ECLI:NL:RBOVE:2026:3314

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
13 juni 2026
Zaaknummer
C/08/341341 / HA ZA 25-410
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H.B. de Hek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:105 BWArt. 3:170 BWArt. 6:174 BWArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering recht van overpad en bewijsopdracht inzake lekkage en gezamenlijke kosten

In deze civiele zaak vordert partij A een verklaring voor recht dat hij door verjaring een recht van overpad heeft verkregen over het perceel van partij B. De rechtbank wijst deze vordering af omdat partij A onvoldoende heeft gemotiveerd dat het recht door ondubbelzinnig bezit is verkregen. Partij B vordert in reconventie vergoeding van de helft van de kosten voor reparaties aan een gezamenlijke rioolput en aansluiting op het hoofdriool, alsmede een verklaring voor recht dat partij A aansprakelijk is voor schade door lekkage veroorzaakt door gebreken aan het dak en de dakgoot van partij A. De rechtbank wijst de kostenvergoedingsvorderingen af omdat voorafgaand overleg ontbrak en de urgentie niet is aangetoond.

De rechtbank stelt vast dat het pand van partij A niet voldeed aan de eisen die men aan een opstal mag stellen, met gebreken aan dak, dakgoot en loodwerk die waterinfiltratie kunnen veroorzaken. Partij B heeft gesteld dat deze gebreken hebben geleid tot lekkage in hun pand, maar partij A heeft dit gemotiveerd betwist en twijfels geuit over het rapport van de door partij B ingeschakelde deskundige. De rechtbank geeft partij B de gelegenheid bewijs te leveren dat de lekkage daadwerkelijk is veroorzaakt door waterinfiltratie tussen de muur van partij A en de dakgoot.

De rechtbank veroordeelt partij A in de proceskosten en bepaalt dat de zaak op 29 april 2026 zal worden voortgezet voor bewijslevering. Alle overige beslissingen in reconventie worden aangehouden tot na bewijslevering.

Uitkomst: Vordering recht van overpad afgewezen, kostenvergoedingen afgewezen, bewijsopdracht voor lekkageaansprakelijkheid gegeven.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: C/08/341341 / HA ZA 25-410
Vonnis van 15 april 2026
in de zaak van
[partij A],
te [woonplaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij A] ,
advocaat: mr. E. Nijhoff,
tegen

1.[partij B1] ,

te [woonplaats 2] ,
2.
[partij B2],
te [woonplaats 3] ,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [partij B] ,
advocaat: mr. G.J. Hollema.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord in conventie tevens houdende conclusie van eis in reconventie
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de conclusie van antwoord in reconventie
- de descente en aansluitende mondelinge behandeling van 2 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De samenvatting

2.1
[partij A] vordert in conventie een verklaring voor recht dat hij door verjaring een recht van overpad heeft verkregen over het perceel van [partij B] De rechtbank wijst de vordering af, omdat [partij A] onvoldoende duidelijk heeft gemaakt door welk handelen dat recht zou zijn verkregen. [partij B] vorderen in reconventie dat [partij A] wordt veroordeeld om de helft te betalen van de kosten die zij hebben gemaakt voor reparaties aan de beweerdelijk gezamenlijke rioolput en de aansluiting op het hoofdriool. De rechtbank zal deze vorderingen bij eindvonnis afwijzen, omdat [partij B] geen voorafgaand overleg hebben gevoerd met [partij A] over het maken van de kosten. [partij B] hebben in reconventie ook gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat [partij A] aansprakelijk is voor de schade die door de gebrekkige staat van het pand van [partij A] zou zijn ontstaan aan het pand van [partij B] Omdat [partij A] voldoende gemotiveerd heeft betwist dat de gestelde schade is ontstaan door zijn dak of dakgoot, stelt de rechtbank [partij B] in de gelegenheid om te bewijzen dat dit wel het geval is.

