Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:3322

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
14 juni 2026
Zaaknummer
C/08/338696 / HA ZA 25-318
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:82 BWArt. 6:89 BWArt. 6:95 BWArt. 6:96 BWArt. 7:758 lid 3 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vervangende schadevergoeding voor gebreken aan badkamer na aannemerswerkzaamheden

De zaak betreft een geschil tussen eiseres en aannemer gedaagde over gebreken aan een tuinhuis en een badkamer. De rechtbank oordeelt dat er geen contractuele relatie bestond tussen partijen voor het tuinhuis, waardoor de vordering daarvoor wordt afgewezen. Voor de badkamer stelt de rechtbank vast dat er diverse gebreken zijn, waaronder lekkages, verkeerde materialen en onvoldoende ventilatie, die niet redelijkerwijs bij oplevering ontdekt konden worden.

De rechtbank oordeelt dat gedaagde in verzuim is omdat hij niet binnen een redelijke termijn de gebreken heeft hersteld, ondanks ingebrekestelling. De vordering tot vervangende schadevergoeding wordt toegewezen, waarbij de schade wordt begroot op € 25.047,00 na aftrek van herbruikbaar sanitair. De gevorderde schade aan omliggende vloeren wordt afgewezen wegens onvoldoende causaal verband.

Verder wordt de wettelijke rente toegewezen vanaf de dagvaarding en worden buitengerechtelijke incassokosten toegekend tot het wettelijke maximum. De proceskosten worden gecompenseerd, zodat iedere partij haar eigen kosten draagt. De uitspraak is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van € 25.047,00 schadevergoeding voor gebreken aan de badkamer, vermeerderd met rente en incassokosten; vorderingen voor het tuinhuis worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: C/08/338696 / HA ZA 25-318
Vonnis van 3 juni 2026
in de zaak van
[eiseres],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. F. Havers te Deventer,
tegen
[gedaagde],
h.o.d.n. [bedrijf 1],
wonende en zaakdoende te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. G.P.R. Steenmeijer te Utrecht.

1.De zaak in het kort

1.1
Tussen partijen is in geschil of [eiseres] recht heeft op schadevergoeding omdat aannemer [gedaagde] zijn de werkzaamheden aan haar tuinhuis en woning niet goed zou hebben uitgevoerd. De rechtbank wijst de vordering ten aanzien van het tuinhuis af. Ten aanzien van de badkamer wordt de vordering toegewezen tot een bedrag van € 20.322,00. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot deze beslissing is gekomen.

2.De procedure

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verwijzingsvonnis in incident met zaaknummer 11705283,
- de conclusie van antwoord,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de akte met aanvullende producties en vermeerdering van eis van [eiseres] ,
- de mondelinge behandeling van 9 februari 2026, waar door partijen spreekaantekeningen zijn overgelegd en waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
2.2
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1
De vader van [eiseres] is in 2020 eigenaar geworden van het huis aan de [adres] in [woonplaats] (hierna: de woning).
3.2
[gedaagde] heeft een eenmanszaak. Hij is onder de naam [bedrijf 1] actief als aannemer. Hij werkt veel samen met [naam 1] (hierna: [naam 1] en/of [naam 1] ) die ook een eenmanszaak heeft. [naam 1] was een vriend van de vader van [eiseres] .
3.3
In juli/augustus 2020 heeft de vader van [eiseres] het tuinhuis van de woning uit laten bouwen met een overkapping met glazen schuifwanden voor de jacuzzi. [gedaagde] en [naam 1] zijn bij deze werkzaamheden betrokken geweest.
3.4
In [maand] 2023 is de vader van [eiseres] overleden. [eiseres] is enig erfgenaam. Na zijn overlijden is [eiseres] eigenaar van de woning geworden.
3.5
In mei 2024 heeft [eiseres] aan [gedaagde] opdracht gegeven om een nieuwe badkamer in de woning te realiseren.
3.6
[gedaagde] heeft de werkzaamheden samen met [naam 1] uitgevoerd. Hij heeft hiervoor op 5 juni 2024 een factuur van € 16.371,30 inclusief btw gestuurd naar “
[bedrijf 2] , t.a.v. [eiseres]”. [eiseres] heeft de factuur betaald.
3.7
[gedaagde] heeft de badkamer eind juni 2024 opgeleverd.
