ECLI:NL:RBOVE:2026:3320

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
13 juni 2026
Zaaknummer
11926018 \ CV EXPL 25-1894
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H.B. de Hek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:33 BWArt. 3:35 BWArt. 6:58 BWArt. 6:61 lid 2 BWArt. 6:74 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding koop- en installatieovereenkomst badkamer afgewezen wegens onvoldoende nakoming koper

Kopers sloten een overeenkomst met Showmagazijn voor de koop, levering en installatie van een badkamer, inclusief het verwijderen van de oude badkamer en aanpassing van leidingwerk. De levering van materialen vond plaats op 6 februari 2025, maar de kopers slaagden er niet in de materialen op de afgesproken plaats op te slaan, waardoor installatie op 10 februari niet mogelijk was. Showmagazijn annuleerde daarop de installatie.

De kopers stelden dat de overeenkomst was ontbonden en vorderden terugbetaling van het betaalde bedrag en het ophalen van de materialen. Showmagazijn stelde dat de kopers de overeenkomst hadden opgezegd en dat zij niet in verzuim waren. De kantonrechter oordeelde dat de opzegging niet rechtsgeldig was, omdat de kopers later op dezelfde dag hun wil tot uitvoering hadden geuit en Showmagazijn hieraan had moeten vasthouden.

Verder oordeelde de kantonrechter dat de kopers Showmagazijn onvoldoende gelegenheid hadden gegeven om alsnog te installeren, mede doordat zij zelf de opslag van materialen niet hadden geregeld zoals overeengekomen. Hierdoor verkeerde Showmagazijn niet in verzuim en was de ontbinding niet rechtsgeldig. De vorderingen van de kopers werden afgewezen en zij werden veroordeeld tot betaling van de proceskosten.

Uitkomst: De ontbinding van de overeenkomst is niet rechtsgeldig, waardoor de vorderingen van de kopers worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKOVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: 11926018 \ CV EXPL 25-1894
Vonnis van 12 mei 2026
in de zaak van

1.[eiser] ,

te [woonplaats 1] ,
2.
[eiseres],
te [woonplaats 2] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
gemachtigde: mr. R. Visser (ARAG SE Rechtsbijstand),
tegen
SHOWMAGAZIJN ALMELO B.V.,
te Almelo,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Showmagazijn,
gemachtigde: mr. S.J.M. Masselink.

1.De samenvatting

1.1
[eisers] hebben een badkamer gekocht bij Showmagazijn. De badkamer is niet geïnstalleerd. [eisers] hebben daarom de overeenkomst ontbonden. Zij willen nu hun geld terug. De kantonrechter oordeelt dat [eisers] de overeenkomst niet mochten ontbinden. Zij hebben Showmagazijn onvoldoende de kans gegeven om de badkamer alsnog te installeren, ook omdat zij zelf hebben veroorzaakt dat Showmagazijn de badkamer niet (op het afgesproken moment) kon installeren. Dit leidt tot afwijzing van hun vorderingen.

2.De procedure

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de mondelinge behandeling van 8 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
2.2
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1
Meneer [eiser] en mevrouw [eiseres] (hierna afzonderlijk: [eiser] en [eiseres] , en gezamenlijk: [eisers] ) hebben met Showmagazijn een overeenkomst gesloten voor de koop, levering en installatie van een badkamer. Ook is overeengekomen dat Showmagazijn de oude badkamer zou verwijderen en het leidingwerk zou aanpassen. [eisers] moesten hiervoor aan Showmagazijn in totaal een bedrag betalen van € 27.725,00. Zij hebben een aanbetaling gedaan van € 19.874,95.
3.2
Partijen hebben afgesproken dat Showmagazijn de spullen voor de badkamer op 6 februari 2025 zou leveren, zodat ze vanaf 10 februari 2025 door Showmagazijn konden worden geïnstalleerd. Showmagazijn heeft [eisers] per e-mail van 1 november 2024 meegedeeld dat de door haar te leveren spullen door [eisers] moesten worden opgeslagen “
op/in de buurt van de werkplek.” [eisers] hebben hun akkoord daarop gegeven met een e-mail van 2 november 2024. De algemene voorwaarden van Showmagazijn vermelden hierover in artikel 16.4 het volgende:

Onverminderd het hiervoor bepaalde zorgt de Klant in ieder geval en voor eigen rekening en risico dat:(…)
-
De aangewezen plaats van opstelling geschikt is voor opslag, montage, installatie, inbedrijfstelling(…)
-
Bij aanvang van en tijdens de montage/installatie de gezonden producten op de juiste plaats aanwezig te laten zijn.”
3.3
Showmagazijn wilde de spullen voor de badkamer afleveren op het afgesproken moment, in de ochtend van 6 februari 2025. [eiseres] heeft toen laten weten dat het niet ging lukken om alle materialen op te slaan op de werklocatie. [eiseres] heeft vervolgens gebeld met de heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ) van Showmagazijn. Wat tijdens dat telefoongesprek precies besproken is, staat tussen partijen niet vast. Zij zijn het er wel over eens dat door Showmagazijn is meegedeeld dat de badkamer niet zou worden geïnstalleerd als de spullen niet op de juiste plaats konden worden gezet. Na afloop van het telefoongesprek heeft [eiseres] geweigerd de spullen voor de badkamer in ontvangst te nemen. Zij heeft de chauffeur van Showmagazijn verzocht om de spullen weer mee terug te nemen. [naam 1] heeft de chauffeur van Showmagazijn de instructie gegeven om de spullen toch uit te laden. De chauffeur heeft de spullen voor de badkamer vervolgens uitgeladen en op de oprit en onder de carport van [eisers] geplaatst, terwijl [eiseres] dat probeerde te voorkomen. [naam 1] heeft de installateurs, die voor 10 februari 2025 waren ingepland, afgezegd.
3.4
In de middag van 6 februari 2025 heeft [eiser] contact opgenomen met Showmagazijn en gevraagd of hij langs mocht komen om het voorval te bespreken. [eisers] hebben diezelfde middag een gesprek gehad bij Showmagazijn. Tijdens dat gesprek heeft Showmagazijn zich op het standpunt gesteld dat [eiseres] de overeenkomst, of in ieder geval het installatiewerk, zou hebben opgezegd. [eisers] hebben het standpunt ingenomen dat Showmagazijn de badkamer moest komen installeren op 10 februari 2025. Dat was volgens Showmagazijn niet meer mogelijk, omdat zij de installateurs al had afgezegd. Showmagazijn heeft haar standpunt per e-mail van diezelfde dag bevestigd:

Op herhaaldelijk verzoek van uw vrouw hebben wij de werkzaamheden voor badkamer en toilet geannuleerd.
Om de werkzaamheden, op uw verzoek, alsnog uit te voeren moet ik u helaas teleurstellen dat dit niet meer lukt.
Wij zullen de factuur voor de eerste termijn van de arbeid en het meerwerk minus uitgevoerde werkzaamheden aan jullie crediteren.
De materialen die vandaag gebracht zijn en ook door u betaald zijn, kunnen niet retour.
Ik refereer hierbij aan onze verkoop/leveringsvoorwaarden die jullie van [naam 2] hebben ontvangen. Ook staat dit vermeld op jullie offerte, order en factuur waar jullie akkoord mee zijn gegaan.
Het spijt ons ten zeerste dat het zo heeft moeten lopen.”
3.5
Showmagazijn heeft vervolgens een bedrag van € 6.141,17 teruggestort. Op 7 februari 2025 hebben [eisers] een email gestuurd aan Showmagazijn en haar verzocht alsnog de gemaakte afspraken na te komen:

Tijdens de levering hebben wij gebeld met de showroom om aan te geven dat we niet zoveel plek hebben om dit in/op de werkplek op te slaan. Na een woord wisseling hebben jullie aangegeven niet meer de montage willen te doen. Dat betekend dat het contract word verbroken en wij dus ook het materiaal niet meer willen hebben als jullie het niet komen monteren incl demontage van de huidige badkamer gaan doen.(…)
Uiteindelijk zijn wij dezelfde middag (06-02-2025) naar de showroom gegaan om een gesprek aan te gaan waarom jullie het contract denken te verbreken(…)
Wij hebben in dit gesprek duidelijk en ook meerdere keren aangegeven dat wij willen dat jullie nog steeds alles gaan uitvoeren conform afspraak met kanttekening dat de communicatie niet meer met mevrouw [eiseres] word gedaan maar met meneer [eiser] .
U zou ons aan te geven of jullie de afspraken na zouden komen. Middels een mailtje heeft u gezegd dat u op aangeven van mevrouw [eiseres] de werkzaamheden niet door laten gaan. Dit is niet waar, wij zijn zelf nog naar de showroom geweest om aan te geven dat we willen dat alles doorgaat. U heeft zelf gezegd het niet meer te willen uit te voeren.
Met deze brief stellen wij u een laatste maal in de gelegenheid om de gemaakte afspraken na te komen.(…)
Indien u niet uiterlijk binnen 7 dagen na dagtekening van deze brief de gemaakte afspraken nakomt, [eiseres] u in verzuim en stellen wij u op grond van artikel 6:74 BW Pro aansprakelijk voor alle schade.”
3.6
Showmagazijn heeft aangegeven het niet eens te zijn met de email van [eisers] Verder is door Showmagazijn niet inhoudelijk gereageerd. Op 12 maart 2025 heeft de gemachtigde van [eisers] een sommatiebrief gestuurd aan Showmagazijn:

Op basis van uw overeenkomst met cliënt [eiseres] u gehouden om de tussen u overeengekomen werkzaamheden deugdelijk uit te voeren en vrij van gebreken/schade aan cliënt op te leveren. Uit het voorgaande blijkt dat daarvan in casu geen sprake is, zodat u verplicht [eiseres] de gebreken/schade kosteloos te herstellen.
Namens cliënt doe ik u nog een maal het verzoek, en voor zover rechtens vereist sommeer ik u daartoe, om de hiervoor genoemde gebreken te (doen) herstellen en wel uiterlijk binnen 14 dagen na dagtekening van deze brief.”
3.7
Showmagazijn heeft diezelfde dag afwijzend gereageerd en haar standpunt herhaald dat de overeenkomst door [eisers] is opgezegd. Op 24 maart 2025 heeft de gemachtigde van [eisers] een brief gestuurd aan Showmagazijn, waarin onder meer het volgende staat:

U heeft een deel van de met cliënt gesloten overeenkomst niet uitgevoerd, waarbij u inmiddels in verzuim verkeert.
Cliënt is derhalve gerechtigd om de met u gesloten overeenkomst met betrekking tot het demonteren van de oude badkamer en vervolgens plaatsen van een nieuwe badkamer buitengerechtelijk gedeeltelijk te ontbinden ex artikel 6:265 Burgerlijk Pro Wetboek, welke gedeeltelijk ontbinding bij dezen wordt ingeroepen. U dient deze brief derhalve uitdrukkelijk op te vatten als een verklaring strekkende tot gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst.
Ter verduidelijking, de overeenkomst wordt bijna in zijn geheel ontbonden. Enkel voor wat betreft de leiding die u in november 2024 al gelegd heeft en waarvoor cliënt € 833,72 betaald heeft blijft de overeenkomst in stand. Voor alle overige onderdelen wordt de overeenkomst ontbonden.
Dit houdt concreet in dat u een ongedaanmakingsverplichting heeft, in die zin dat u gehouden [eiseres] om het door cliënt teveel betaalde groot € 12.900,06 te restitueren. Tevens [eiseres] u gehouden om de reeds geleverde materialen weer op te komen halen.
3.8
Showmagazijn heeft daarop een gemachtigde ingeschakeld. Zij heeft op 11 mei 2025 aan [eisers] laten weten dat Showmagazijn bereid is de werkzaamheden te hervatten en de klus af te maken. Op 26 mei 2025 heeft de gemachtigde van [eisers] gereageerd met de mededeling dat [eisers] daarmee niet instemmen en willen vasthouden aan de ontbinding. Hij heeft Showmagazijn gesommeerd om het bedrag van € 12.900,06 te betalen, te vermeerderen met wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten. Showmagazijn heeft die betaling niet gedaan en heeft ook de spullen voor de badkamer niet opgehaald. Deze staan nog op de oprit en in de garage. [eisers] zijn vervolgens deze procedure begonnen.

4.Het geschil

4.1
[eisers] vorderen – samengevat – een verklaring voor recht dat de overeenkomst door hen rechtsgeldig is ontbonden, dat Showmagazijn wordt veroordeeld om de geleverde goederen bij [eisers] op te halen en dat Showmagazijn wordt veroordeeld aan [eisers] een bedrag te betalen van € 12.900,06, te vermeerderen met de wettelijke rente, buitengerechtelijke kosten en proceskosten.
4.2
Showmagazijn voert – samengevat – het volgende verweer. Zij stelt dat de overeenkomst door [eisers] is opgezegd, voordat [eisers] deze hebben ontbonden. Showmagazijn betwist dat zij in verzuim verkeert. Zij voert in dat kader aan dat zij zou hebben aangeboden de werkzaamheden uit te voeren, maar dat dit door [eisers] zou zijn geweigerd. Voor het geval dat de ontbinding rechtsgeldig is, beroept Showmagazijn zich erop dat zou zijn overeengekomen dat de geleverde materialen maatwerk betreffen en bij een ontbinding niet retour kunnen worden genomen, zodat de daarvoor door [eisers] betaalde prijs buiten de ongedaanmakingsverplichtingen valt. Showmagazijn doet ook een beroep op matiging en verwijst naar meerdere omstandigheden, zoals de opstelling van [eisers] , waardoor uitvoering van de overeenkomst verhinderd zou zijn.