3.De feiten

3.1
[partij A] is sinds 7 oktober 2024 eigenaar van het perceel dat kadastraal bekend is als [perceel 1] (hierna: perceel [perceel 1]). Op dit perceel staat een pand met het adres [adres 1] , met aan de voorzijde een ingang naar de [adres 2] . Het perceel grenst aan de achterzijde aan perceel [perceel 2] (hierna: perceel [perceel 2]). Dit perceel is vanuit de tuin van perceel [perceel 1] te bereiken via een witte deur, die – vanaf perceel [perceel 1] bezien – uitkomt onder de brandtrap die hoort bij het pand op perceel [perceel 2].
3.2
[partij B] zijn eigenaar van het perceel [perceel 2]. Op dit perceel staat een pand met de adressen [adres 3] en [adres 4] (hierna gezamenlijk: [adres 3]). Het pand heeft aan de voorzijde een deur naar de [adres 2] . Aan de zijkant is een deur die leidt naar de tuin van perceel [perceel 2]. Vanuit deze tuin is, via een zwarte deur, de [adres 5] te bereiken. De eerder genoemde witte deur is onderdeel van de afscheiding tussen het perceel [perceel 2] en perceel [perceel 1].
3.3
De panden aan de [adres 1] en [adres 3] staan naast elkaar. Ze hebben beide een eigen buitenmuur en tussen de buitenmuren zit enige ruimte. Het pand aan de [adres 1] heeft een dakgoot, die ook is vastgemaakt aan de muur van het pand aan de [adres 3]. Het water van het pand aan de [adres 1] stroomt via het schuine dak in de dakgoot. Het pand aan de [adres 3] heeft een plat dak. Het water van het pand aan de [adres 3] stroomt via een regenpijp gedeeltelijk in dezelfde dakgoot en wordt gedeeltelijk op andere wijze afgevoerd.
3.4
In november 2025 hebben [partij B] geconstateerd dat er een lekkage was in de rioolput voor het pand aan de [adres 3]. [partij B] hebben de reparatiekosten ter hoogte van € 538,45 betaald. Daarna hebben zij [partij A] gevraagd om de helft van deze kosten te dragen, omdat het volgens hen een gezamenlijke rioolput zou betreffen. [partij A] heeft geweigerd de helft van de kosten te betalen. [partij B] hebben daarna een inspectierapport ten koste van € 269,22 laten opstellen, waaruit zou blijken dat de rioolput gezamenlijke eigendom was en reparatie behoefde. Diezelfde maand hebben [partij B] geconstateerd dat ook de – volgens hen gezamenlijke – aansluiting op het hoofdriool in het pand aan de [adres 3] moest worden vervangen. Zij hebben de kosten van € 2.359,50 betaald. [partij B] hebben [partij A] gevraagd de helft van de gemaakte kosten te betalen. [partij A] heeft dit geweigerd.
3.5
In november 2025 hebben [partij B] geconstateerd dat er een lekkage is geweest in het pand aan de [adres 3], aan de zijde waar het pand grenst aan de dakgoot van het pand aan de [adres 1] . [partij B] hebben vervolgens een reparateur ingeschakeld, [bedrijf] BV (hierna: [bedrijf]). [bedrijf] heeft een rapport opgemaakt en geconstateerd dat de lekkage in het pand aan de [adres 3] te wijten is aan de staat van het dak, de dakgoot en het loodwerk van het pand aan de [adres 1] . [partij B] hebben [partij A] aansprakelijk gesteld. [partij A] heeft aansprakelijkheid ontkend.

4.Het geschil in conventie

4.1
[partij A] vordert – samengevat – dat voor recht wordt verklaard dat hij door verjaring een recht van overpad heeft verkregen om perceel [perceel 2] (als dienend erf) te mogen gebruiken om perceel [perceel 1] (het heersend erf) te verlaten richting de [adres 5]. Hij vordert ook dat dit recht door hem kan worden ingeschreven in de openbare registers en dat [partij B] hem op straffe van een dwangsom moeten toestaan van dit recht gebruik te maken, door de zwarte deur vrij toegankelijk te houden. Aan zijn vorderingen legt hij, voor zover relevant, ten grondslag dat de vorige eigenaren van perceel [perceel 1], de heer en mevrouw [naam], voornoemde witte deur hebben geplaatst tussen perceel [perceel 1] en perceel [perceel 2]. Dit zou blijken uit een Google Earth afbeelding uit juni 2009. Ook zouden de heer en mevrouw [naam] meer dan twintig jaar lang perceel [perceel 1] hebben verlaten via de tuin van perceel [perceel 2], richting de [adres 5].
4.2
[partij B] betwisten dat de heer en mevrouw [naam] perceel [perceel 1] meer dan twintig jaar lang hebben verlaten via perceel [perceel 2]. Volgens hen was dit onmogelijk, omdat de toegang tussen perceel [perceel 2] en de [adres 5] sinds juni 2014 is afgesloten door een zwarte deur. Volgens [partij B] zat de deur sindsdien op slot en hadden meneer en mevrouw [naam] geen sleutel. [partij B] betwisten niet dat een van de vorige eigenaren van perceel [perceel 1] een witte deur tussen beide percelen heeft geplaatst, maar volgens hen heeft die deur er geen twintig jaar gestaan en was deze deur, in ieder geval voor een gedeelte van de tijd dat deze er stond, ontoegankelijk gemaakt. [partij B] hebben daaraan toegevoegd dat het incidentele gebruik van de witte deur en het lopen over hun perceel onvoldoende is om door verjaring een recht van overpad te doen ontstaan.