3.8
[eiseres] en [gedaagde] hebben op 22 november 2024 via Whatsapp contact gehad. [eiseres] heeft daarbij een aantal foto’s gestuurd. [eiseres] [ [eiseres] ] en [gedaagde] [ [bedrijf 1] ] schrijven het volgende:
“ [eiseres] : Hooi, Nee thuis klapt er elke keer een groep uit van die lamp boven de eet tafel die jullie hebben aangesloten en die is helemaal doorgebrand
[eiseres] : En de badkamer moet ook nog opgelost worden want er zitten allemaal hobbels in de vloer en het water loopt ook nogsteeds niet weg (…)
[bedrijf 1] : Dak van de schuur condensvorming van die jacuzzi en geen onderhoud plegen aan dak en dakgoten, lamp die is doorgebrand na 4 jaar kan ik niks mee, vloer kunnen we een x doen maar had je toen geen haast mee moet je [naam 1] even voor hebben die gaat over de planning”
3.9
[eiseres] heeft het werk aan de badkamer op 16 december 2024 laten onderzoeken door [naam 2] van [bedrijf 3] (hierna: [bedrijf 3] ). [bedrijf 3] heeft hiervan op 22 december 2024 een eerste schaderapport opgesteld. Daarin concludeert hij onder meer dat de rechterzijde van de drain (doucheput) op de naad lekt en dat de aansluitingen op de wand en vloer (bij de douche) niet goed afdichten. Verder zijn er volgens [bedrijf 3] verkeerde hoekprofielen gebruikt en zijn de profielen niet goed afgekit. Ook is de coating van de vloer niet waterdicht waardoor er blaren in de vloer ontstaan en wordt het water vanuit de stankafsluiter in de drain leeggezogen bij het doorspoelen van de wc. Daardoor is er volgens [bedrijf 3] bij langdurig gebruik van de badkamer een reële kans dat er waterschade ontstaat aan de omringende ruimtes en is de kans groot dat de egaline vloer los van de betonnen vloer eronder komt te zitten waardoor de vloer gaat scheuren. Door de lekkage en bijbehorende luchtvochtigheid is er bovendien sprake van schimmelvorming in de badkamer. [bedrijf 3] adviseert om alle platen van de muren af te halen om compleet inzicht in de schade te krijgen, de vloer opnieuw te storten, de coating opnieuw aan te brengen en de wc te demonteren om een rioolontluchting te plaatsen. De kosten van de reparatie zijn volgens [bedrijf 3] gelijk aan het realiseren van een nieuwe badkamer, namelijk tussen de € 15.000,00 en € 25.000,00.
3.1
De gemachtigde van [eiseres] heeft op 8 januari 2025 een brief aan [gedaagde] gestuurd waarin zij schrijft dat er gebreken aan de badkamer en het tuinhuis zijn geconstateerd. [eiseres] stelt [gedaagde] in gebreke en sommeert hem om de gebreken aan de badkamer binnen twee weken en de gebreken aan het tuinhuis binnen een maand te herstellen. Het schaderapport van [bedrijf 3] is als bijlage meegestuurd. Op 11 januari 2025 is de brief door [gedaagde] ontvangen.
3.11
[gedaagde] heeft op 22 januari 2025 als volgt gereageerd:

Wij zouden de week van 10-02-2025 de vloer willen herstellen, en vervolgens het kitwerk als de vloer klaar is.(…)”
3.12
In aanvulling hierop heeft [gedaagde] op 23 januari 2025 een e-mail gestuurd waarin hij onder meer aangeeft dat hij de vloer wil laten herstellen door een bedrijf dat gespecialiseerd is in gietvloeren, dat de werkzaamheden in totaal vier dagen zullen duren en wat er per dag gedaan zal worden.
3.13
Op 27 januari 2025 heeft de gemachtigde van [eiseres] gereageerd dat [eiseres] niet akkoord gaat met het voorstel van [gedaagde] om pas op 10 februari 2025 de vloer te laten herstellen. De gemachtigde geeft aan dat [gedaagde] vanaf 25 januari 2025 in verzuim is en dat [eiseres] de gebreken door een derde zal laten herstellen en de kosten daarvan op [gedaagde] zal verhalen.
3.14
Op 18 februari 2025 heeft de gemachtigde van [eiseres] een e-mail aan [gedaagde] gestuurd waarin zij aangeeft dat [gedaagde] voor de gebreken aan het tuinhuis per 11 februari 2025 in verzuim verkeert en dat [eiseres] de gebreken door een derde zal laten herstellen en de kosten daarvan op [gedaagde] zal verhalen.
3.15
Op 30 maart 2025 heeft [bedrijf 3] twee aanvullende schaderapporten opgesteld. In het eerste aanvullende rapport staat:
“Bij het demonteren van de badkamer zijn we tot de conclusie gekomen dat de schade een grotere omvang heeft dan vastgesteld.
(…)
Bij het demonteren van de panelen kwamen we op meerdere locaties waterschade tegen. Er is een normale osb-plaat gebruikt. Deze plaat is niet geschikt voor natte ruimtes. Het gevolg hiervan is dat alle osb-platen vervangen moeten worden met vochtbestendige (groene) osb-platen.
Er is sprake van waterschade links onder in de hoek. Dit komt door het niet goed afkitten van naden. En de werking van het hout die zelf niet vochtbestendig is resulteert in het scheuren van kitnaden.
De dekvloer is in drie lagen gelegd. Dit wijst erop dat de eerste en tweede keer de gietvloer niet naar behoren is gegaan waardoor er voor de derde keer de vloer gestort moest worden. In het proces zijn er belangrijke stappen vergeten zoals het schuren en in de primer zetten van de vloer voordat er een nieuwe vloer overheen gegoten kan worden. De gietvloer dient volledig verwijderd te worden om een nieuwe te kunnen storten.”
[bedrijf 3] raamt de herstelkosten op € 2.500,00 bovenop de kosten van het eerdere schaderapport.
