Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBOVE:2026:3323

Rechtbank Overijssel

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
14 juni 2026
Zaaknummer
C/08/346543 / HA ZA 26-116
Instantie
Rechtbank Overijssel
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 BWArt. 6:44 BWArt. 6:119a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nakoming betaling facturen en beperking incassokosten

In deze civiele procedure vordert eiser, een vennootschap onder firma, betaling van openstaande facturen inclusief wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke incassokosten van gedaagde, handelend onder een handelsnaam. Gedaagde is niet verschenen, waarna verstek is verleend.

De rechtbank beoordeelt de vordering tot incassokosten aan de hand van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten. Hoewel eiser incassowerkzaamheden heeft verricht, is het gevorderde bedrag aan incassokosten hoger dan het volgens het Besluit toewijsbare bedrag. Omdat geen afwijkende afspraken zijn gesteld, wordt het te hoge bedrag afgewezen. Het reeds door gedaagde betaalde bedrag wordt in mindering gebracht op de hoofdsom en rente.

De rechtbank wijst de vordering tot betaling van de hoofdsom en rente toe, veroordeelt gedaagde in de proceskosten en verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van € 32.394,24 plus wettelijke handelsrente en proceskosten, met beperking van incassokosten conform het Besluit.

Uitspraak

RECHTBANK Overijssel

Civiel recht
Zittingsplaats Zwolle
Zaaknummer: C/08/346543 / HA ZA 26-116
Vonnis van 3 juni 2026
in de zaak van
de vennootschap onder firma
V.O.F. [bedrijf 2],
gevestigd te [vestigingsplaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [bedrijf 2] ,
advocaat: mr. G.B. de Jong,
tegen
[gedaagde], handelend onder de naam [bedrijf 1] ,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,
- het tegen [gedaagde] verleende verstek.
1.2
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De beoordeling

2.1
[bedrijf 2] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] te veroordelen tot betaling van in totaal € 33.639,29 (bestaande uit € 30.194,11 aan hoofdsom,
€ 1.215,06 aan wettelijke handelsrente berekend tot en met 30 oktober 2025 en € 4.529,12 aan buitengerechtelijke incassokosten, waarbij reeds een bedrag van € 2.299,00 aan betalingen van gedaagde partij op vordering in mindering is gebracht) te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 1 november 2025 tot de dag der algehele voldoening. Ook vordert [bedrijf 2] [gedaagde] te veroordelen in de kosten van het geding.
Buitengerechtelijke incassokosten
2.2
[bedrijf 2] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [bedrijf 2] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [bedrijf 2] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. De gevorderde vergoeding van € 4.529,12 is echter hoger dan de incassokosten volgens het Besluit. Niet gesteld is dat partijen een afwijkende regeling zijn overeengekomen wat betreft de buitengerechtelijke incassokosten. Op grond van het Besluit is een bedrag van € 1.053,95 aan vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten toewijsbaar. Aangezien [gedaagde] reeds € 2.299,00 heeft betaald en betalingen eerst in mindering strekken van de kosten, dan de rente en dan de hoofdsom (artikel 6:44 BW Pro), gaat de rechtbank ervan uit dat [gedaagde] de incassokosten reeds heeft voldaan. De vordering tot betaling van de incassokosten zal daarom worden afgewezen. Het resterende door [gedaagde] betaalde bedrag van € 1.245,05 (€ 2.299,00 min € 1.053,95) zal op de gevorderde hoofdsom inclusief rente in mindering worden gebracht.
2.3
De vordering komt de rechtbank voor het overige niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal als volgt worden toegewezen.
2.4
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [bedrijf 2] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
130,16
- griffierecht
1.414,00
- salaris advocaat
836,00
(1 punt × € 836,00)
- nakosten
189,00
Totaal
2.569,16

3.De beslissing

De rechtbank
3.1
veroordeelt [gedaagde] om aan [bedrijf 2] te betalen een bedrag van € 32.394,24 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over een bedrag van € 27.895,11 met ingang van 1 november 2025 tot de dag van volledige betaling,
3.2
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.569,16 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.3
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
3.4
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.F. van Aalst en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.
JG