5.De beoordeling in conventie

5.1
[partij A] doet een beroep op het ontstaan van een recht van overpad. Dit recht zou zijn ontstaan door verjaring van het recht om opheffing van een onrechtmatige toestand te vorderen (in de zin van artikel 3:105 BW Pro). Voor een geslaagd beroep daarop is vereist dat [partij A] stelt, en bij betwisting bewijst, dat hij en/of zijn rechtsvoorgangers zich meer dan twintig jaar lang ondubbelzinnig hebben gedragen als de bezitter van het recht van overpad. Het enkele gebruik van het perceel is in de regel onvoldoende om te kwalificeren als het ondubbelzinnig uitoefenen van het bezit van een recht van overpad, omdat iemand zich ook om een andere reden op het perceel van een ander kan bevinden.
5.2
Tijdens de descente heeft de rechtbank vastgesteld dat de [adres 5] vanaf perceel [perceel 1] alleen via perceel [perceel 2] te bereiken is door de zwarte deur op perceel [perceel 2]. [partij A] heeft niet gesteld dat hij een sleutel heeft van de zwarte deur. Hij heeft evenmin gesteld dat de zwarte deur zonder sleutel is te gebruiken. [partij A] heeft weliswaar gesteld dat zijn rechtsvoorgangers de witte deur tussen beide percelen hebben geplaatst, maar [partij B] hebben gemotiveerd betwist dat deze deur er meer dan twintig jaar stond en dat deze al die tijd bruikbaar was, nu deze volgens [partij B] in ieder geval voor een gedeelte van de tijd was dichtgetimmerd.
5.3
De rechtbank overweegt als volgt. Als al zou komen vast te staan dat meneer en mevrouw [naam] de afgelopen twintig jaren de tuin van perceel [perceel 2] hebben gebruikt om op de [adres 5] te komen, is het enkele gebruik van het perceel onvoldoende om te worden gezien als het ondubbelzinnig uitoefenen van het bezit van het recht van overpad. Het plaatsen en gebruiken van de witte deur kan wel een gedraging zijn waarmee het bezit van het recht van overpad is uitgeoefend (zie ook Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20 november 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:10140, op 15 mei 2020 door de Hoge Raad op grond van artikel 81 lid 1 RO Pro bekrachtigd: HR:2020:876). Maar [partij A] heeft, geconfronteerd met de standpunten van [partij B] over de ontoegankelijkheid van de witte en zwarte deur, onvoldoende gemotiveerd gesteld dat de witte deur meer dan twintig jaar lang is gebruikt en dat het slot op de zwarte deur in die periode geen belemmering was voor het uitoefenen van het recht van overpad. Tegen deze achtergrond mocht van [partij A] worden verwacht dat hij duidelijker had gemotiveerd waaruit zou blijken dat zijn rechtsvoorgangers zich meer dan twintig jaren lang ondubbelzinnig hebben gedragen als rechthebbende op het geclaimde recht van overpad. De rechtbank oordeelt daarom dat [partij A] onvoldoende (gemotiveerd) gesteld heeft voor toewijzing van zijn vordering.
5.4
De rechtbank zal de vorderingen van [partij A] daarom afwijzen.