In het tweede aanvullende rapport concludeert [bedrijf 3] dat door de vele lekkagepunten in de badkamer de vloeren in de omliggende kamers zijn aangetast door waterschade. Geadviseerd wordt om de egaline vloer te verwijderen, de vloer in de primer te zetten, de vloer opnieuw te egaliseren en een nieuwe laminaat/pvc vloer te leggen. De kosten voor deze werkzaamheden worden geraamd op € 7.000,00 (exclusief btw).
3.16
De gemachtigde van [eiseres] heeft [gedaagde] op 7 april 2025 gesommeerd tot betaling van de herstelkosten van de badkamer en omliggende ruimtes.

4.Het geschil

4.1
[eiseres] vordert na eiswijziging, samengevat en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, primair dat voor recht wordt verklaard dat [gedaagde] is tekortgeschoten in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomsten met betrekking tot het tuinhuis en de badkamer en dat hij aansprakelijk is voor de schade die [eiseres] hierdoor lijdt. Verder wil [eiseres] dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van € 5.000,00 voor het tuinhuis en € 36.179,00 voor de badkamer. Subsidiair vordert [eiseres] ontbinding van de overeenkomsten met betrekking tot het tuinhuis en de badkamer en [gedaagde] te veroordelen tot vergoeding van een bedrag van € 5.000,00, respectievelijk € 16.371,30, vermeerderd met rente en kosten. In beide gevallen vordert [eiseres] dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van de rente en kosten.
4.2
[gedaagde] voert verweer. Hij concludeert tot niet-ontvankelijkheid, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure.
4.3
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

Het tuinhuis
5.1
In geschil is of [gedaagde] aansprakelijk is voor de gebreken aan het tuinhuis. [eiseres] stelt dat [gedaagde] in opdracht van haar vader in 2020 ondeugdelijk werk heeft verricht. Begin 2023 zijn namelijk de dakgoten losgekomen en vanaf november 2024 is het dak van het tuinhuis gaan lekken en is schimmelvorming onder het dak ontstaan. Verder zijn ook de stroomaansluitingen in de tuin losgekomen. [gedaagde] betwist allereerst dat er sprake is van een overeenkomst tussen hem en de vader van [eiseres] , en in het verlengde daarvan dus ook met [eiseres] als enig erfgenaam.
5.2
De rechtbank overweegt dat, gelet op de betwisting van [gedaagde] , niet komt vast te staan dat er sprake was van een overeenkomst tussen partijen ten aanzien van de dakgoten en stroomaansluitingen. Gesteld, noch gebleken is dat er een schriftelijke overeenkomst tussen de vader van [eiseres] en [gedaagde] bestond. Uit de stellingen van [eiseres] volgt dat haar vader en [gedaagde] mondeling afspraken zouden hebben gemaakt. Ter zitting heeft [gedaagde] echter ontkend dat hij betrokken is geweest bij het plaatsen van de dakgoten – die zich volgens hem niet op het tuinhuis, maar op de carport bevinden – en de stroomaansluitingen. Hij ontkent ook dat hij enige betaling heeft ontvangen. Het had vervolgens op de weg van [eiseres] gelegen om feiten en omstandigheden te stellen waaruit blijkt dat haar vader [gedaagde] had opgedragen om deze werkzaamheden te verrichten. Dat heeft zij niet gedaan. Integendeel: ter zitting heeft zij erkend dat de dakgoten zich op de carport bevinden en aanvullend verklaard dat [gedaagde] en [naam 1] samen werk aan de carport hebben verricht. Deze nadere toelichting wijkt af van haar eerdere stelling bij dagvaarding en deze stelling is in het licht van de betwisting van [gedaagde] ook onvoldoende onderbouwd, met als gevolg dat niet komt vast te staan dat er sprake was van een contractuele relatie tussen [eiseres] en [gedaagde] ten aanzien van de dakgoten en stroomaansluitingen.
5.3
Partijen zijn het erover eens dat [gedaagde] aan het dak van het tuinhuis heeft gewerkt. Toch blijkt uit de gestelde feiten en omstandigheden evenmin dat aan deze werkzaamheden een (directe) overeenkomst tussen [gedaagde] en de vader van [eiseres] ten grondslag lag. Vast staat immers dat niet alleen [gedaagde] , maar ook [naam 1] aan het dak van het tuinhuis heeft gewerkt. Niet in geschil is dat de vader van [eiseres] in 2020 een goede verstandhouding met [naam 1] had. Ter zitting heeft [gedaagde] verklaard dat de vader van [eiseres] aanvankelijk [naam 1] had ingeschakeld voor de verbouwing aan het tuinhuis en dat [naam 1] [gedaagde] er later weer bij heeft gehaald. De rechtbank begrijpt dat [gedaagde] daarmee aanvoert dat hij niet de contractspartij (aannemer) was, maar slechts een hulppersoon van [naam 1] (onderaannemer). [eiseres] heeft op de zitting erkend dat [gedaagde] er later bij is gekomen als hulp van [naam 1] . Toch bestond er volgens haar wel een overeenkomst tussen haar vader en [gedaagde] als aannemer. Dit volgt uit het feit dat [gedaagde] en [naam 1] samen een loods en een werkbus deelden. Maar deze omstandigheden zijn onvoldoende om een contractuele band tussen de vader van [eiseres] en [gedaagde] aan te nemen, omdat deze niet uitsluiten dat [gedaagde] de hulppersoon van [naam 1] was. Nu [eiseres] verder geen concrete aanwijzingen naar voren heeft gebracht waaruit volgt dat [gedaagde] zelf een overeenkomst met haar vader heeft gesloten, zoals een factuur of schriftelijke overeenkomst, komt het bestaan van een dergelijke afspraak niet vast te staan. Dit betekent dat [eiseres] deze verbintenis niet om kan zetten in een tot betaling van vervangende schade. Het gevorderde schadebedrag en de verklaring voor recht zullen, voor zover deze betrekking hebben op het tuinhuis, dus worden afgewezen. Ook de subsidiair gevorderde ontbinding zal, nu er geen sprake is van een overeenkomst tussen partijen, worden afgewezen.
