Uitspraak
RECHTBANK Overijssel
wonende te [woonplaats] ,
h.o.d.n. [bedrijf 1],
wonende en zaakdoende te [vestigingsplaats] ,
1.De zaak in het kort
2.De procedure
- de mondelinge behandeling van 9 februari 2026, waar door partijen spreekaantekeningen zijn overgelegd en waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
3.De feiten
[bedrijf 2] , t.a.v. [eiseres]”. [eiseres] heeft de factuur betaald.
Wij zouden de week van 10-02-2025 de vloer willen herstellen, en vervolgens het kitwerk als de vloer klaar is.(…)”
4.Het geschil
5.De beoordeling
deze vloer”. Onduidelijk is echter waar “
deze vloer” op ziet; op de vloer van de omliggende ruimtes (waar [gedaagde] geen werk heeft verricht) of de vloer van de badkamer (waar [gedaagde] wel werk heeft verricht). [eiseres] heeft ter zitting aangegeven dat [bedrijf 3] met “
deze vloer” naar de vloer van de badkamer verwijst. Maar naar het oordeel van de rechtbank sluit deze uitleg niet goed aan bij het eerste deel van de betreffende zin van het rapport van [bedrijf 3] , waarin staat dat [bedrijf 3] bij het verwijderen van de deklaag van de vloer in de omliggende kamers constateerde dat de vloer niet goed in de primer is gezet. Het ligt in dat geval meer voor de hand dat [bedrijf 3] met “
deze vloer” verwijst naar de vloer die zich onder de deklaag bevindt en dus naar de vloer van de omliggende kamers. Deze lezing wordt ondersteund door de omstandigheid dat in het rapport van [bedrijf 3] staat dat “
deze vloerwederom”niet in de primer is gezet. In een ander rapport van [bedrijf 3] is het niet goed primeren van de badkamervloer al aan de orde gekomen (gebrek 6, r.o. 5.11). Gebruik van het woord “
wederom” in deze context suggereert dus dat er nog een andere vloer niet goed in de primer is gezet. De conclusies van het rapport van [bedrijf 3] zijn dus voor meerdere interpretaties vatbaar. Deze onduidelijkheid komt, in het licht van de betwisting van [gedaagde] , voor risico van [eiseres] als partij op wie de stelplicht rust.