6.Het geschil in reconventie

6.1
[partij B] vorderen, na wijziging van eis, – samengevat – dat [partij A] wordt veroordeeld om een bedrag van € 1.596,97 te betalen. Dit bedrag bestaat uit de helft van de kosten die [partij B] hebben betaald voor de reparatie van de rioolput en de aansluiting op het hoofdriool, vermeerderd met de kosten van het inspectierapport. Daarnaast vorderen [partij B] een verklaring voor recht dat [partij A] aansprakelijk is voor de schade die zij hebben geleden door de gebrekkige staat van de goot en het dak van het pand van [partij A] . Aan hun vorderingen leggen zij ten grondslag dat [partij B] en [partij A] de gezamenlijke eigenaren zijn van de rioolput en het hoofdriool en dat de reparaties nodig waren. Daarnaast zou de lekkage in het pand aan de [adres 3] volgens [bedrijf] zijn ontstaan door de gebrekkige staat van het dak en de dakgoot van het pand aan de [adres 1] .
6.2
[partij A] voert verweer. Hij betwist dat de rioolput en het hoofdriool gezamenlijke zaken zijn. Hij voert aan dat [partij B] voorafgaand aan het maken van de kosten overleg met hem hadden moeten voeren over de volgens hen te maken kosten. Omdat zij dat niet hebben gedaan, kunnen hun vorderingen niet worden toegewezen. [partij A] betwist dat de gestelde lekkages veroorzaakt zijn door de staat van zijn dak en dakgoot. Hij wijst daarbij op de gebrekkige staat van het pand van [partij B] Volgens hem kan de schade ook zijn ontstaan door de wijze waarop het hemelwater langs het pand van [partij B] wordt afgevoerd. Ook zet hij vraagtekens bij (de onafhankelijkheid van) het rapport van [bedrijf].