De badkamer
5.4
[eiseres] stelt zich verder op het standpunt dat er gebreken aan de badkamer kleven en vordert een verklaring voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade die zij daardoor lijdt en een schadebedrag. [gedaagde] voert aan deze vorderingen al stranden omdat: i) [eiseres] niet-ontvankelijk is, ii) [eiseres] te laat geklaagd heeft en iii) aansprakelijkheid op grond van artikel 7:758 lid 3 Burgerlijk Pro Wetboek (hierna: BW) is uitgesloten. De rechtbank overweegt dat indien één van deze verweren slagen, de vorderingen van [eiseres] niet kunnen worden toegewezen en behandelt deze daarom als eerste.
[eiseres] is ontvankelijk in haar vordering
5.5
[gedaagde] voert aan dat hij zijn werkzaamheden heeft verricht in opdracht van de onderneming van [eiseres] ( [bedrijf 2] ) en niet in opdracht van [eiseres] zelf. De factuur van 5 juni 2024 staat immers op naam van [bedrijf 2] . [eiseres] is dus niet-ontvankelijk in deze procedure, aldus [gedaagde] .
5.6
De rechtbank is een ander oordeel toegedaan. Vast staat dat [bedrijf 2] een eenmanszaak is zonder rechtspersoonlijkheid. [bedrijf 2] kan dus zelf geen overeenkomsten aangaan. Dit betekent dat zelfs als [eiseres] namens [bedrijf 2] handelde, zij toch de contractspartij is en bevoegd is om in die hoedanigheid een procedure te starten. Zij is daarom ontvankelijk in haar vordering.
[eiseres] heeft tijdig geklaagd
5.7
[gedaagde] stelt dat [eiseres] niet binnen bekwame tijd geklaagd heeft. Volgens [gedaagde] had [eiseres] de gebreken een maand na oplevering (juli 2024) al ontdekt, maar pas vier maanden later (op 22 november 2024) bij [gedaagde] geklaagd. [eiseres] heeft [gedaagde] daarmee de mogelijkheid ontnomen om tijdig onderzoek te verrichten, passende maatregelen te nemen of schadebeperkend op te treden en daardoor is hij ernstig in zijn belangen geschaad. Dit moet leiden tot verval van recht op grond van artikel 6:89 BW Pro, aldus [gedaagde] . De rechtbank gaat daar echter niet in mee. Hoewel niet in geschil is dat [eiseres] al in juli 2024 ontdekt heeft dat er iets mis was met de badkamer, volgt uit haar verklaringen en de rapporten van [bedrijf 3] dat zij op dat moment nog niet op de hoogte was van de ernst en de omvang van de gestelde gebreken en dat deze pas later duidelijk werden na vervolgonderzoek door [bedrijf 3] . Desondanks stelt [eiseres] , zonder dat [gedaagde] dit weersproken heeft, dat zij eind juli en begin september 2024 al mondeling de tot dan toe bekende gebreken bij [naam 1] heeft gemeld. [gedaagde] geeft zelf aan dat [naam 1] betrokken was bij de renovatie van de badkamer en in de whatsappcorrespondentie van 22 november 2024 verwijst [gedaagde] [eiseres] ook door naar [naam 1] voor het inplannen van herstelwerkzaamheden. Onder deze omstandigheden kan niet worden geoordeeld [eiseres] te laat heeft geklaagd. Het verweer faalt dus.
[gedaagde] is niet ontslagen van aansprakelijkheid na oplevering
5.8
[gedaagde] stelt, onder verwijzing naar artikel 7:758 lid 3 BW Pro, dat een aannemer na oplevering alleen aansprakelijk kan zijn voor verborgen gebreken die de opdrachtgever bij oplevering redelijkerwijs had moeten ontdekken en die aan de aannemer zijn toe te rekenen. De rapporten van [bedrijf 3] leveren geen voldoende objectieve onderbouwing dat er sprake is van toerekenbare verborgen gebreken, aldus [gedaagde] .
