gevolgen van die keuze.
7 De cliënt dan wel diens vertegenwoordiger verschaft het college de gegevens en bescheiden die voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.
8 Het college verstrekt de cliënt dan wel diens vertegenwoordiger een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek.
9 Een aanvraag als bedoeld in artikel 2.3.5 kan niet worden gedaan dan nadat het onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen de in het eerste lid genoemde termijn.