7.De beoordeling in reconventie

de gezamenlijke zaken
7.1
[partij B] baseren hun vorderingen op de stelling dat de rioolput en de aansluiting op het hoofdriool gezamenlijke zaken zijn en dat het nodig was om daaraan herstelwerkzaamheden te laten verrichten. De rechtbank maakt uit hun stellingen op dat [partij B] een beroep doen op artikel 3:170 BW Pro. Uit dit artikel volgt de hoofdregel dat besluiten over het beheer van de gezamenlijke eigendommen in gezamenlijkheid moeten worden genomen. Dit kan anders zijn als ingrijpen zo urgent is dat de mede-eigenaar niet meer vooraf geraadpleegd kan worden. Het is aan [partij B] om te stellen, en bij betwisting te bewijzen, dat sprake is van een dergelijke urgente situatie.
de rioolput
7.2
[partij B] hebben niet gesteld dat het nodig was om de werkzaamheden aan de rioolput uit te voeren zonder voorafgaand overleg met [partij A] . Omdat tussen partijen vaststaat dat dergelijk overleg ook niet heeft plaatsgevonden, zal de rechtbank de vordering bij eindvonnis afwijzen. Of de rioolpunt inderdaad gezamenlijk eigendom is, zoals door [partij B] gesteld en door [partij A] betwist, kan om die reden in het midden worden gelaten.
de aansluiting op het hoofdriool
7.3
Tijdens de mondelinge behandeling hebben [partij B] voor het eerst gesteld dat de werkzaamheden aan het hoofdriool teveel spoed hadden om voorafgaand daaraan overleg te plegen met [partij A] . [partij B] hebben desgevraagd verklaard dat zij na het constateren van het gestelde probleem met de rioolaansluiting eerst contact hebben gelegd met de gemeente. Het duurde enige tijd voordat de gemeente tijd had om naar de aansluiting te kijken. Nadat de gemeente de aansluiting had geïnspecteerd, heeft de gemeente bij [partij B] aangegeven het probleem niet te kunnen oplossen. Pas daarna hebben [partij B] zelf een reparateur ingeschakeld. Waarom [partij B] in de tussentijd geen mogelijkheid hadden om met [partij A] te overleggen, hebben zij – ook desgevraagd – niet kunnen verduidelijken. [partij B] hebben daarom onvoldoende gemotiveerd gesteld dat sprake was van een zodanig urgente situatie dat zij niet met [partij A] hoefden te overleggen.
7.4
Omdat vaststaat dat geen voorafgaand overleg heeft plaatsgevonden, zal de rechtbank de vordering bij eindvonnis afwijzen. Of de aansluiting op het hoofdriool inderdaad gezamenlijk eigendom is, zoals door [partij B] gesteld en door [partij A] betwist, kan om die reden in het midden worden gelaten.
de lekkage
7.5
Als grondslag voor de gevorderde verklaring voor recht hebben [partij B] een beroep gedaan op artikel 6:174 BW Pro. Voor de in dat artikel neergelegde opstalaansprakelijkheid is vereist dat de opstal niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen. Levert dat een gevaar op dat zich vervolgens verwezenlijkt, dan is de bezitter van de opstal in beginsel aansprakelijk. Vanwege de systematiek van artikel 6:174 BW Pro hoeven [partij B] niet te bewijzen dat [partij A] onrechtmatig heeft gehandeld. [partij B] moeten wel stellen, en bij betwisting bewijzen, dat het pand aan de [adres 1] niet voldeed aan de eisen die daaraan in de gegeven omstandigheden mochten worden gesteld, dat dit een gevaar opleverde voor hun pand, en dat dit gevaar zich heeft verwezenlijkt met de lekkage.
de eisen die men mag stellen aan de [adres 1] en de dakgoot
7.6
[partij B] hebben in dat kader gesteld dat het dak en de dakgoot van het pand aan de [adres 2] in gebrekkige staat verkeerde. Zij hebben enkele foto’s overgelegd waaruit dat zou blijken. Ook hebben zij een rapport laten opstellen door [bedrijf]. In dat rapport staat onder meer dat er constructieve gebreken zijn aan het dak, waardoor water aan de zijde van de [adres 1] achter de gootconstructie kan terechtkomen, in plaats van in de dakgoot. Ook constateert [bedrijf] dat de dakgoot sporen van slijtage vertoont. Het loodwerk tussen het pand aan de [adres 1] en de dakgoot zou ondeugdelijk zijn aangebracht, waardoor hemelwater tussen de muur van de [adres 1] en de dakgoot terecht zou kunnen komen. [partij A] heeft op zichzelf niet betwist dat zijn dak en dakgoot gebrekkig waren op het moment dat de gestelde lekkage zich zou hebben voorgedaan. Hij voert slechts aan dat het niet mogelijk is dat de lekkages aan het pand van [partij B] worden veroorzaakt door gebreken aan het dak, de goot of de loodconstructie van zijn pand. Op deze betwisting komt de rechtbank hierna terug (zie r.o. 7.10).
7.7
De rechtbank stelt vast dat het pand aan de [adres 1] niet voldeed aan de eisen die men daaraan mag stellen. Van een pand met dakgoot mag immers worden verwacht dat de dakgoot het hemelwater opvangt en vervolgens afvoert. Gebeurt dat niet, bijvoorbeeld omdat water tussen de muur en de dakgoot weglekt, dan voldoet de opstal niet aan de eisen die men daaraan mag stellen.
het gevaar dat het gebrek oplevert
7.8
[partij B] hebben – middels het rapport van [bedrijf] – gesteld dat voornoemd gebrek het gevaar oplevert van waterinfiltratie. Blijkens het rapport bedoelen zij daarmee dat hemelwater niet in de dakgoot terechtkomt, maar langs de muur naar beneden stroomt voordat het in de dakgoot kan terechtkomen. Dit komt volgens [bedrijf] doordat het dak gebrekkig is en het loodwerk tussen de muur van de [adres 1] en de dakgoot water doorlaat. [partij A] heeft twijfels geuit over de betrouwbaarheid van het rapport. Hij heeft evenwel niet specifiek betwist dat het gebrek aan zijn opstal kan leiden tot waterinfiltratie.
7.9
De rechtbank zal dus aannemen dat het geconstateerde gebrek het gevaar oplevert van waterinfiltratie. De rechtbank stelt daarbij vast dat [bedrijf] het specifieke gevaar van waterinfiltratie enkel relateert aan de staat van het dak en het loodwerk aan de zijde van de [adres 1] . [bedrijf] heeft niet geconstateerd dat de gebreken aan het dak, de dakgoot en het loodwerk ertoe leiden dat er waterinfiltratie plaatsvindt tussen de dakgoot en de muur van de [adres 3]. In deze procedure staat daarom het gevaar centraal van waterinfiltratie tussen de muur van de [adres 1] en de dakgoot.
de verwezenlijking van het gevaar
7.1
De te beantwoorden vraag is daarmee of waterinfiltratie tussen de muur van de [adres 1] en de dakgoot – of, anders gezegd: water dat de dakgoot niet bereikt maar via de muur van de [adres 1] naar beneden gaat – heeft geleid tot de lekkage in de [adres 3]. [partij B] stellen, onder verwijzing naar het rapport van [bedrijf], dat dit het geval is. [partij A] heeft gemotiveerd betwist dat een lekkage aan zijn pand kan leiden tot een lekkage in de [adres 3]. Hij heeft daarbij verwezen naar de vrije ruimte tussen de beide gebouwen, die het technisch onmogelijk zou maken dat de lekkage in de [adres 3] is veroorzaakt door zijn dak of dakgoot. Daarnaast heeft [partij A] opgemerkt dat het pand aan de [adres 3] ook een eigen systeem van afwatering heeft, middels regenpijpen die aan de muur zijn bevestigd. Volgens [partij A] kan de lekkage evengoed daardoor zijn veroorzaakt. Verder heeft [partij A] aangegeven dat de muren van de [adres 3] constructieve tekortkomingen hebben, omdat zij anders wel bestand zouden zijn tegen binnendringend regenwater. Tot slot heeft [partij A] kanttekeningen geplaatst bij de betrouwbaarheid, deskundigheid en onafhankelijkheid van [bedrijf], dat immers een opdrachtnemer is van [partij B] en ook andere werkzaamheden voor hen heeft verricht. Bij de totstandkoming van het rapport is het standpunt van [partij A] niet betrokken, zodat van een onafhankelijk rapport geen sprake kan zijn, volgens [partij A] .
7.11
De rechtbank overweegt dat [bedrijf], zoals [partij B] stellen, inderdaad met zoveel woorden constateert dat de lekkage in de [adres 3] het gevolg is van de staat van het dak en de dakgoot van de [adres 1] . [bedrijf] heeft deze constatering echter niet onderbouwd. Uit het rapport wordt het ook de rechtbank niet voldoende duidelijk op welke wijze water dat langs de muur van de [adres 1] naar beneden komt (waterinfiltratie), kan leiden tot lekkages in de [adres 3]. Tijdens de descente heeft de rechtbank immers gezien dat er, zoals [partij A] betoogt, ruimte zit tussen de buitenmuren van beide panden. Deze ruimte is ook te zien op de foto’s die beide partijen hebben overgelegd.
7.12
De rechtbank concludeert dan ook dat [partij B] voldoende gemotiveerd hebben gesteld dat hun schade het gevolg is van gebreken aan de opstal van [partij A] . Aan de andere kant heeft [partij A] voldoende gemotiveerd betwist dat de lekkage in het pand van [partij B] is veroorzaakt door waterinfiltratie tussen de dakgoot en de buitenmuur van het pand van [partij A] . De rechtbank zal [partij B] dan ook in de gelegenheid stellen om bewijs te leveren van de stelling dat de lekkage die in november 2023 is ontstaan aan de [adres 3], is veroorzaakt door waterinfiltratie tussen de muur van de [adres 1] en de dakgoot. De rechtbank merkt daarbij op dat de bewijsopdracht uitdrukkelijk is beperkt tot deze stelling. De rechtbank zal [partij B] dus niet toestaan om andere standpunten te betrekken ten aanzien van de oorzaak van de door hen gestelde schade.
slotsom reconventie
7.13
De rechtbank houdt verdere beslissingen over de lekkage aan tot na de bewijslevering. Om proceseconomische redenen zal de rechtbank ook de overige beslissingen in reconventie aanhouden.