5.9
De rechtbank stelt voorop dat, anders dan [gedaagde] aanvoert, toerekenbaarheid geen eis is voor ontslag van aansprakelijkheid op grond van artikel 7:758 lid 3 BW Pro. Resteert de vraag of [eiseres] de gestelde gebreken – voor zover deze vast komen te staan – redelijkerwijs bij oplevering had moeten ontdekken. Dat is niet het geval. De gebreken betreffen onder andere het gebruik van verkeerde materialen (zoals het gebruik van normale OSB-platen achter de panelen in een vochtige ruimte) en het hanteren van een onjuiste techniek (bijvoorbeeld bij het storten van de vloer van de badkamer). Dit zijn gebreken die bij oplevering niet direct voor het ongetrainde oog zichtbaar zijn en die zich pas enige tijd na het gebruik van de badkamer openbaren. Dit sluit ook aan bij de verklaring van [eiseres] , die aangeeft dat zij een maand na oplevering pas ontdekte dat er iets mis was omdat er sprake was van lekkages en schimmelvorming. Voor zover de gebreken vast komen te staan, zijn het dus geen gebreken die [eiseres] redelijkerwijs bij oplevering al had behoren te ontdekken en is aansprakelijkheid van [gedaagde] dus niet op voorhand op grond van artikel 7:758 lid 3 BW Pro uitgesloten.
Tussenconclusie: de verweren gaan niet op
5.1
Omdat de verweren van [gedaagde] niet slagen, komt de rechtbank toe aan de vraag of er sprake is van gebreken en of [gedaagde] tot schadevergoeding verplicht is.
Aan de badkamer kleven gebreken
5.11
[eiseres] stelt, onder verwijzing naar de rapporten van [bedrijf 3] , dat er sprake is van verschillende gebreken aan de badkamer, die de rechtbank als volgt samenvat: 1) de douche is niet waterdicht omdat: de drain lekt, de aansluitingen tussen de wand en de vloer van de douche niet goed afdichten, er plastic hoekprofielen gebruikt zijn die niet goed zijn gekit en de coating van de vloer niet waterdicht is, 2) de douche is niet op afschot gerealiseerd, 3) de ventilatie in de badkamer werkt onvoldoende, 4) er is een probleem met de stankafsluiter van de wc, 5) er is in de douche gebruik gemaakt van verkeerde OSB-platen, 6) de (onder)vloer van de badkamer is niet geschuurd en in de primer gezet. Voor zover [gedaagde] het bestaan van deze gebreken betwist, gaat de rechtbank daar niet in mee. Zo heeft [gedaagde] weliswaar aangevoerd dat de rapporten van [bedrijf 3] buiten zijn aanwezigheid zijn opgesteld, dat de daarin opgenomen foto’s van beperkte informatiewaarde zijn en dat [bedrijf 3] zelf belast was met de uitvoering van de gestelde herstelwerkzaamheden, maar daarmee heeft [gedaagde] het bestaan van deze gebreken onvoldoende weersproken. De enkele omstandigheid dat de rapporten buiten de aanwezigheid van [gedaagde] zijn opgesteld en dat [bedrijf 3] ook opdracht heeft gekregen om herstelwerkzaamheden uit te voeren, maakt nog niet dat de bevindingen en conclusies uit de rapporten niet juist zijn. Als [gedaagde] het niet eens was met deze conclusies, had van hem – zeker gelet op zijn ervaring in de bouw – mogen worden verwacht dat hij zou aangeven welk deel van de rapporten niet klopt. Hij heeft zich echter beperkt tot de mededeling dat de foto’s uit de rapporten onduidelijk en van beperkte informatiewaarde zijn. Nog los van het feit dat hij verder niet toelicht waarom dit het geval is, geeft hij niet aan welke gevolgen deze onduidelijkheid zou hebben voor de conclusies en bevindingen in de rapporten. De rechtbank gaat daarom uit van de juistheid van de rapporten van [bedrijf 3] en de daarin genoemde gebreken. Te meer nu [gedaagde] ter zitting met zoveel woorden ook heeft erkend dat het zou kunnen dat er dingen niet goed zijn gegaan. De rechtbank oordeelt dus dat de door [eiseres] gestelde gebreken vast staan.