5.De beoordeling

5.1
De vorderingen kunnen alleen worden toegewezen als komt vast te staan dat [eisers] het recht hadden om de overeenkomst (gedeeltelijk) te ontbinden. Alleen in dat geval ontstaan er immers ongedaanmakingsverbintenissen. Het meest vergaande verweer van Showmagazijn is dat de overeenkomst al voor de ontbinding door [eisers] was opgezegd. Is dat het geval, dan kan de overeenkomst niet zijn ontbonden en kunnen de vorderingen van [eisers] niet worden toegewezen. De kantonrechter zal daarom hierna eerst bespreken of de overeenkomst door [eisers] is opgezegd.
De opzegging
5.2
Een partij kan een overeenkomst als deze opzeggen. Of een partij heeft opgezegd, wordt beoordeeld aan de hand van wat deze partij heeft verklaard over diens wil om de overeenkomst al dan niet voort te zetten (zie artikel 3:33 BW Pro). De wederpartij mag de opzeggende partij houden aan een dergelijke verklaring, als zij uit die verklaring redelijkerwijs mocht begrijpen dat die ander de overeenkomst wilde opzeggen. Dit wordt de wilsvertrouwensleer genoemd (zie artikel 3:35 BW Pro).
5.3
Op grond van de stukken en op basis van wat partijen tijdens de mondelinge behandeling hebben verklaard, staat vast dat [eisers] de door Showmagazijn op 6 februari 2025 geleverde spullen voor de badkamer niet op de plaats van de werkzaamheden konden of wilden plaatsen. [eisers] hebben niet betwist dat is overeengekomen dat zij dit moesten doen. Showmagazijn had daarom het recht om te weigeren de badkamer te installeren zolang [eisers] de spullen niet op de plaats van de werkzaamheden zouden klaarzetten. Op grond van de verklaringen van partijen tijdens de mondelinge behandeling en de stukken staat ook vast hoe [eiseres] op deze mededeling heeft gereageerd. [eiseres] heeft verklaard dat zij de badkamer in dat geval niet meer wilde en dat zij de chauffeur heeft verzocht de spullen dan maar weer mee terug te nemen. Het is naar het oordeel van de kantonrechter begrijpelijk dat Showmagazijn dit heeft opgevat als een verklaring dat de overeenkomst werd opgezegd (artikel 3:33 BW Pro).
5.4
De vervolgvraag is of Showmagazijn [eisers] mocht houden aan deze verklaring, ook nadat [eisers] in de middag van diezelfde 6 februari 2025 bij Showmagazijn op bezoek zijn geweest. Partijen zijn het erover eens dat toen is besproken of Showmagazijn de badkamer (toch) nog wilde installeren. De kantonrechter leidt daaruit af dat [eisers] tijdens dit gesprek de wil hebben geuit om de overeenkomst te laten uitvoeren. Tegelijkertijd staat vast dat [eisers] tijdens dit gesprek niet veel zelfreflectie hebben getoond: zij hebben ook blijkens hun eigen verklaring tijdens het gesprek alle schuld bij Showmagazijn neergelegd en zich er bijvoorbeeld geen rekenschap van gegeven dat zij – in strijd met de afspraken – onvoldoende vrije ruimte in hun huis beschikbaar hadden gemaakt voor de spullen van de badkamer. Wat er verder ook zij van deze opstelling, het weegt voor de kantonrechter zwaarder dat [eisers] consumenten zijn, die tijdens de eerste gelegenheid die zich voordeed – diezelfde middag nog – bij Showmagazijn, een professionele badkamerverkoper, hebben aangegeven dat zij de badkamer (toch) geïnstalleerd wilden hebben. Showmagazijn had de verklaring van [eiseres] in de ochtend moeten zien in combinatie met de verklaring van [eisers] in de middag. In deze context mocht zij [eisers] niet houden aan opzeggingsverklaring die [eiseres] eerder die ochtend had uitgesproken in een telefoongesprek, waarin zij volgens Showmagazijn boos en emotioneel was. Daarbij weegt ook mee dat niet vaststaat – en Showmagazijn dit ook niet heeft gesteld – dat [eiseres] zich bewust was van de juridische gevolgen van haar mededeling in de ochtend, zoals dat zij nog wel voor de spullen moest betalen, maar Showmagazijn deze niet meer zou installeren. Showmagazijn mocht er daarom niet op vertrouwen dat [eisers] de overeenkomst daadwerkelijk wilden opzeggen (artikel 3:33 en Pro 3:35 BW).