8.De beslissing

De rechtbank
in conventie
8.1
wijst de vorderingen van [partij A] af,
8.2
veroordeelt [partij A] in de proceskosten van € 1.826,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [partij A] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
8.3
verklaart dit vonnis in conventie uitvoerbaar bij voorraad,
in reconventie
8.4
draagt [partij B] op te bewijzen dat de lekkage die in november 2023 is ontstaan aan de [adres 3], is veroorzaakt door waterinfiltratie tussen de muur van de [adres 1] en de dakgoot,
8.5
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
woensdag 29 april 2026voor uitlating door [partij B] of zij bewijs willen leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel,
8.6
bepaalt dat, als [partij B] geen bewijs door het horen van getuigen willen leveren maar wel
bewijsstukkenwillen overleggen, zij die stukken dan direct in het geding moeten brengen,
8.7
bepaalt dat, als [partij B]
getuigenwillen laten horen, zij de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden
junitot en met
augustusdan direct moeten opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,
8.8
bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de zitting van mr. H.B. de Hek, in het gerechtsgebouw te Almelo, Egbert Gorterstraat 5,
8.9
bepaalt dat
alle partijenuiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor
alle beschikbare bewijsstukkenaan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,
8.1
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.B. de Hek en in het openbaar uitgesproken op 15 april 2026.