Er is sprake van verzuim
5.12
Tussen partijen bestaat verder discussie over de vraag of [gedaagde] in verzuim verkeert. De rechtbank is van oordeel dat [eiseres] [gedaagde] voldoende gelegenheid tot herstel heeft gegeven. Voor de door [eiseres] geconstateerde gebreken en de gebreken uit het rapport van [bedrijf 3] van december 2024 gold dat [gedaagde] bij brief van 8 januari 2025 twee weken heeft gekregen om de schade te herstellen. Gelet op de aard van de gebreken, het belang van spoedig gebruik van de badkamer en het eerdere contact over de gebreken, is dit een redelijke termijn. Het voorstel van [gedaagde] viel buiten deze termijn en betrof slechts de vloer en op een later moment ook het kitwerk; voor de overige gebreken bood hij aanvankelijk geen oplossing. Ook het tijdens de mondelinge behandeling aangevoerde telefoongesprek met de advocaat van [eiseres] , waarin [gedaagde] aangaf dat hij ‘ernaar zou kijken’, is onvoldoende concreet. [gedaagde] is daarom vanaf 25 januari 2025 in verzuim geraakt. Latere herstelvoorstellen veranderen hier niets aan: verzuim treedt in zodra de schuldenaar de redelijke termijn uit de ingebrekestelling laat verstrijken. Dat [eiseres] de gebreken pas enige tijd later door een derde heeft laten herstellen, doet aan dit oordeel niet af. Dat herstel niet onmiddellijk heeft plaatsgevonden, betekent immers niet dat de aan [gedaagde] gestelde hersteltermijn onredelijk was, noch dat het reeds ingetreden verzuim daardoor vervalt. Ten slotte voert [gedaagde] nog aan dat de gebreken niet duidelijk in het bericht van 8 januari 2025 zijn opgesomd. Voor zover hij daarmee aanvoert dat dit bericht niet als ingebrekestelling is aan te merken, volgt de rechtbank hem daarin niet. Niet alleen staan alle gebreken in de brief genoemd, maar ook heeft [eiseres] het rapport van [bedrijf 3] integraal meegezonden, zodat voor [gedaagde] voldoende duidelijk was om welke gebreken het ging.
5.13
Voor de gebreken 5 en 6 – het gebruik van verkeerde osb-platen en het niet correct storten van de vloer – geldt dat zij voor het eerst zijn genoemd in het aanvullende rapport van [bedrijf 3] , dat dateert van na de ingebrekestelling van 8 januari 2025. Een nieuwe ingebrekestelling is niet verzonden. Dit betekent echter niet dat [gedaagde] niet in verzuim is geraakt. Uit artikel 6:82 lid 2 BW Pro volgt namelijk dat als uit de houding van een schuldenaar blijkt dat een aanmaning nutteloos zou zijn, de ingebrekestelling kan plaatsvinden door een schriftelijke mededeling waaruit blijkt dat hij voor het uitblijven van de nakoming aansprakelijk wordt gesteld. Dat is hier het geval. In reactie op de eerste ingebrekestelling van 8 januari 2026, heeft [gedaagde] alleen maar aangeboden om geruime tijd na het verstrijken van de daarin genoemde termijn een deel van de gebreken te herstellen. [eiseres] mocht dus voor de later geconstateerde gebreken volstaan met een aanmaning waaruit blijkt dat zij [gedaagde] aansprakelijk houdt voor de schade. Dat heeft zij gedaan met haar brief van 7 april 2025.
5.14
[gedaagde] voert nog aan dat hij niet in verzuim kon verkeren omdat [eiseres] op 27 januari 2025 in schuldeisersverzuim verkeerde, maar de rechtbank volgt hem daarin niet. Hiervoor is overwogen dat [eiseres] aan [gedaagde] een redelijke termijn voor herstel heeft gegeven. [gedaagde] heeft er zelf voor gekozen om niet binnen deze termijn tot herstel over te gaan. Anders dan hij aanvoert, is hem de mogelijkheid tot herstel niet feitelijk onthouden.
Tussenconclusie: [gedaagde] moet vervangende schadevergoeding betalen
5.15
Hiervoor is geoordeeld dat er sprake is van gebreken en dat [gedaagde] ten aanzien van de nakoming van de overeenkomst in verzuim verkeert. De rechtbank overweegt dat voor toewijzing van een vervangende schadevergoeding verder vereist is dat [eiseres] [gedaagde] heeft meegedeeld dat zij schadevergoeding in plaats van nakoming vordert. Aan dit vereiste wordt met de brief van 7 april 2025 voldaan. Dat betekent dat [gedaagde] vervangende schadevergoeding moet betalen. De hoogte hiervan zal hierna in 5.20 worden bepaald.
[gedaagde] hoeft geen aanvullende schadevergoeding te betalen
5.16
[eiseres] vordert verder nog een verklaring voor recht dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst met betrekking tot de badkamer en aansprakelijk is voor de schade die [eiseres] daardoor lijdt en schade aan de vloeren van de omliggende ruimtes ter hoogte van (€ 4.840,00 + € 2.783,00=) € 7.623,00. [eiseres] stelt, onder verwijzing naar het rapport van [bedrijf 3] van 30 maart 2025, dat door de vele lekkages in de badkamer, die zich in het midden van de woning bevindt, 70% van de vloeren in de kamers eromheen is aangetast door waterschade. Zo zou de deklaag zijn losgelaten en zouden er scheuren in de vloer zijn ontstaan. [eiseres] heeft kosten moeten maken om de vloeren opnieuw te egaliseren en daar zouden nog meer kosten bijkomen, aldus [eiseres] . De discussie tussen partijen spitst zich toe op de vraag of er sprake is van een causaal verband tussen de gebreken aan de badkamer en de gestelde schade aan de vloeren van de omliggende ruimtes.