5.5
De tussenconclusie is dan ook dat de overeenkomst niet is opgezegd. Het gevolg daarvan is dat de overeenkomst nog bestond na 6 februari 2025. Beide partijen moesten de uit de overeenkomst voortvloeiende verplichtingen nakomen: [eisers] moesten zorgen dat de werkplaats klaar was voor installatie van de badkamer en Showmagazijn moest de installatie laten uitvoeren. Dit laatste kon niet meer op 10 februari 2025, omdat Showmagazijn de installateurs al had afgezegd naar aanleiding van het telefoongesprek met [eiseres] en haar poging de chauffeur terug te sturen.
De ontbinding
5.6
Met een brief van 24 maart 2025 heeft de gemachtigde van [eisers] de overeenkomst ontbonden. Voor een geldige ontbinding is vereist dat er sprake was van een tekortkoming in de nakoming (die deze ontbinding rechtvaardigde), en dat er daarnaast sprake was van verzuim aan de zijde van Showmagazijn. Hierna wordt eerst besproken of er op 24 maart 2025 sprake was van verzuim.
5.7
Volgens [eisers] was Showmagazijn in verzuim, omdat zij de badkamer niet heeft geïnstalleerd binnen de door [eisers] met de ingebrekestelling gestelde termijnen. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad heeft een ingebrekestelling de functie om de schuldenaar een laatste termijn voor nakoming te geven. Dit betekent dat de schuldeiser al het in de omstandigheden van het geval redelijkerwijs mogelijke moet doen om de schuldenaar in de gelegenheid te stellen om alsnog na te komen (vgl. HR 22 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9494). Pas als de schuldeiser dit heeft gedaan en de schuldenaar nog steeds niet nakomt, is sprake van verzuim.
5.8
De twee ingebrekestellingen bevatten geen informatie over op welke wijze Showmagazijn haar verplichtingen nog kan nakomen. De ingebrekestelling van 7 februari 2025 vermeldt enkel dat Showmagazijn “
de gemaakte afspraken” moet nakomen. De ingebrekestelling van hun gemachtigde van 12 maart 2025 is nog algemener en verwijst enkel naar de verplichting om “
overeengekomen werkzaamheden deugdelijk uit te voeren en vrij van gebreken/schade aan cliënt op te leveren” en “
de hiervoor genoemde gebreken te (doen herstellen) en wel uiterlijk binnen 14 dagen na dagtekening van deze brief.” Deze nogal algemeen geformuleerde ingebrekestellingen gaan eraan voorbij dat de aard van de overeenkomst meebrengt dat partijen afspraken met elkaar moeten maken over op welke wijze en wanneer de overeenkomst kan worden uitgevoerd. Mede gezien de aanleiding voor het conflict tussen partijen en de aard van de werkzaamheden, mocht meer van [eisers] worden verwacht dan het enkel stellen van een deadline voor het “
deugdelijk uitvoeren” en het “
(doen herstellen)” van “
hiervoor genoemde gebreken”. [eisers] konden niet van Showmagazijn verwachten dat zij binnen 7 of 14 dagen na dagtekening van een brief een complete badkamer zou hebben geïnstalleerd in het huis van [eisers] , zeker niet zonder nader overleg met elkaar, zonder rekening te houden met de planning van Showmagazijn en zonder dat de spullen op de juiste plaats stonden. Van [eisers] had, in het kader van een redelijke inspanning om Showmagazijn in de gelegenheid te stellen om alsnog na te komen, daarom minimaal verwacht mogen worden dat zij een haalbare uitnodiging deed om binnen een redelijke termijn, binnen de mogelijkheden van de planning, een afspraak te maken voor het starten met de installatiewerkzaamheden. De kantonrechter concludeert op basis van het voorgaande dat [eisers] , mede gezien de omstandigheden van dit specifieke geval, Showmagazijn niet voldoende mogelijkheid heeft gegeven om alsnog aan haar verplichtingen te voldoen. Showmagazijn verkeerde daarom niet in verzuim.
5.9