5.17
De rechtbank concludeert allereerst dat [eiseres] haar stelling dat door de werkzaamheden van [gedaagde] aan de badkamer de deklaag van de vloeren van de omliggende kamers is losgeraakt onvoldoende heeft onderbouwd. [eiseres] baseert haar standpunt namelijk op het rapport van [bedrijf 3] , die over het loslaten van de deklaag het volgende schrijft:
“Bij het verwijderen van deze deklaag zijn wij er achter gekomen dat deze vloer wederom niet in de primer is gezet, hierdoor is de deklaag losgelaten. Ook door de vocht zijn er scheuren in de vloer gekomen, dit komt ook mede door het niet primeren van de vloer. De conclusie is dat 70% van de vloer los ligt.”
Hieruit blijkt dat volgens [bedrijf 3] de oorzaak van het loslaten van de deklaag van de omliggende ruimtes is gelegen in het niet in de primer zetten van “
deze vloer”. Onduidelijk is echter waar “
deze vloer” op ziet; op de vloer van de omliggende ruimtes (waar [gedaagde] geen werk heeft verricht) of de vloer van de badkamer (waar [gedaagde] wel werk heeft verricht). [eiseres] heeft ter zitting aangegeven dat [bedrijf 3] met “
deze vloer” naar de vloer van de badkamer verwijst. Maar naar het oordeel van de rechtbank sluit deze uitleg niet goed aan bij het eerste deel van de betreffende zin van het rapport van [bedrijf 3] , waarin staat dat [bedrijf 3] bij het verwijderen van de deklaag van de vloer in de omliggende kamers constateerde dat de vloer niet goed in de primer is gezet. Het ligt in dat geval meer voor de hand dat [bedrijf 3] met “
deze vloer” verwijst naar de vloer die zich onder de deklaag bevindt en dus naar de vloer van de omliggende kamers. Deze lezing wordt ondersteund door de omstandigheid dat in het rapport van [bedrijf 3] staat dat “
deze vloerwederomniet in de primer is gezet. In een ander rapport van [bedrijf 3] is het niet goed primeren van de badkamervloer al aan de orde gekomen (gebrek 6, r.o. 5.11). Gebruik van het woord “
wederom” in deze context suggereert dus dat er nog een andere vloer niet goed in de primer is gezet. De conclusies van het rapport van [bedrijf 3] zijn dus voor meerdere interpretaties vatbaar. Deze onduidelijkheid komt, in het licht van de betwisting van [gedaagde] , voor risico van [eiseres] als partij op wie de stelplicht rust.
5.18
Verder is de vraag of de scheuren in de ondervloer door de werkzaamheden van [gedaagde] zijn veroorzaakt. [eiseres] stelt dat dit het geval is omdat de scheuren alleen op plekken zitten waar het nat is. Ter onderbouwing van haar stelling overlegt zij foto’s, waarop scheuren op een vochtige plek in een kamer te zien zijn. Maar gelet op de betwisting van [gedaagde] , die aangeeft dat dit soort scheuren door ouderdom ontstaan en niet door vocht, zijn deze foto’s – die slechts van één kamer genomen zijn – niet voldoende om te concluderen dat de werkzaamheden van [gedaagde] de oorzaak zijn van scheuren. Dat [bedrijf 3] in zijn rapport concludeert dat de scheuren door vocht zijn ontstaan, maakt dit niet anders. In datzelfde rapport geeft [bedrijf 3] namelijk aan dat de scheuren in ieder geval mede veroorzaakt zijn door het niet primeren van de vloer. Hiervoor is al overwogen dat niet duidelijk is of het niet primeren van de vloer betrekking heeft op de vloer van de badkamer of de vloer van de omliggende ruimtes. Gelet hierop komt niet vast te staan dat de scheuren het gevolg zijn van de werkzaamheden van [gedaagde] .
5.19
Een causaal verband tussen de werkzaamheden van [gedaagde] en de gestelde schade van [eiseres] , de kosten voor het egaliseren van de vloer, ontbreekt. De door haar gevorderde schade zal op dit punt dus worden afgewezen. Omdat uit de stellingen van [eiseres] onvoldoende naar voren komt dat zij ook andere schade aan de omliggende kamers heeft geleden, zal ook de gevorderde verklaring voor recht worden afgewezen.
De hoogte van de vervangende schadevergoeding
5.2
[eiseres] vordert een totaalbedrag van € 28.556,00 (inclusief btw) als vervangende schadevergoeding, bestaande uit de kosten die zij heeft gemaakt om de gebreken aan de badkamer door derden ( [bedrijf 3] en zijn compagnon [naam 3] ) te laten herstellen. Het bedrag is als volgt opgebouwd.
Factuur afkomstig van
Datum
Omschrijving
Bedrag
[bedrijf 3]
3 februari 2025
Renovatie badkamer
€ 13.612,50
[bedrijf 3]
18 februari 2025
Renovatie badkamer
€ 3.630,00
[naam 3]
25 juli 2025
Middenbetaling badkamer renovatie
€ 7.078,50
[naam 3]
26 januari 2026
Eindafrekening
€ 4.235,00
Totaal
€ 28.556,00
5.21
[gedaagde] betwist de hoogte van de gevorderde schadevergoeding. Hij voert aan dat de omvang van de schade niet overeenkomt met de rapporten van [bedrijf 3] , waarin staat dat de werkzaamheden op dat moment nog niet waren aangevangen en slechts enkele tegels voor inspectie waren verwijderd. Het is volgens hem onduidelijk op basis waarvan en voor welke werkzaamheden in februari 2025 reeds aanzienlijke bedragen zijn gefactureerd. Het facturatieschema van [bedrijf 3] wordt door [gedaagde] als onlogisch en intern tegenstrijdig beschouwd. Verder blijkt nergens dat noodmaatregelen zijn getroffen. Ook overschrijden de herstelkosten de oorspronkelijk aanneemsom, duiden zij op volledige renovatie in plaats van noodzakelijk herstel, en konden bestaande materialen zoals tegels en sanitaire voorzieningen worden hergebruikt, aldus [gedaagde] .
5.22
De rechtbank stelt voorop dat de hoogte van vervangende schadevergoeding wordt bepaald aan de hand van de waarde van de uitgebleven of ondeugdelijk verrichte prestatie. Een waarderingsmethode, afgestemd op de vervangingswaarde in het economische verkeer, is het uitgangspunt. De vervangende vergoeding moet de schuldeiser immers in staat stellen de gemiste prestatie bij een derde te verwerven. Voor het bepalen van de hoogte van de schadevergoeding is niet relevant of er al herstelwerkzaamheden hebben plaatsgevonden. Ook is niet zonder meer doorslaggevend wat het herstel in een concreet geval gekost heeft. Verder gelden bij het bepalen van de omvang van de schadevergoeding de artikelen 6:95 BW en verder. Dit houdt in dat de rechtbank de schade begroot op de wijze die het meest met de aard daarvan in overeenstemming is en zo nodig mag schatten.
5.23
Uit de rapporten van [bedrijf 3] volgt dat het herstel van de badkamer tussen de € 21.175,00 inclusief btw ((€ 15.000,00 + € 2.500,00) x 1,21) en € 33.275,00 ((€ 25.000,00 + 2.500,00) x 1,21) zou kosten. De rechtbank neemt schattenderwijs het gemiddelde tussen deze twee bedragen als uitgangspunt voor het bepalen van de vervangingswaarde in het economisch verkeer en gaat ervan uit dat de kosten voor herstel door een derde € 27.225,00 zouden bedragen. [gedaagde] heeft aangevoerd dat vocht het sanitair niet aantast en dat het sanitair dus hergebruikt zou kunnen worden. [eiseres] geeft aan dat dit niet het geval is, maar licht dit verder niet toe, zodat de rechtbank ervan uitgaat dat het sanitair herbruikbaar is. Uit de factuur van 5 juni 2024 blijkt dat de prijs voor het sanitair (€ 1.800,00 x 1,21=) € 2.178,00 (inclusief btw) was. De rechtbank zal dit bedrag in mindering brengen op het bedrag van € 27.225,00 en komt dan uit op een schadebedrag van € 25.047,00. [gedaagde] voert ten slotte aan dat ook tegels hergebruikt hadden kunnen worden, maar zonder daarbij aan te geven om welke tegels het zou gaan en hoe dit hergebruik zou kunnen plaatsvinden. Daarom zal de rechtbank daar bij het begroten van de schade geen rekening mee houden. Dit betekent dat [gedaagde] veroordeeld zal worden om € 25.047,00 aan [eiseres] te betalen.
Rente
5.24
[eiseres] vordert wettelijke rente over het schadebedrag vanaf 26 oktober 2024. Maar anders dan [eiseres] stelt verkeerde [gedaagde] naar het oordeel van de rechtbank op 26 oktober 2024 nog niet in verzuim. Op 7 april 2025 heeft [eiseres] een omzettingsverklaring verstuurd. Pas na die datum was [gedaagde] verplicht vervangende schadevergoeding te betalen, zodat op zijn vroegst na 7 april 2025 het verzuim zou kunnen intreden. Voor het intreden van verzuim is in principe een schriftelijke aanmaning vereist (artikel 6:82 BW Pro). De Hoge Raad heeft bepaald dat een dagvaarding als aanmaning in de zin van artikel 6:82 BW Pro kan gelden. [1] Omdat geen andere datum is gesteld waarop [eiseres] [gedaagde] zou hebben aangemaand tot betaling, zal de rechtbank de wettelijke rente toewijzen vanaf de datum van de dagvaarding, 6 mei 2025.
De buitengerechtelijke incassokosten
5.25
[eiseres] vordert buitengerechtelijke incassokosten. Haar vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De rechtbank stelt vast dat [eiseres] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is hoger dan het in het Besluit bepaalde tarief, omdat een deel van de hoofdsom wordt afgewezen. De rechtbank zal het bedrag dan ook toewijzen tot het wettelijke tarief van € 978,22.
De proceskosten
5.26
Omdat partijen over en weer in het ongelijk worden gesteld, worden de proceskosten gecompenseerd. Dat betekent dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] een bedrag van € 25.047,00 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 6 mei 2025 tot de dag van volledige betaling;
6.2
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 978,22;
6.3
compenseert de proceskosten tussen partijen in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
6.4
verklaart de uitspraak tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.5
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.O. Frentrop en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.

Voetnoten

1.Hoge Raad 5 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3127, r.o. 3.5.3