Daar komt nog het volgende bij. De aanleiding voor deze procedure is dat [eisers] de spullen van de badkamer niet hebben opgeslagen bij de werkruimte. Het staat tussen partijen vast dat [eisers] dit op grond van de overeenkomst wel moesten doen. In plaats daarvan hebben zij de door Showmagazijn afgeleverde spullen buiten, op hun oprit, laten staan. Zij hebben daarmee veroorzaakt dat Showmagazijn haar verplichtingen niet kon nakomen. [eisers] verkeren daarmee in schuldeisersverzuim in de zin van artikel 6:58 BW Pro. Het gevolg daarvan is dat Showmagazijn niet in verzuim kan raken zolang [eisers] Showmagazijn niet in staat stellen om alsnog na te komen, door de spullen op de juiste plaats op te slaan (artikel 6:61 lid 2 BW Pro).
5.1
Op grond van het voorgaande oordeelt de kantonrechter dat Showmagazijn niet in verzuim verkeerde op het moment dat [eisers] de overeenkomst buitengerechtelijk ontbonden bij brief van 24 maart 2025.
De conclusie
5.11
Het gevolg daarvan is dat de overeenkomst niet rechtsgeldig is ontbonden. Dit leidt allereerst tot afwijzing van de vorderingen van [eisers]
Ten overvloede
5.12
Daarnaast betekent dit dat de overeenkomst nog van kracht is. Daarom moeten beide partijen hun verplichtingen uit de overeenkomst alsnog nakomen. Dit betekent dat [eisers] het door Showmagazijn teruggestorte bedrag van € 6.141,17 weer aan Showmagazijn moeten betalen. Zij moeten ook de spullen voor de badkamer op de juiste plaats neerzetten. Showmagazijn moet daarna, binnen een redelijke termijn en in overleg met [eisers] , de badkamer (laten) installeren. Na oplevering moeten [eisers] het restantbedrag aan Showmagazijn betalen.
5.13
De kantonrechter hecht eraan het volgende op te merken. De kantonrechter is zich ervan bewust dat deze uitspraak voor beide partijen onbevredigend kan zijn, nu zij nog niet van elkaar af zijn. Partijen zijn echter met elkaar een (juridisch) gevecht aangegaan. Zij hebben zich ingegraven in hun eigen gelijk en de ander onvoldoende mogelijkheid gegeven om het conflict op te lossen. Showmagazijn heeft bijvoorbeeld geprobeerd om [eisers] te houden aan een opzegging. In plaats daarvan had zij er ook voor kunnen kiezen om over het verleden heen te stappen en proactief een nieuw moment in te plannen waarop de badkamer wel geïnstalleerd kon worden. Maar ook [eisers] valt op dat vlak een verwijt te maken. Zij hebben bijvoorbeeld tijdens het gesprek van 6 februari 2025 weinig zelfreflectie laten zien, terwijl dat wel had kunnen helpen om de angel uit het conflict te halen. Ook hebben zij zich op 26 mei 2025 weinig flexibel getoond toen Showmagazijn alsnog aanbood om de badkamer te installeren. Zij hebben toen vastgehouden aan hun ontbinding. Daarmee hebben ook zij gekozen voor een juridische route, in plaats van de ander de kans te geven het probleem op te lossen. Partijen die zaken doen met elkaar, moeten ook bereid zijn fouten van de ander te accepteren en in gesprek te gaan over een oplossing. Zeker als zij van de ander wel flexibiliteit eisen. Het recht schrijft partijen niet voor niets voor om zich tegenover elkaar te gedragen conform de eisen van redelijkheid en billijkheid. De kantonrechter roept beide partijen op om zich in de uitvoering van het restant van de overeenkomst ook zo te gedragen. De kantonrechter wijst partijen erop dat het hen ondanks dit oordeel vrij blijft staan om afspraken te maken over het (al dan niet) verder uitvoeren van de overeenkomst.
De proceskosten
5.14
[eisers] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Showmagazijn worden begroot op:
- salaris gemachtigde
864,00
(2 punten × € 432,00)
- nakosten
72,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
936,00
5.15
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6.De beslissing

De kantonrechter
6.1
wijst de vorderingen van [eisers] af,
6.2
veroordeelt [eisers] in de proceskosten van € 936,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3
veroordeelt [eisers] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na betekening van het vonnis zijn betaald,
6.4
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.B. de Hek en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2026.